A.M.
R.K. GODSDIENST
K L E U TE R O N D E R W I J S ( A F S TA N D ) V I V E S - S C H O O L J A A R 2 0 2 5 - 2 0 2 6
1. HET KIND IN ZIJN WERELD
1.1 INLEIDING
We bekijken beginsituatie van vh kind: Beschrijft wie de kinderen zijn, wat ze al kennen en kunnen, wat ze hebben
meegemaakt en welke persoonlijke, sociale, situationele en schoolse omstandigheden invloed hebben op hun
ontwikkeling en leren. (Waar staat het kind nu?)
➔ Beginsituatie veranderd steeds! Ontwikkeling van een kleuter verloopt in sprongen.
1.2 KLEUTERS ONTWIKKELEN
1.2.1INLEIDING
Hoe een kleuter zich ontwikkelt, bepaalt mee hoe hij/zij godsdienst kan begrijpen.
1.2.1 DE COGNITIEVE ONTWIKKELING (PIAGET)
Beschrijft hoe het denken van kinderen zich ontwikkelen. 4 fases:
1. Senso-motorische fase (baby): Ontedekken de wereld door zintuigen en bewegen: voelen, kijken, grijpen,
proeven,..
2. Pre-Operationele fase (peuters en kleuters): (BELANGRIJK!)
Symboolinformatie: kunnen iets voorstellen via woorden/prenten
Fantasie en realiteit lopen door elkaar
Magisch denken: voorwerpen kunnen volgens hen leven/gevoelens hebben
Egocentrisme: bekijken de wereld vanuit eigen standpunt
Geen logische gedachtegang: Denken van moment tot moment
➔ Moet concreet en visueel: Bijbelverhalen ondersteunen met bijbelplaten
3. Concreet operationele fase 6/7 jaar:
Onderscheid tussen fantasie en realiteit wordt beter.
Egocentrisme vermindert
Denken wordt logischer, maar ze hebben nog concrete voorbeelden/voorwerpen nodig
4. Abstract operationele fase vanaf ongv. 10 jaar:
Kunnen abstract denken zonder concrete voorwerpen
Kunnen zich beter in andere standpunten verplaatsen
Kunnen achterliggende symbolische betekenissen begrijpen
1.2.3 DE MORELE ONTWIKKELING
Dit gaat over hoe mensen nadenken over goed en kwaad. Bij Kohlberg is het vooral belangrijk waarom iemand iets
goed of fout vindt. 4 niveau’s, 6 fases
1. Fase 0 – Premoreel
Nog geen bewuste lkeuze tussen goed/kwaad
,A.M.
Goed: voelt fijn, slecht= doet pijn. VB: Dokter is stout, want prik doet pijn.
2. Preconventioneel niveau – Peuters en kleuters (BELANGRIJK)
Fase 1: Straf en gehoorzaamheid -> Iets is fout omdat je ervoor gestraft wordt. VB:Ik mag Jules niet slaan,
want dan moet ik op de stoel zitten.
Fase 2: Eigenbelang/voordeel -> Iets doen omdat je er zelf voordeel uit haalt. (als jij iets doet voor mij, doe
ik iets voor jou) VB: Ik geef jou een koekje als jij mij jouw speelgoed geeft.
3. Conventioneel niveau – 8 tot 25 jaar
Fase 3: Goede jongen/lief meisje -> goed doen omdat je goedkeuring van anderen wilt. VB: Ik help de juf
opruimen, want dan vindt de juf mij flink.
Fase 4: Wet en orde -> goed doen omdat regels/wetten en gezag dat voorschrijven. VB: Je mag niet stelen,
want dat is verborden voor de wet.
4. Postconventioneel niveau – 25 jaar
Fase 5 algemeen geldende ethische beginselen -> zelf nadenken vanuit algemeen erkende waarden en
principes, met respect voor jezelf en anderen. VB: Iedereen verdient dezelfde kansen, want ieder mens
moet gelijkwaardig behandeld worden.
Fase 6 eigen waardeschaal -> handelen vanuit je persoonlijke waarden en je verantwoordelijk voelen voor
de wereld. VB: Ook al keurt mijn omgeving het af, ik kom voor deze persoon op imdat ik vanuit mijn eigen
waarden vind dat dit het juiste is.
0 = PIJN → “Het doet pijn, dus slecht.”
1 = STRAF → “Anders word ik gestraft.”
2 = IK → “Wat krijg ík ervoor?”
3 = ANDEREN → “Wat vinden anderen van mij?”
4 = REGELS → “Het mag niet volgens de regels/wet.”
5 = IEDEREEN → “Welke rechten/waarden gelden voor iedereen?”
6 = MIJN WAARDEN → “Wat vind ik vanuit mijn eigen waardeschaal juist?”
1.2.4 AAN DE SLAG MET DE FASES BINNEN DE GODSDIENSTMOMENTEN
Kleuters kijken vooral naar het gevolg van een daad. De juf laat hen ook nadenken over de bedoeling: Was het met
opzet of per ongeluk?
Ezelsbrug: Herkennen -> vragen stellen -> denken verruimen.
1.2.5 DE GELOOFSONTWIKKELING
Niemand wordt gelovig geboren -> Geloven wordt aangereikt via contact met anderen.
Eerst speelt vooral het gezin/opvoeder een rol, daarna kan ook de school bijdragen.
Kinderen kunnen groeien in geloof door luisteren, meedoen, verhalen, prenten, rituelen en vieren
Geloofdontwikkeling hangt samen met de totale ontwikkeling van het kind: Cognitief, affectief, moreel,...
1.2.5.1 GROEIEN IN VERTROUWEN (BELANGRIJK!)
Vertrouwen is de basis van christelijk geloven.
Basisvertrouwen = basisvoorwaarde voor geloven.
Basisvertrouwen ontstaat wanneer een kind ervaart: “Ik mag er zijn, ik ben geliefd en gewaardeerd.”
Hierdoor groeit vertrouwen in zichzelf, anderen en de wereld.
Christelijk geloof bouwt daarop verder: vertrouwen in een liefhebbende God die nabij is en nieuwe
kansen geeft.
1.2.5.2 GROEIEN IN GELOVEN
,A.M.
1ste naïviteit: “Het is echt zo”. Kind neemt geloofsverhalen letterlijk aan. VB: Jezus liep echt over het
water. Ik bid voor mooi weer, god doet de zon schijnen.
Crisismoment: “Maar... Kan dat wel?” Kind wordt kritischer en stelt het letterlijke verhaal in vraag. VB:
Maar hoe kan jezus over water lopen? Een mens zinkt toch?
Tweede naïviteit: “Het hoeft niet letterlijk te zijn om betekenis te hebben. Men zoekt naar de diepere
betekenis in plaats van alles letterlijk te nemen. VB: Het verhaal van jezus op het water wil mij iets
vertellen over vertrouwen en geloof, het gaat niet alleen om de vraag of hij letterlijk over water liep.
Ezelfbrug: Letterlijk -> twijfel -> Symbolisch
1.3 DE BEGINSITUATIE VOOR GODSDIENST
1.3.1 INLEIDING
Beginsituatie: Alle persoonlijke, sociale, situationele en schoolse gegevens die invloed hebben op het leren van een
kind. -> Deze beginsituatie verandert voortdurend!
Bij godsdienst heeft ieder kind een ander rugzak:
Andere ervaringen
Andere voorkennis
Andere thuissituatie
Wel/geen ervaring met geloof of godsdienst
Vb:
Kind A hoort thuis Bijbelverhalen en gaat soms naar de kerk.
Kind B komt thuis nooit met godsdienst in contact.
→ Hun beginsituatie voor godsdienst is verschillend, dus als leerkracht moet je daarmee rekening houden.
1.3.2 HET KIND IN ZIJN WERELD: EEN VISIE
Kinderen groeien op in een samenleving met veel verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke
achtergronden.
Daarom moet godsdienstonderwijs rekening houden met de diverse beginsituatie van ieder kind.
Voorbeeld: in één klas kan een kind christelijk opgevoed worden, een ander een andere levensbeschouwing hebben
en nog een ander thuis helemaal niet met godsdienst bezig zijn.
1.3.3 KINDEREN EN LEVENSBESCHOUWING IN DE WERELD VANDAAG
1.3.3.1 BELEVING VAN HET LEVENSBESCHOUWELIJKE IN EEN VERANDERDE WERELD.
Pluralisme → verschillende levensbeschouwingen/godsdiensten bestaan naast elkaar.
Secularisatie → godsdienst en Kerk hebben minder invloed in de samenleving.
Individualisering → ik kies zelf wat voor mij zinvol is.
Privatisering → levensbeschouwing wordt meer iets van de privésfeer.
Godsdienst/levensbeschouwing à la carte → mensen kiezen bepaalde elementen uit een godsdienst die bij
hen passen en kunnen elementen van verschillende levensbeschouwingen combineren.
Kern om te onthouden: de beleving van levensbeschouwing is veranderd: er is meer diversiteit, mensen kiezen meer
zelf wat ze geloven en geloof wordt persoonlijker.
, A.M.
1.3.3.2 CONTACTPLAATSEN VOOR RELIGIEUZE OPVOEDING
Gezin/familie → bv. doopsel, communie, huwelijk, begrafenis, Kerstmis/Pasen, adventskrans, kerkhof,
bidden…
School → voor veel kinderen een belangrijke plaats waar ze met godsdienst/levensbeschouwing in contact
komen.
Samenleving → kinderen komen christelijke elementen tegen zoals Kerstmis, Pasen, Allerheiligen, gebouwen
en gebruiken, ook al wordt de link met het christendom niet altijd meer gelegd.
1.3.3.3 EEN NIEUWE BEGINSITUATIE VOOR HET GODSDIENSTONDERWIJS
Vroeger: Homogeen + religieuze opv thuis.
→ religieuze/godsdienstige opvoeding gebeurde vooral thuis door de ouders.
Vandaag: Heterogeen +school krijgt een grotere rol
→ veel kinderen krijgen thuis weinig of geen levensbeschouwelijke opvoeding.
→ daardoor is de school vaak de eerste of enige plaats waar kinderen ermee kennismaken.
→ kinderen hebben vaak weinig voorkennis, maar kunnen wel nieuwsgierig zijn naar Bijbelverhalen, rituelen enz.
2.ZILL ALS KADER BINNEN DE KATHOLIEKE DIALOOGSCHOOL
2.1 INLEIDING
2.2 DE VISIE VAN ZILL
2.2.1 INLEIDING
ZILL = Zin in leren! Zin in leven!
Visie ZILL
Katholieke levensbeschouwing = fundament van Zill
Gebaseerd op:
→ katholieke dialoogschool
→ OKB (Opdrachten Katholiek Basisonderwijs)
2.2.2 VANUIT DE KATHOLIEKE DIALOOGSCHOOL
Waarom ontstaan? -> Door de grote levensbeschouwelijke diversiteiten bij kinderen vandaag.
De naam kun je eigenlijk in 3 stukjes onthouden:
1. SCHOOL:
- Wil kinderen vormen tot vrije, competente en solidaire mensen.
- Aandacht voor ieders unieke talenten en voor wie het moeilijk heeft
2. KATHOLIEKE school:
- Vertrekt vanuit het christelijke mens en wereldbeeld
- Inspiratie uit de bijbel en het voorbeeld van jezus
- Liefde en hoop staan centraal.
3. DIALOOGschool
R.K. GODSDIENST
K L E U TE R O N D E R W I J S ( A F S TA N D ) V I V E S - S C H O O L J A A R 2 0 2 5 - 2 0 2 6
1. HET KIND IN ZIJN WERELD
1.1 INLEIDING
We bekijken beginsituatie van vh kind: Beschrijft wie de kinderen zijn, wat ze al kennen en kunnen, wat ze hebben
meegemaakt en welke persoonlijke, sociale, situationele en schoolse omstandigheden invloed hebben op hun
ontwikkeling en leren. (Waar staat het kind nu?)
➔ Beginsituatie veranderd steeds! Ontwikkeling van een kleuter verloopt in sprongen.
1.2 KLEUTERS ONTWIKKELEN
1.2.1INLEIDING
Hoe een kleuter zich ontwikkelt, bepaalt mee hoe hij/zij godsdienst kan begrijpen.
1.2.1 DE COGNITIEVE ONTWIKKELING (PIAGET)
Beschrijft hoe het denken van kinderen zich ontwikkelen. 4 fases:
1. Senso-motorische fase (baby): Ontedekken de wereld door zintuigen en bewegen: voelen, kijken, grijpen,
proeven,..
2. Pre-Operationele fase (peuters en kleuters): (BELANGRIJK!)
Symboolinformatie: kunnen iets voorstellen via woorden/prenten
Fantasie en realiteit lopen door elkaar
Magisch denken: voorwerpen kunnen volgens hen leven/gevoelens hebben
Egocentrisme: bekijken de wereld vanuit eigen standpunt
Geen logische gedachtegang: Denken van moment tot moment
➔ Moet concreet en visueel: Bijbelverhalen ondersteunen met bijbelplaten
3. Concreet operationele fase 6/7 jaar:
Onderscheid tussen fantasie en realiteit wordt beter.
Egocentrisme vermindert
Denken wordt logischer, maar ze hebben nog concrete voorbeelden/voorwerpen nodig
4. Abstract operationele fase vanaf ongv. 10 jaar:
Kunnen abstract denken zonder concrete voorwerpen
Kunnen zich beter in andere standpunten verplaatsen
Kunnen achterliggende symbolische betekenissen begrijpen
1.2.3 DE MORELE ONTWIKKELING
Dit gaat over hoe mensen nadenken over goed en kwaad. Bij Kohlberg is het vooral belangrijk waarom iemand iets
goed of fout vindt. 4 niveau’s, 6 fases
1. Fase 0 – Premoreel
Nog geen bewuste lkeuze tussen goed/kwaad
,A.M.
Goed: voelt fijn, slecht= doet pijn. VB: Dokter is stout, want prik doet pijn.
2. Preconventioneel niveau – Peuters en kleuters (BELANGRIJK)
Fase 1: Straf en gehoorzaamheid -> Iets is fout omdat je ervoor gestraft wordt. VB:Ik mag Jules niet slaan,
want dan moet ik op de stoel zitten.
Fase 2: Eigenbelang/voordeel -> Iets doen omdat je er zelf voordeel uit haalt. (als jij iets doet voor mij, doe
ik iets voor jou) VB: Ik geef jou een koekje als jij mij jouw speelgoed geeft.
3. Conventioneel niveau – 8 tot 25 jaar
Fase 3: Goede jongen/lief meisje -> goed doen omdat je goedkeuring van anderen wilt. VB: Ik help de juf
opruimen, want dan vindt de juf mij flink.
Fase 4: Wet en orde -> goed doen omdat regels/wetten en gezag dat voorschrijven. VB: Je mag niet stelen,
want dat is verborden voor de wet.
4. Postconventioneel niveau – 25 jaar
Fase 5 algemeen geldende ethische beginselen -> zelf nadenken vanuit algemeen erkende waarden en
principes, met respect voor jezelf en anderen. VB: Iedereen verdient dezelfde kansen, want ieder mens
moet gelijkwaardig behandeld worden.
Fase 6 eigen waardeschaal -> handelen vanuit je persoonlijke waarden en je verantwoordelijk voelen voor
de wereld. VB: Ook al keurt mijn omgeving het af, ik kom voor deze persoon op imdat ik vanuit mijn eigen
waarden vind dat dit het juiste is.
0 = PIJN → “Het doet pijn, dus slecht.”
1 = STRAF → “Anders word ik gestraft.”
2 = IK → “Wat krijg ík ervoor?”
3 = ANDEREN → “Wat vinden anderen van mij?”
4 = REGELS → “Het mag niet volgens de regels/wet.”
5 = IEDEREEN → “Welke rechten/waarden gelden voor iedereen?”
6 = MIJN WAARDEN → “Wat vind ik vanuit mijn eigen waardeschaal juist?”
1.2.4 AAN DE SLAG MET DE FASES BINNEN DE GODSDIENSTMOMENTEN
Kleuters kijken vooral naar het gevolg van een daad. De juf laat hen ook nadenken over de bedoeling: Was het met
opzet of per ongeluk?
Ezelsbrug: Herkennen -> vragen stellen -> denken verruimen.
1.2.5 DE GELOOFSONTWIKKELING
Niemand wordt gelovig geboren -> Geloven wordt aangereikt via contact met anderen.
Eerst speelt vooral het gezin/opvoeder een rol, daarna kan ook de school bijdragen.
Kinderen kunnen groeien in geloof door luisteren, meedoen, verhalen, prenten, rituelen en vieren
Geloofdontwikkeling hangt samen met de totale ontwikkeling van het kind: Cognitief, affectief, moreel,...
1.2.5.1 GROEIEN IN VERTROUWEN (BELANGRIJK!)
Vertrouwen is de basis van christelijk geloven.
Basisvertrouwen = basisvoorwaarde voor geloven.
Basisvertrouwen ontstaat wanneer een kind ervaart: “Ik mag er zijn, ik ben geliefd en gewaardeerd.”
Hierdoor groeit vertrouwen in zichzelf, anderen en de wereld.
Christelijk geloof bouwt daarop verder: vertrouwen in een liefhebbende God die nabij is en nieuwe
kansen geeft.
1.2.5.2 GROEIEN IN GELOVEN
,A.M.
1ste naïviteit: “Het is echt zo”. Kind neemt geloofsverhalen letterlijk aan. VB: Jezus liep echt over het
water. Ik bid voor mooi weer, god doet de zon schijnen.
Crisismoment: “Maar... Kan dat wel?” Kind wordt kritischer en stelt het letterlijke verhaal in vraag. VB:
Maar hoe kan jezus over water lopen? Een mens zinkt toch?
Tweede naïviteit: “Het hoeft niet letterlijk te zijn om betekenis te hebben. Men zoekt naar de diepere
betekenis in plaats van alles letterlijk te nemen. VB: Het verhaal van jezus op het water wil mij iets
vertellen over vertrouwen en geloof, het gaat niet alleen om de vraag of hij letterlijk over water liep.
Ezelfbrug: Letterlijk -> twijfel -> Symbolisch
1.3 DE BEGINSITUATIE VOOR GODSDIENST
1.3.1 INLEIDING
Beginsituatie: Alle persoonlijke, sociale, situationele en schoolse gegevens die invloed hebben op het leren van een
kind. -> Deze beginsituatie verandert voortdurend!
Bij godsdienst heeft ieder kind een ander rugzak:
Andere ervaringen
Andere voorkennis
Andere thuissituatie
Wel/geen ervaring met geloof of godsdienst
Vb:
Kind A hoort thuis Bijbelverhalen en gaat soms naar de kerk.
Kind B komt thuis nooit met godsdienst in contact.
→ Hun beginsituatie voor godsdienst is verschillend, dus als leerkracht moet je daarmee rekening houden.
1.3.2 HET KIND IN ZIJN WERELD: EEN VISIE
Kinderen groeien op in een samenleving met veel verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke
achtergronden.
Daarom moet godsdienstonderwijs rekening houden met de diverse beginsituatie van ieder kind.
Voorbeeld: in één klas kan een kind christelijk opgevoed worden, een ander een andere levensbeschouwing hebben
en nog een ander thuis helemaal niet met godsdienst bezig zijn.
1.3.3 KINDEREN EN LEVENSBESCHOUWING IN DE WERELD VANDAAG
1.3.3.1 BELEVING VAN HET LEVENSBESCHOUWELIJKE IN EEN VERANDERDE WERELD.
Pluralisme → verschillende levensbeschouwingen/godsdiensten bestaan naast elkaar.
Secularisatie → godsdienst en Kerk hebben minder invloed in de samenleving.
Individualisering → ik kies zelf wat voor mij zinvol is.
Privatisering → levensbeschouwing wordt meer iets van de privésfeer.
Godsdienst/levensbeschouwing à la carte → mensen kiezen bepaalde elementen uit een godsdienst die bij
hen passen en kunnen elementen van verschillende levensbeschouwingen combineren.
Kern om te onthouden: de beleving van levensbeschouwing is veranderd: er is meer diversiteit, mensen kiezen meer
zelf wat ze geloven en geloof wordt persoonlijker.
, A.M.
1.3.3.2 CONTACTPLAATSEN VOOR RELIGIEUZE OPVOEDING
Gezin/familie → bv. doopsel, communie, huwelijk, begrafenis, Kerstmis/Pasen, adventskrans, kerkhof,
bidden…
School → voor veel kinderen een belangrijke plaats waar ze met godsdienst/levensbeschouwing in contact
komen.
Samenleving → kinderen komen christelijke elementen tegen zoals Kerstmis, Pasen, Allerheiligen, gebouwen
en gebruiken, ook al wordt de link met het christendom niet altijd meer gelegd.
1.3.3.3 EEN NIEUWE BEGINSITUATIE VOOR HET GODSDIENSTONDERWIJS
Vroeger: Homogeen + religieuze opv thuis.
→ religieuze/godsdienstige opvoeding gebeurde vooral thuis door de ouders.
Vandaag: Heterogeen +school krijgt een grotere rol
→ veel kinderen krijgen thuis weinig of geen levensbeschouwelijke opvoeding.
→ daardoor is de school vaak de eerste of enige plaats waar kinderen ermee kennismaken.
→ kinderen hebben vaak weinig voorkennis, maar kunnen wel nieuwsgierig zijn naar Bijbelverhalen, rituelen enz.
2.ZILL ALS KADER BINNEN DE KATHOLIEKE DIALOOGSCHOOL
2.1 INLEIDING
2.2 DE VISIE VAN ZILL
2.2.1 INLEIDING
ZILL = Zin in leren! Zin in leven!
Visie ZILL
Katholieke levensbeschouwing = fundament van Zill
Gebaseerd op:
→ katholieke dialoogschool
→ OKB (Opdrachten Katholiek Basisonderwijs)
2.2.2 VANUIT DE KATHOLIEKE DIALOOGSCHOOL
Waarom ontstaan? -> Door de grote levensbeschouwelijke diversiteiten bij kinderen vandaag.
De naam kun je eigenlijk in 3 stukjes onthouden:
1. SCHOOL:
- Wil kinderen vormen tot vrije, competente en solidaire mensen.
- Aandacht voor ieders unieke talenten en voor wie het moeilijk heeft
2. KATHOLIEKE school:
- Vertrekt vanuit het christelijke mens en wereldbeeld
- Inspiratie uit de bijbel en het voorbeeld van jezus
- Liefde en hoop staan centraal.
3. DIALOOGschool