1. Opbouw en inhoud van het vak
1.1. Stijl en aanpak
1.2. Paulo Freire's model voor 'kritische pedagogiek'
1.3. Gert Biesta over de 3 taken van onderwijs
1.3.1. De balans tussen de 3 taken van onderwijs
1.4. Wereldgericht onderwijs
2. Zingeving en levensbeschouwing
2.1. Irvin Yalom en de 4 grote vragen van ons bestaan
2.1.1. Vrijheid
2.1.2 Angst voor de dood en het verlies (het oncontroleerbare)
2.1.3. Isolatie en connectie (relaties)
2.1.4. zinloosheid en zingeving
2.1.5. het belang van deze uitdaging volgens Yalom
1
,1. Opbouw en inhoud van het vak
2 lessenreeksen :
1.1. Stijl en aanpak
• Leerkracht koos bewust voor ideeën en denkers die tegen de stroom ingaan
• Vanuit het belang van kritisch leren denken (“durf denken!”)
• En vanuit de overtuiging dat onderwijs niet alleen gaat over kennis en vaardigheden, maar
ook over vorming en menswording (ontwikkelen van zijnskwaliteiten)
• Filosoof Khan zegt heel cru dat hetgeen ons het meest weerhoudt van kritisch denken,
luiheid is.
• Onderwijs is meer dan je voorbereiden op de arbeidsmarkt, ook je als mens te vormen
1.2. Paulo Freire's model voor 'kritische pedagogiek'
"Het meest boeiende aan kritisch denken in de klas is dat het van iedereen initiatief vraagt: alle
leerlingen worden actief uitgenodigd om gepassioneerd na te denken en hun ideeën op een open,
bevlogen manier te delen. Wanneer iedereen in de klas, docent én student, erkent dat ze samen
verantwoordelijk zijn voor het creëren van een leercommunity, wordt leren pas echt betekenisvol en
waardevol."
2
,1.3. Gert Biesta over de 3 taken van onderwijs
1) kwalificatie: Inhoud van onderwijs → aanleren kennis en vaardigheden
2) socialisatie: Inleiden in de maatschappij → traditie, praktijken, attitudes, omgangsvormen,
normen, overtuigingen…
3) persoonsvorming (subjectivering): kwaliteiten van het “persoon zijn” die we willen
bevorderen → kritisch denken, connectie maken, samenleven, volwassenheid, engagement,
ondernemingszin…
voorbeelden:
kwalificatie: lezen, rekenen, schrijven, computer gebruiken…
socialisatie: samenwerken, afspraken volgen, respect tonen, omgaan met anderen, waarden en
normen leren…
persoonsvorming: kritisch denken, verantwoordelijkheid nemen, creatief zijn, keuzes maken,
zelfstandig worden, engagement tonen…
1.3.1. De balans tussen de 3 taken van onderwijs
• Biesta pleit ervoor deze 3 elementen in evenwicht te houden
• Vandaag lijkt de klemtoon in het publieke gesprek over onderwijs vooral op kwalificatie te
liggen
We vergeten het belang van subjectivering/persoonsvorming: jonge mensen niet alleen
leren zich aan te passen aan de toekomst maar om zelf de toekomst te maken
we mogen dit dus niet vergeten te leren: “Hoe we het op langere termijn op een humane
manier met elkaar uithouden op een kwetsbare planeet”→ samenleven
1.4. Wereldgericht onderwijs
Biesta gebruikt de term ‘wereldgericht onderwijs’ om te benadrukken dat onderwijs niet alleen
moet voorbereiden op werk (arbeidsgericht onderwijs), maar ook op het leven in de wereld.
Biesta geeft met zijn term ‘wereldgericht onderwijs’ een beetje kritiek op het arbeidsgericht
onderwijs.
Onderwijs als vorming
Biesta ziet onderwijs als een proces waarin leerlingen uitgenodigd worden om een persoon
te worden in de wereld. Het gaat dus niet alleen om kennis of vaardigheden, maar om
vorming.
De wereld opentrekken én openstellen voor de wereld → jezelf leren ontdekken in relatie
tot de wereld
3
, Ontwikkelen van zijnskwaliteiten: hoe je als persoon in de wereld bent/komt
(vb: verantwoordelijkheid nemen, kunnen samenwerken, omgaan met onzekerheid, initiatief
nemen)
2. Zingeving en levensbeschouwing
Reflecties over hoe we in de wereld kunnen zijn
“De vraag is fout gesteld, wanneer we vragen naar de zin van het leven. Het leven is het, dat vragen
stelt.”
Victor Frankl
Uitleg:
We moeten niet vragen: “Wat is de zin van het leven?” Alsof er 1 vast antwoord bestaat. Het leven
stelt óns vragen.
Frankl zegt dus: De zin van het leven is niet iets dat je vindt, maar iets dat je maakt door hoe je leeft.
2.1. Irvin Yalom en de 4 grote vragen van ons bestaan
• Yalom stelt zich de vraag: “wat zijn de ultieme bezorgdheden van ons bestaan?”: de vragen
waarmee iedereen geconfronteerd wordt en worstelt in het leven.
• Hij onderscheid 4 uitdagingen/gegevenheden/bezorgdheden waarop iedere mens een
antwoord moet formuleren.
• Deze uitdagingen zijn volgens Yalom onderdeel van ons menszijn (menselijke conditie)
→ ze gelden voor iedereen + ze zijn onveranderlijk
• Volgens hem zijn er 4 uitdagingen die bij het mens-zijn horen. Iedereen krijgt ermee te
maken, en ze veranderen niet doorheen de tijd.
de 4 grote vragen van ons bestaan:
1. vrijheid (en verantwoordelijkheid): de keuzes die we maken en de verantwoordelijkheid
die we opnemen
2. angst (voor de dood en het verlies): hoe we omgaan met het oncontroleerbare van het
leven
3. isolatie en connectie: hoe wij ons verbinden met de ander en de wereld
4. zinloosheid en zingeving: de zin en onzin van ons leven
4
,2.1.1. Vrijheid
• “De mens is gedoemd om vrij zijn” (Sartre)
= Je kan niet ontsnappen aan het feit dat je altijd keuzes moet maken. Zelfs niets doen is een
keuze. Je moet dus omgaan met vrijheid, of je dat nu leuk vindt of niet.
• We ervaren allemaal een zeker auteurschap over onszelf en ons leven
= we moeten keuzes maken en zijn daarin (deels) verantwoordelijk voor onszelf en de
gevolgen
• Vrijheid vraagt dat we een zekere verantwoordelijkheid voor onszelf en de wereld
opnemen
= spanning tussen vrijheid en verantwoordelijkheid, tussen kiezen en verliezen
de uitdaging van vrijheid: hoe maken we betekenisvolle keuzes? Welke verantwoordelijkheid nemen
we op? Wat betekent het voor om echte vrij te zijn?
2.1.2 Angst voor de dood en het verlies (het oncontroleerbare)
• we hebben heel wat dingen in de wereld niet in de hand. We hebben onszelf vaak nauwelijks
in de hand…
• we moeten een onderscheid maken tussen de dingen die we in de hand hebben en de
dingen die we niet kunnen veranderen
de uitdaging van angst: hoe geven we een plaats aan de dingen die we niet controleren en aan onze
eindigheid/sterfelijkheid?
2.1.3. Isolatie en connectie (relaties)
• De mens is fundamenteel eenzaam
= er is altijd een zekere afstand tussen jezelf en de ander → ik kan niet voelen wat een ander
voelt, ik kan niet weten wat een ander denkt,…
= Er is altijd een klein stukje van jezelf dat alleen jij kent en voelt. Niemand kan 100% in jouw
hoofd of hart kijken.
• Wij hebben allemaal nood aan connectie, maar connectie is ook beangstigend
= vaak kunnen we alleen vertrouwen, niet weten
= je moet vertrouwen, zonder alles te kunnen controleren
de uitdaging van isolatie en connectie: Hoe kunnen wij ons op een betekenisvolle manier verbinden
met onszelf, de andere en de wereld? Hoe creëren we intimiteit? Hoe worden we deel van een
gemeenschap?
5
,2.1.4. zinloosheid en zingeving
• We zijn in de wereld “geworpen”: we hebben niet gekozen voor wie we zijn, waar we
geboren zijn, zelfs niet dat we er zijn,…
• “De zoektocht naar zin en betekenis is de belangrijkste motivator van de mens”
(Viktor Frankl)
de uitdaging van zinloosheid en zingeving: Hoe geven we zin aan ons leven? Hoe ontvangen we zin?
Hoe gaan we om met ervaringen van zinloosheid?
2.1.5. het belang van deze uitdaging volgens Yalom
Yalom zegt dat de 4 grote uitdagingen onvermijdelijk deel zijn van mens-zijn. Iedereen krijgt ermee
te maken, en iedereen moet er op zijn eigen manier een antwoord op vinden.
Volgens Yalom begint dat proces van een antwoord geven op deze uitdagingen bij de aanvaarding
van deze realiteiten: je kan deze realiteiten niet wegduwen of bestrijden, je kan alleen kiezen hoe je
ermee omgaat.
vb: een angststoornis: Soms proberen mensen angst volledig te onderdrukken of vermijden. Maar dat
werkt niet, het maakt de angst vaak groter. De weg vooruit is aanvaarden dat angst bestaat, en leren
ermee omgaan.
Doorheen je leven komen deze uitdagingen telkens terug, maar ze tonen zich anders afhankelijk van
je situatie of context. In feite komen alle levensvragen voort uit deze 4 uitdagingen.
Daarom is het belangrijk om ze niet te ontwijken of te doen alsof er 1 vast antwoord bestaat. Je
moet ze juist onder ogen zien en ermee leren leven.
Yalom vat het mooi samen door te zeggen: “Het is goed om je onder te dompelen in de stroom van
het leven”. → actief deelnemen, voelen, ervaren, en niet proberen weg te lopen van wat het leven
je vraagt.
6
, H2 Aandacht en overdaad
Over het belang van aandacht en contemplatie
1. Overdaad: leven en leren in een overprikkelende wereld
1.1. vijf minuten “niks” doen?
2. Een wereld van overdaad
2.1. Een wereld van overdaad?
2.2. Verslaafd aan prikkels
2.3. Aandacht en gewoontes
2.4. The social dilemma
3. De vermoeide samenleving
3.1. De vermoeide samenleving: multitasken
3.2. De vermoeide samenleving: hyperaandacht
3.3. De vermoeide samenleving: reproductie
3.4. Ultrabewerkte prikkels en informatie
3.5. Casus: Netflix en “achtergrond televisie”
3.6. Effecten van overdaad op ons leven
4. Contemplatie
4.1. Contemplatie
4.2. Aandacht en contemplatie vandaag
5. Aandacht en contemplatie als zijnskwaliteit
1
,Voorbereiding
Artikel:
De aanval op onze aandacht: internetrust als nieuw basisrecht
Laten we het oude ideaal van 'ontslaving' vanonder het stof halen. Dat woord doet vandaag
misschien wat oubollig aan, maar aan het eind van de 19e eeuw was het een belangrijk
emancipatorisch ideaal.
Als alle internetoptimisten twintig jaar geleden geld op hun eigen voorspellingen hadden ingezet,
dan waren ze nu een stuk armer. Nooit eerder zijn over een technologie zoveel positieve
voorspellingen gedaan waarvan er zo weinig zijn uitgekomen. De wereld is geen gezellige 'global
village' geworden. Het internet blijkt juist afzonderlijke informatieluchtbellen te creëren waarin
gelijkgezinden zich verongelijkt terugtrekken. De verbindende sociale media versterken in de eerste
plaats boze, racistische en jaloerse gevoelens. Op wereldniveau heeft digitale democratisering niet
tot politieke democratisering geleid. Autoritaire politiestaten hebben het internet integendeel
omarmd als een instrument om het gedrag van hun bevolking te controleren en die van andere
landen te desinformeren. Op economisch gebied valt geen noemenswaardige productiviteitsstijging
aan te wijzen sinds we online leven. Het omgekeerde lijkt eerder waar. Veldonderzoek toont dat
werknemers gemiddeld nog maar de helft van hun dag aan hun werk besteden. Voeten slepen is
natuurlijk van alle tijden, maar buiten de werkplaats is de toestand evenmin erg verheffend. Hoewel
de mogelijkheden van het internet schier eindeloos zijn, is het in de eerste plaats een plek voor
extreem vluchtige en oppervluchtige activiteiten. Laatste jaren worden ook de kwalijke gevolgen op
onze levenskwaliteit steeds duidelijker. Onderzoeken wijzen op een duidelijk negatief verband tussen
overmatig internetgebruik en onze mentale gezondheid. We slapen slechter en we lezen minder.
Psychologen waarschuwen ons steeds luider voor de vernietigende impact van het internet op ons
concentratievermogen. De menselijke aandachtspanne was sowieso al niet feilloos, maar vandaag
ligt ze heel de dag onder vuur.
Natuurlijk is het niet allemaal kommer en kwel. Tijdens de coronacrisis blijkt een draadloze
verbinding voor veel mensen een onmisbare levenslijn. Ook in quarantaine echter is de impact van
het internet niet eenduidig positief. We zijn voortdurend bereikbaar, maar bevinden ons ook heel de
dag in gevecht met de constante sirenezang van het web. De verleidingen blijken grenzeloos: films,
sexy foto's, berichtjes van vrienden, nieuwsupdates, weerberichten, grappen, vakantiehuisjes,
eindeloze winkelramen, … Nu is er niets mis met wat ontspanning bij tijd en wijle, maar soms lijken
we heel de dag als konijnen in een lichtbak te staren. Overal waar we gaan, nemen we een
persoonlijke hypergesofisticeerde flipperkast mee. Volgens de laatste onderzoeken nemen we onze
smartphone gemiddeld 80 keer per dag uit onze zak. Dat valt bezwaarlijk normaal gedrag te noemen.
Computers hebben dezelfde uitwerking. Onderzoeken wijzen uit dat werknemers gemiddeld om de
vijf minuten hun mailbox openen, zonder dat ze zelf een melding krijgen. Dat is deels een bewuste
strategie. Tech-ondernemers passen massaal inzichten toe uit de sociale psychologie om
zogenaamde 'gewoontestructuren' te creëren en mensen aan hun product te 'verslaven'. Door
middel van allerlei onzichtbare technieken worden we geconditioneerd om zoveel mogelijk tijd op
het internet door te brengen. Als de Russische psycholoog Ivan Pavlov vandaag nog zou leven, dan
was hij waarschijnlijk verbaasd dat zijn experimenten op honden vandaag massaal worden
uitgevoerd op mensen. Deze bedrijven beseffen al langer wat de meeste mensen maar niet willen
inzien: dat hun tijd geld waard is. Volgens de CEO van Netflix is niet Youtube maar de slaap van zijn
2
,gebruikers de grootste vijand van het bedrijf. Een heleboel klokkenluiders uit deze bedrijven maakte
hun ongerustheid over deze nieuwe verslavingsindustrie reeds publiek. Ze waarschuwen dat 'onze
geesten gekaapt worden'. Oudwerknemers van Facebook vergeleken de praktijken van het platform
met die van drugsdealers. Net als de Antwerpse cocaïnedealers weten ze hun verslaafden op slinkse
wijze steeds weer terug te lokken. Tegelijkertijd lijken zelfs die ondernemers verbaasd over de
menselijke creativiteit wanneer het op tijdsverspilling aankomt. De uitvinder van de swipe-functie
(waarbij je met een veegbeweging nieuwe berichten te zien krijgt) staat versteld over het succes van
zijn eigen uitvinding. Hij vergelijkt het met de deurknoppen in liften waar mensen maar op blijven
duwen terwijl ze weten dat de deuren automatisch sluiten. Het is een goede metafoor voor veel van
ons gedrag online: we weten dat het niets oplevert, maar doen het toch. Dat komt omdat deze
bedrijven het pleziercentrum in onze hersenen trachten hacken. Door ons voortdurend kleine
emotionele beloningen voor te houden – een persoonlijke bevestiging, een nieuwtje, een geile
impuls – komen dezelfde blije stofjes vrij als bij gokmachines en hard drugs. De prikkel voelt goed, ze
is kort en krachtig … en makkelijk te verkrijgen. Hierdoor komen andere 'moeilijkere' activiteiten in
het gedrang die niet diezelfde onmiddellijke beloning geven.
Desondanks is het leidend paradigma bij onze bestuurders nog steeds dat het huidig internetaanbod
zoveel als mogelijk uitgebreid en versneld moet worden. In zeker opzicht is dat een terechte
bekommernis. Het is inderdaad stuitend dat de snelheid van een internetverbinding vaak
sociaaleconomisch bepaald is. De huidige coronacrisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat er nog altijd
een digitale kloof bestaat tussen arme en rijke gezinnen, waardoor duizenden kinderen thuis niet van
afstandsonderwijs kunnen genieten. Aan de andere kant lijkt er op sommige plekken en momenten
ook een teveel aan internet te bestaan. Dat geldt in de eerste plaats voor onderwijsomgevingen.
Onderzoeken hebben de verstorende impact van het internet op leerprocessen omstandig
aangetoond. Juist minderjarigen zouden daarom extra bescherming moeten genieten tegen de
nefaste invloed van deze toestellen op hun ontwikkeling. Een smartphoneverbod op scholen zoals
Franse president Emmanuel Macron voorstelt, is dus helemaal geen gek idee. In feite zouden scholen
voor minderjarigen best helemaal internetvrij gemaakt worden. Maar ook in het hoger onderwijs is
uitgebreid aangetoond dat 'nearly every type of in-class technology use is linked to decreased
classroom performance, regardless how that performance is measured'. Dit schaadt niet alleen
gebruikers zelf. Er is ook een negatief 'meeleeseffect' voor de omgeving. De lesomgevingen van
universiteiten en hogescholen zouden dus eveneens gebaat zijn bij internetloosheid. Natuurlijk blijft
het internet aan de universiteit en hogescholen een onmisbaar instrument voor onderwijs en
onderzoek. Een totaalverbod heeft dan ook geen enkele zin. We kunnen wel gericht werken door
vrijzones en rustpunten te creëren. Er zijn immers wel degelijk nog altijd activiteiten waarbij we het
internet best kunnen missen. Juist op die plekken waar cognitieve ontwikkeling centraal staat,
moeten we evolueren naar een model van gecontroleerd en partieel internet gebruik.
Het is natuurlijk ietwat ironisch dat net in Silicon Valley die omslag naar 'schermarme scholen' volop
bezig is. In het technologisch hoogland lijken de koks hun eigen potje niet meer te lusten. Een ware
schermangst heeft zich van ouders in California meester gemaakt. Steeds meer kinderen krijgen een
volledig schermverbod en kinderoppassers moeten 'no phone-contracts' ondertekenen. Niet alleen
de digitale whizkids timmeren hun ramen dicht. In dure restaurants en hippe nachtclubs worden
smartphones verboden. Steeds meer topuniversiteiten weren laptops uit hun aula's. Onder
hoogopgeleide yuppies circuleren diepzinnige longreads over de voordelen van 'monotasken', 'deep
work', 'dopaminevasten', 'digitaal detoxen' en 'indistractibility'. Academici delen programma's onder
3
, elkaar waarmee ze hun eigen schermtijd limiteren. Dat is natuurlijk allemaal erg creatief, maar vanuit
democratisch oogpunt zijn hierbij toch belangrijke bezwaren te maken. Allereerst getuigt het van een
erg neoliberale logica om collectieve problemen te individualiseren in de vorm van self-helpboeken
en smartphoneapplicaties. Oplossingen worden geprivatiseerd en herleid tot een kwestie van
wilskracht en zelfdiscipline. Dat is niet helemaal eerlijk. Er bestaat wel degelijk technologie om meer
controle over ons internetgebruik te verkrijgen. Sinds vorig jaar geeft Apple ouders bijvoorbeeld
meer instrumenten om de schermtijd van hun kinderen te reguleren (dat gebeurde pas na veel
externe druk). Het lijkt echter hier niet opportuun om preventie over te laten aan bedrijven die zelf
veel baat hebben bij het voortbestaan van het probleem. Internetverslaving is immers wel degelijk
een politiek probleem. Er groeit vandaag een tweede digitale kloof tussen arm en rijk. Vanaf een
bepaalde inkomensgrens lijkt internet niet langer een luxeproduct te zijn, maar internetrust wel. Net
zoals de zondagsrust vroeger dreigt dit opnieuw een voorrecht van hooggeschoolden te worden. Uit
Amerikaans onderzoek blijkt dat tieners uit minder gegoede gezinnen aanzienlijk meer tijd achter
hun schermen doorbrengen dan leeftijdsgenoten in welgestelde families. Onderzoek van de UGent
wijst aan dat 'studenten met een migratieachtergrond' bovengemiddeld meer tijd op hun
smartphone spenderen. Dit correleert één op één met slechtere examenresultaten. We kunnen dit
niet met lede ogen blijven aanzien, zeker niet omdat moderne democratieën een goede reputatie
hebben in het terugdringen van zulke problemen. We hebben een lange traditie in het reguleren van
verslavende producten. Zo zijn de verkoop en het verbruik van tabak, alcohol en weddenschappen
aan bepaalde voorwaarden onderworpen. Op die manier worden we niet voortdurend met hun
verleidingen geconfronteerd. De producten worden zoveel mogelijk afgeschermd voor bepaalde
leeftijdsgroepen en geconcentreerd op specifieke plekken. Die maatregelen zijn betrekkelijk simpel
en behoorlijk efficiënt. Het is natuurlijk een illusie te denken dat we verslaving volledig kunnen
oplossen, maar we kunnen de negatieve effecten wel indijken tot een maatschappelijk aanvaardbaar
niveau. Vanzelfsprekend heeft het internetprobleem niet dezelfde dodelijke proportie als alcohol of
tabak, maar de maatregelen kunnen ons wel inspireren.
Laten we daarom het oude ideaal van 'ontslaving' vanonder het stof halen. Dat woord doet vandaag
misschien wat oubollig aan, maar aan het eind van de 19e eeuw was het een belangrijk
emancipatorisch ideaal. Sociale vooruitgang werd toen immers niet alleen beschouwd als een
kwestie van democratisering en sociale rechten, maar ook van zelfontwikkeling. Die term heeft
vandaag een haast exclusieve individualistische invulling gekregen, maar dat was ooit anders. Niet
voor niets was één van de belangrijkste programmapunten van de jonge arbeidersbeweging daarom
de strijd tegen jenever. Naarmate de politieke macht van de arbeidersbeweging groeide, wist ze door
wetten en besluiten het jeneververbruik in België spectaculair terug te dringen. Deze historische les
moet ons hoopvol stemmen. Verslavingen zijn niet louter een individueel probleem en er bestaan
wel degelijk politieke oplossingen voor. Laten we daarom het Amerikaanse cowboymodel achter ons
en streven naar een politiek model van internetrust. Dit is geen pleidooi voor een Chinees
politiemodel, maar voor een beleid van vluchtheuvels en rustpunten te midden van een digitale
zondvloed. Het programma is simpel. Weg van individuele hulpmiddelen naar collectieve
oplossingen. Dat zijn internetvrije leeromgevingen, productvoorschriften met instrumenten voor
partieel en gecontroleerd internetgebruik en meer externe controle op fabrikanten. Op die manier
kan de overheid haar burgers in de beste sociaaldemocratische traditie de controle over hun tijd
laten heroveren op de winzucht van kapitalistische mastodonten.
4