VAN HET BELGISCHE STAATSBESTEL EN HIËRARCHIE DER
NORMEN
Opdracht 1. Referenda en volksraadplegingen
Lees bijgevoegd artikel van J. VAN STEENBERGEN (voornamelijk
randnummers 17-33) en beantwoord de volgende vragen.
1. Welke grondwettelijke bepaling wordt ingeroepen als grondslag om
zich te verzetten tegen de mogelijkheden van een referendum in
Belgische rechtsorde?
Enkel de natie kan de machten uitoefen, er kan niet zomaar een delegatie
van machten aan het volk gebeuren (art 33, lid GW)
Alle machten gaan uit van een natie => concept van nationale
soevereiniteit
2. Op welk principe of concept binnen de Belgische rechtsorde is deze
bepaling uit de Grondwet gebaseerd? Welk principe is de
tegenhanger van het concept?
Art 33 GW is gebaseerd op het principe van nationale soevereiniteit. Geen
directe participatie van de bevolking, we zijn een indirecte democratie. we
kiezen volksvertegenwoordigers die de natie voor ons vertegenwoordigen
De tegenhanger is volkssoevereiniteit, waarbij de machten gaan uit van
het volk, door middel van bv. een referendum (directe democratie)
3. Wat is de uiteindelijke positie in de Belgische rechtsorde met
betrekking tot referenda? Zijn deze toegelaten of niet? Zo ja, onder
welke voorwaarden en/of modaliteiten?
Volksraadplegingen zijn mogelijk op gemeentelijk, provinciaal en
gewestelijk niveau maar niet op federaal niveau op basis van art 41 lid 5
GW en art 39bis GW.
=> referenda zijn bindend en volksraadpleging niet dus die zijn niet in
strijd met art 33GW.
Verschil tussen referendum en volksraadpleging => volksraadpleging is
niet bindend, een referendum wel.
Opdracht 2. Beoordeel volgende stellingen: juist of fout?
1. Volgens het monistische stelsel verwerft een regel van
internationaal recht pas de status van geldig recht in de nationale
rechtsorde nadat ze is omgezet door een regel van nationaal recht.
1
, Fout, dat is het dualistische stelsel. In een monistisch stelsel maakt
internationaal recht automatisch deel uit van het nationale recht, zonder
dat omzetting nodig is.
=> bv. VK
2. De uitdrukking ‘Bundesrecht bricht Landesrecht’ wordt gebruikt
wanneer de federale en deelstatelijke rechtsnormen in een federale
staat gelijke rechtskracht hebben.
Fout, Bundesrecht bricht Landesrecht (= Federale wet breekt staatswet)
betekent dat federaal recht hiërarchisch boven het deelstatelijk recht
staat. Federaal recht heeft voorrang op deelstatelijk recht niet dat ze
gelijke rechtskracht hebben.
=> in België is het federaal recht gelijk aan het deelstatelijk recht (geen
nevenschikking)
3. In het arrest Honeywell achtte het Duitse Bundesverfassungsgericht
zich bevoegd om te oordelen of de Europese instellingen hun
bevoegdheden niet te buiten zijn gegaan.
Juist, ze bevestigden dat het kon toetsen of de EU-instellingen hun
bevoegdheden hadden overschreden.
4. De rechtbank van eerste aanleg van Limburg, afdeling Tongeren, zal
een wet buiten toepassing laten omdat zij strijdig is met een verdrag
dat België bindt en waarvan de bepalingen voldoende duidelijk,
precies en onvoorwaardelijk zijn;
Fout, dit volgt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Een rechter
moet een wettelijke norm buiten toepassing laten als die in strijd is met
een rechtstreeks werkend internationaal verdrag (rechtstreekse
toepasselijkheid).
=> [ een wet heeft directe werking, als 1. Voldoende duidelijk, precies en
onvoorwaardelijk (objectieve voorwaarde); 2. De wil is van de
verdragspartijen om rechten toe te kennen (subjectieve voorwaarde) ] =
arrest Thonon
=> EVRM: altijd rechtstreekse werking -> die 2 voorwaarden van 4 zijn
voldaan
2