Vraag 1: Wat is binnen de criminologie het specifieke doel van de 'etiologie'?
A) Het analyseren van de effectiviteit van politiemethoden.
B) Het zoeken naar de diepere oorzaken en verklaringen voor crimineel gedrag.
C) Het registreren van de omvang van onzichtbare criminaliteit.
D) Het bestuderen van de impact van een delict op de benadeelde partij.
Vraag 2: Op welke drie pijlers rust de erkenning van de criminologie als een
volwaardige wetenschap?
A) Maatschappelijk nut, politieke steun en historische data.
B) Individuele focus, slachtofferhulp en strafmaatbepaling.
C) Theoretische vorming, een eigen kennisobject en een methodologisch
instrumentarium.
D) Juridische basis, politionele samenwerking en slachtofferstatistieken.
Vraag 3: Welke fout begaat een criminoloog volgens de tekst wanneer deze
uitsluitend focust op de huidige situatie en de nabije toekomst?
A) Methodologisch vooroordeel
B) Lombrosiaanse vertekening
C) Futurisme
D) Etiologisch determinisme
Vraag 4: Wat is een fundamentele beperking van 'mondelinge geschiedenis' als
onderzoeksmethode?
A) Het is onmogelijk om subjectieve ervaringen wetenschappelijk te toetsen.
B) Het kan uitsluitend worden toegepast op politieke besluitvorming.
C) Het ontbreekt aan de mogelijkheid om emotionele impact te meten.
D) Het is beperkt tot de levensduur van de betrokken generaties.
Vraag 5: Welk concept verklaart dat historische praktijken nog steeds een actieve
invloed hebben op het moderne strafrechtsysteem?
A) Levend verleden
B) Cyclische rechtspraak
C) Continuïteit in bronnen
D) Sociale inertie
Vraag 6: Waarom ontstaat er vaak een 'bias in bronnen' binnen historisch
criminologisch onderzoek?
A) Omdat alleen succesvolle re-integratietrajecten werden gedocumenteerd.
B) Omdat bepaalde groepen zoals vrouwen en kinderen vaak onzichtbaar blijven in
archieven.
C) Omdat archivarissen in het verleden bewust alle geweldsdelicten verwijderden.
D) Omdat historische rechters weigerden schriftelijke vonnissen uit te spreken.
Vraag 7: Op welke manier is de focus van de Lombrosiaanse traditie in de
moderne historische criminologie bekritiseerd?
2
, A) Door meer aandacht te schenken aan biologische afwijkingen bij daders.
B) Door de nadruk te leggen op de psychologische staat van de rechters.
C) Door de focus te verleggen naar sociale en economische leefomstandigheden.
D) Door het belang van schedelmetingen opnieuw te valideren.
Vraag 8: Welk fenomeen illustreert het 'cyclisch verloop' van straffen in de
moderne tijd?
A) Het volledig afschaffen van gevangenisstraffen ten gunste van boetes.
B) De vervanging van de politie door militaire eenheden op het platteland.
C) Het verbod op elke vorm van publieke inmenging bij rechtspraak.
D) De hernieuwde populariteit van publieke schande (shaming) in een modern jasje.
Vraag 9: Wat wordt in de tekst beschreven als de drijfveer achter de 'humanisering
van executies'?
A) De zoektocht naar methoden die de morele last van de doodstraf verlichten.
B) Een tekort aan beulen die bereid waren fysieke martelingen uit te voeren.
C) De internationale druk om de doodstraf volledig om te zetten in werkstraffen.
D) Een economische noodzaak om executies sneller en goedkoper uit te voeren.
Vraag 10: Wat was het gevolg van de centralisering van de staat na de Franse
Revolutie?
A) Dorpen en steden kregen meer vrijheid om eigen straffen te bepalen.
B) Het vervangen van lokale gewoontes door uniforme, landelijke regels.
C) De volledige overdracht van de rechtspraak aan de Kerk.
D) De afschaffing van de politie in stedelijke gebieden.
Vraag 11: Wat wordt bedoeld met de 'middelenkloof' in de context van
rechtshandhaving?
A) Het verschil in inkomen tussen de dader en het slachtoffer.
B) De kloof tussen theoretische wetgeving en feitelijke handhaving door geld- of
personeelsgebrek.
C) De ongelijkheid in toegang tot advocaten tussen sociale klassen.
D) Het onderscheid tussen private beveiliging en publieke politiecapaciteit.
Vraag 12: Wat bepalen de lokale politieke verhoudingen en culturele context bij
'policy transfers'?
A) Of een dader al dan niet vogelvrij wordt verklaard.
B) De hoogte van het weergeld dat aan de koning moet worden betaald.
C) De mate waarin een internationaal concept in de praktijk wordt gebracht.
D) Het aantal jaren dat een kind door de Kerk wordt opgevoed.
Vraag 13: Welk debat voeren wetenschappers over de archeologische vondst van
de 'Lindow Man'?
A) Of het gaat om een ritueel offer of een vroege vorm van de doodstraf.
B) Of het lichaam toebehoorde aan een Romeinse keizer of een Gallische slaaf.
C) Of de mishandelingen het gevolg waren van een oorlog of een ongeval.
D) Of de boeien dienden als decoratie of als effectieve fixatie.
3