MENSENRECHTEN
- Open boekgedeelte: feitensituatie oplossen adhv de leerstof
- Gesloten boekgedeelte: ppt’s lessen + syllabus!
- Geen data kennen, 2 wel!!
o 10 december 1984: Universele verklaring van de rechten van de mens
o 1993: Wereldconferentie in Wenen
Waarom is die conferentie van zo groot belang geweest voor de MR ?
BEGRIP EN KENMERKEN MENSENRECHTEN
0. Inleiding
Relatie met rechtvaardigheid en waardigheid:
o MR’en zijn niet louter individuele rechten, maar ook normen die bijdragen aan
een harmonieuze SL.
Ontstaan:
o Hoewel de term pas sinds de 18de eeuw bestaat, zijn de onderliggende
ideeën al veel ouder.
Doel en effect:
o MR’en dienen als middel in de strijd tegen onrecht en machtsmisbruik door
regeringen of multinationals en hebben een emanciperend effect voor wie ze
inroept.
Kritiek en misbruik:
o Westerse landen gebruiken MR’en soms als instrument van dominantie
tegenover het Zuiden (imperialisme).
Kritiek uit het Zuiden komt vaak van politieke elites.
Conflict met traditie:
o MR’en botsen geregeld met traditionele waarden, wat oppositie oproept.
Beperkingen:
o MR’en kunnen niet alle maatschappelijke problemen oplossen, hoewel dat
vaak verwacht wordt.
o Ze worden opgesteld door regeringen (bv. VN, EVRM) die zelden effectieve
toezichtmechanismen voorzien.
o Schendingen leiden zelden tot juridisch bindende beslissingen, om nationale
soevereiniteit te respecteren.
Hierdoor zijn oplossingen meestal politiek, niet juridisch.
I. Begrip en kenmerken
Definitie
OHCHR: “Human rights are rights inherent to all human beings, whatever our nationality, place of
residence, sex, national or ethnic origin, colour, religion, language, or any other status. We are all
equally entitled to our human rights without discrimination.”
MR’en hebben zowel een filosofische als juridische betekenis.
o Filosofisch = speciale soort morele claims die alle mensen mogen inroepen
o Juridisch = manifestatie van die claims in het positieve recht
‘Mensenrechten’
1
, RS
‘Recht van de mensenrechten’
2 theorieën inzake MR’en:
o Vrijheidstheorie: individu moet vrij zijn van willekeurige inmening vd staat
o Rechten-gebaseerde theorie: personen hebben inherente rechten die de
staat moet respecteren
Ze steunen op 3 fundamentele kenmerken:
1. Inherent
2. Gelijkheid
3. Universeel
Kenmerken
1. Inherent
MR’en worden niet toegekend, maar behoren tot elke mens van nature – je hebt ze
louter omdat je mens bent.
o Verankerd in de natuurrechtfilosofie.
Inherente rechten zijn onvervreemdbaar, maar kunnen beperkt worden (meeste
MR’en zijn relatief).
o Uitzondering: Art. 3 EVRM (verbod op foltering) is absoluut.
o Niet absoluut: recht op leven (doodstraf nog toegestaan in art. 2 EVRM, tenzij
Protocol nr. 6 is geratificeerd).
Discussies binnen het inherente karakter:
Dierenrechten: sommige rechtbanken (bv. Argentinië) erkennen beperkte
dierenrechten
Rechten van de natuur: ecosystemen, rivieren of bossen krijgen juridische
bescherming (bv. Ecuador, Colombia, Europa).
Proliferatie van MR’en: uitbreiding met steeds meer rechten (bv. recht op vrije tijd)
kan leiden tot verzwakking van het MR-discours en een democratisch deficit bij
beleid.
2. Gelijkheid
Alle mensen hebben in principe dezelfde rechten.
Toch is bijkomende bescherming mogelijk voor kwetsbare groepen (kinderen,
vrouwen, inheemse volkeren…).
Bevestigd door internationale verdragen zoals het BUPO-verdrag en aanvullende
verdragen (bv. Kinderrechtenverdrag).
3. Universeel
Hoewel MR’en een westerse oorsprong hebben, zijn ze wereldwijd aanvaard via
internationale verdragen.
Zelfs landen die kritiek uiten op MR’en hebben zich niet teruggetrokken uit deze
verdragen, wat hun universeel karakter bevestigt.
HISTORIEK EN SOORTEN MENSENRECHTEN
Religieuze basis
2
, RS
Begrippen zoals waardigheid, het heilige karakter van het
leven, gelijkheid en vrijheid zijn essentieel binnen vele religies.
The Golden Rule:
o “Behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden.”
→ Een universeel moreel principe dat in verschillende religies voorkomt.
Verschil met moderne mensenrechten (EX-vraag!):
o Moderne MR’en zijn vastgelegd in het positief recht en zijn afdwingbare,
subjectieve rechten.
o Religieuze normen zijn meestal plichten tegenover een opperwezen, niet
afdwingbare rechten tussen mensen.
Toch belangrijke invloed:
o Religies hebben een fundamentele rol gespeeld in de historische ontwikkeling
en morele onderbouwing van de MR’en.
Filosofische basis
Ideeën over MR’en bestaan in zowel westerse als niet-westerse filosofieën.
Doel: een meer geordende maatschappij waarin burgers individuele rechten hebben
o → om angst en strijd te verminderen.
Natuurrecht
- Oude Grieken
o Geloof in een universele wet vd natuur of van God → regels om te handelen
als goede mensen
o Nog geen echte MR’en, want geen absolute gelijkheid (slavernij bestond).
Toch humanere ideeën bij Aristoteles, Zeno, Plato, Cicero.
- John Locke
o Grondlegger van het moderne natuurrecht.
o Natuurwet geldt voor iedereen, ook boven OH of staat.
o Iedereen heeft in zn natuurlijke staat = natuurlijke vrijheid → daaruit
vloeien natuurlijke rechten voort:
Recht op leven, vrijheid en eigendom
o Rechten brengen ook plichten mee: respect voor andermans
rechten.
o Tegen politieke slavernij, maar had tegenstrijdige standpunten
bv. over armen en koloniale slavernij
o ‘Geestelijke vader’ van MR’en, al gebruikte hij de term nog niet.
o Contractdenken: OH moet natuurrechten beschermen;
Bij schending → recht op verzet (ius resistendi).
Bij niet-naleving afzetting van OH
o Grondlegger van parlementaire monarchie en checks & balances.
- Thomas Paine
o Filosoof van de overgang van natuurrecht → moderne MR
o “In Common Sense” (1776): “A government of our own is our natural
right.”
3
, RS
o “Rights of Man” (1791): eerste expliciete gebruik van de term mensenrechten.
o Waarschuwde dat MR op papier ook kunnen worden ingeperkt door positief
recht.
o Volgens hem is enige taak van de OH: beschermen van personen & hun
rechten
o Pleitte voor ruim stemrecht → zeer vooruitstrevend.
Vrijheidsfilosofie
- Jean-Jacques Rousseau
o “Du Contrat Social”: mens in de natuurlijke staat = “nobele wilde” met
natuurlijke vrijheid.
o Door afhankelijkheid van anderen raakt de mens gecorrumpeerd → SL
leidt tot anarchie en verlies van natuurlijke vrijheid.
o Daarom ontstaan de staat & het sociaal contract:
Natuurlijke vrijheid wordt beperkt,
Burgers worden onderworpen aan wetten die de ‘volonté générale’
(algemene wil) uitdrukken.
o Zo ontstaat een vrije SL waarin gehoorzaamheid aan de wet gelijkstaat aan
vrijheid.
o Volgens Rousseau is er geen nood aan expliciete MR tegenover de wetgever,
want de wetten zelf drukken de collectieve vrijheid uit.
Zijn visie verschilt van Locke en Paine, maar stimuleerde wel het denken
over MR
- Immanuel Kant
o Mens = redelijk wezen met waardigheid.
o Grondlegger van idee dat ieder mens recht heeft op autonomie.
o Formuleerde 3 vrijheden:
Politieke vrijheid
Gelijkheid (non-discriminatie)
Autonomie (ook economisch)
o Droeg sterk bij aan MR-denken, maar was niet consequent universeel (bv.
niet voor vrouwenrechten)
- Thomas Hobbes
o Vertrok van hetzelfde contractdenken als Locke, maar
was pessimistischer.
o Mensen = egoïstisch, dom → nood aan sterke vorst.
o Pleitte voor absolutisme: de vorst moet rechten beschermen,
maar is daartoe niet verplicht.
o Burgers hebben geen recht op verzet.
o Legde basis voor idee van sterke staten met soevereine
macht (Leviathan).
- Edmund Burke
o Conservatieve denker, verzette zich tegen het abstracte natuurrecht.
4