Hoofdstuk 1: Ideeën uit de levenslooppsychologie
1.1 Wat is levenslooppsychologie?
De levenslooppsychologie omvat de wetenschappelijke studie van de
evolutie van het normale functioneren en gedrag van het individu in de
loop van het leven.
- Doel = functioneren van individuen op verschillende leeftijden in
kaart brengen
- Wetenschappelijke studie: menswetenschap
- Normaal functioneren: beschrijven hoe het gemiddelde individu zich
gedraagt of evolueert
- Evolutie: positief en negatief
Meer bepaald het beschrijven en verklaren van:
- Lichamelijke ontwikkeling
- Motorische ontwikkeling
- Neurologische ontwikkeling
- Morele ontwikkeling
- Affectieve ontwikkeling
- Sociale ontwikkeling …
1.2 Kernconcepten uit de levenslooppsychologie
Beschrijven vs. Verklaren
Descriptieve theorieën: ‘wat?’, ‘waar?’, ‘wanneer?’ en ‘hoe?’, om na te
gaan of de ontwikkeling verloopt zoals te verwachten valt
Verklarende theorieën: ‘waarom?’. Verbanden zoeken tussen
gebeurtenissen, bv. Aan de hand van correlaties (statistische verbanden).
Nomothetisch vs. Idiografisch
Nomothetisch onderzoek: algemene wetmatigheden in kaart brengen
Idiografisch onderzoek: beschrijven (en verklaren) van individuele
evoluties
Verfijning, samenwerking en organisatie
Verfijning: bv. motoriek, emoties, … worden preciezer (bv. handschrift) en
genuanceerder (bv. emotieregulatie)
Samenwerking van functies: bv. oog-hand-coördinatie
Organisatie: complexere gedragingen, bv. het combinatorisch denken van
de adolescent
, Maar: ook omgekeerde processen (achteruitgang dus) door bijvoorbeeld
ouderdom
Nature vs. Nurture
Aangeboren of aangeleerd?
Eeuwenoude discussie: zijn we wie we zijn op basis van onze genen
(nature) of als gevolg van milieufactoren (nurture)?
Beide, met allicht heel wat interactie-effecten (erfelijkheid beïnvloedt
milieufactoren en milieufactoren beïnvloeden erfelijkheid).
Aandeel erfelijkheid en milieu is wellicht min of meer gelijk, met een
marge tussen 40 en 60% voor een van beide.
Ontwikkelingsdeterminanten: factoren die invloed hebben op de
ontwikkeling
Normatieve ontwikkelingsdeterminanten: bij iedereen binnen een
groep
o Leeftijdsgebonden ontwikkelingsdeterminanten: factoren die
samenhangen met de biologische groei bv.
Hormoonveranderingen of verouderingsprocessen
o Socioculturele ontwikkelingsdeterminanten: invloeden uit de
sociale of maatschappelijke omgeving bv. Invloed van sociale
media of de introductie van artificiële intelligentie in de
maatschappij
o Historische ontwikkelingsdeterminanten: gelinkt aan het
tijdskader waarin de persoon opgroeit bv. De invloed van de
coronacrisis op de ontwikkeling en schoolse vaardigheden van
kinderen en jongeren
Niet-normatieve ontwikkelingsdeterminanten: individueel
verschillend
o Bv. Roken of alcoholgebruik tijdens de zwangerschap of de
secundaire veroudering (zie hoofdstuk 9)
o Maar ook zelfbepaling is hierin belangrijk!
De kritische periode
,= Tijdvenster waarin bepaalde vaardigheden verworven (en dus
gestimuleerd) moeten worden.
Bv. Leren spreken: zie wolfskinderen als Genie Wiley
Bv. Hechting (attachment): zie Roemeense weeshuizen
Bv. Leren lezen en schrijven: op volwassen leeftijd veel moeilijker
Maar ook niet te vroeg (bv. Kleuter te vroeg leren lezen en schrijven): kan
contraproductief werken, bijvoorbeeld wanneer neurologische structuren
nog niet voldoende zijn ontwikkeld (veel frustraties en daardoor weerstand
tegen lezen en schrijven)
Maar: kritische periode is mogelijk niet altijd zo absoluut. Daarom beter
spreken van gevoelige periode.
Plasticiteit van de hersenen
Of neuroplasticiteit
= Vermogen van de hersenen om zich aan te passen
Door herstel van zenuwen en zenuwverbindingen
Hierdoor kan uitval op een bepaald gebied gecompenseerd worden door
een sterkere ontwikkeling op een ander gebied
bv. blinden die geur- en tastzin verfijnen of die echolocatie toepassen om
hun weg te vinden
Soms ook hersengebieden die de taak van andere, beschadigde,
hersengebieden overnemen
bv. spraakcentra die in de rechter hemisfeer ontwikkeld worden na
beschadiging van het centrum van Broca of centrum van Wernicke in de
linker hemisfeer
Continu vs. Discontinu ontwikkelingsverloop
Continu: Ontwikkeling verloopt gestaag, volgens een vloeiend
patroon, dag na dag veranderend
• Plotse overgangen zijn er niet
• Verschillende ontwikkelingstaken in verschillend
tempo
• Interindividuele (en geslachtelijke) verschillen
• Maar: onbegonnen werk om dit allemaal in kaart te
brengen
Discontinu: we beschrijven de ontwikkeling in sprongen, stadia
, • Makkelijker, overzichtelijker
• Sommige ontwikkelingspsychologische theorieën
pleiten toch voor een soort discontinu patroon (bv.
Wanneer de ontwikkeling het gevolg is van
crisissen die moeten doorgemaakt worden, zoals
bij Freud en Erikson
Maar:
Grenzen zijn arbitrair en
individueel verschillend
Grenzen verschuiven:
Puberteit steeds vroeger
<-> Volwassenheid steeds
later
(→ adolescentie duurt
langer)
Ouderdom steeds later en
overlijden steeds later
Niet overal onderscheid
tussen peuter en kleuter
Erg westerse indeling (schoolse en professionele fasen)