• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 133 pagina's
Samenvatting

Fiscale Hogeschool Brussel (2026): Samenvatting Fiscaal Ondernemingsbeleid

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 133 pagina's

Uitgebreide samenvatting fiscaal ondernemingsbeleid

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Fiscaal ondernemingsbeleid | Hoofdstuk 1 - De keuze tussen eenmanszaak en vennootschap




Uitgebreide examengerichte samenvatting
Hoofdstuk 1 - De keuze tussen eenmanszaak en vennootschap
Fiscaal ondernemingsbeleid | Prof. Philippe Vandevoorde | 5 februari 2026

RODE DRAAD VAN HET HOOFDSTUK
De keuze tussen werknemer, zelfstandige zonder vennootschap en werken via een managementvennootschap wordt niet
uitsluitend door het belastingtarief bepaald. De volledige vergelijking vertrekt van de kost voor de opdrachtgever en omvat
achtereenvolgens sociale bijdragen en sociale bescherming, aftrekbare beroepskosten, personen- of vennootschapsbelasting, de
wijze waarop middelen privé beschikbaar worden en de juridische risico's. De examenvraag bestaat vaak uit het herkennen en
correct combineren van deze lagen.



1. Het beslissingskader

1.1 Drie mogelijke statuten
Het hoofdstuk vergelijkt drie manieren waarop één persoon prestaties kan leveren:
• Werknemer: werkt onder gezag van een werkgever en ontvangt loon. De werkgever draagt een belangrijk deel van de
sociale en administratieve lasten.
• Zelfstandige zonder vennootschap: factureert of ontvangt beroepsinkomsten rechtstreeks als natuurlijke persoon. De
beroepswinst wordt in de personenbelasting belast.
• Zelfstandige via een managementvennootschap: de vennootschap factureert de prestaties. De persoon is bestuurder
of bedrijfsleider van die vennootschap en haalt privé middelen uit de vennootschap via bezoldiging, voordelen,
kostenvergoedingen, huur, dividenden enzovoort.
Een zuivere vergelijking van het nettoloon met het bedrag dat in een vennootschap overblijft, is fout. De uitgangspunten,
sociale bescherming en beschikbaarheid van het geld verschillen.

1.2 Correcte vergelijkingsvolgorde
Laag Centrale vraag

Kost voor de klant of werkgever Welk totaalbudget is beschikbaar?

Sociale bijdragen Wie betaalt welke bijdragen en welke bescherming staat daartegenover?

Beroepskosten Welke kosten zijn beroepsmatig, bewijsbaar en fiscaal aftrekbaar?

Belasting Wordt het inkomen belast in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of beide?

Privébeschikbaarheid Wanneer en via welke techniek komt het geld bij de natuurlijke persoon?

Juridische toets Zijn arbeidsrecht, vennootschapsrecht, belangenconflict en bewijsvereisten gerespecteerd?



EXAMENREFLEX
Begin een vergelijking altijd bij dezelfde totale kost voor de opdrachtgever. Vermeld daarna dat een hoger nettoresultaat niet
automatisch een betere keuze betekent: sociale bescherming, aansprakelijkheid, administratieve kosten en de timing van de
geldopname moeten mee worden beoordeeld.




FOB - Hoofdstuk 1 pag. 1

, Samenvatting Fiscaal ondernemingsbeleid | Hoofdstuk 1 - De keuze tussen eenmanszaak en vennootschap


2. De werknemer als referentiepunt

2.1 Kenmerken en voordelen
Het werknemersstatuut is administratief eenvoudig. De werkgever organiseert de loonverwerking, houdt bedrijfsvoorheffing
en werknemersbijdragen in en draagt werkgeversbijdragen af. De werknemer hoeft geen eigen boekhouding of btw-
administratie te voeren.
Belangrijke voordelen zijn:
• een wettelijk minimumloon en arbeidsrechtelijke bescherming;
• een uitgebreide sociale zekerheid;
• verzekering tegen arbeidsongevallen, met inbegrip van ongevallen op de normale weg van en naar het werk;
• toegang tot werkloosheidsuitkeringen, tijdskrediet en bescherming bij beroepsziekten;
• vakantiegeld en, afhankelijk van de sector, een eindejaarspremie;
• mogelijkheid tot aanvullende voordelen, zoals een groepsverzekering, hospitalisatieverzekering, maaltijdcheques,
bedrijfswagen of bedrijfsfiets.
De minimumpensioenen van werknemers en zelfstandigen zijn intussen naar elkaar toegegroeid, maar het gemiddelde
werknemerspensioen kan hoger liggen. Een groepsverzekering kan het aanvullend pensioen verder verhogen.

SOCIALE BESCHERMING IS EEN ECONOMISCHE WAARDE
Het verschil in nettobedrag tussen statuten mag niet worden voorgesteld alsof de sociale bijdragen volledig verloren geld zijn.
Het werknemersstatuut financiert een ruimere dekking. Een zelfstandige moet bepaalde risico's zelf verzekeren, bijvoorbeeld
arbeidsongeschiktheid of een ongeval tijdens beroepsverplaatsingen.


2.2 Cijfervergelijking werknemer
De les vertrekt van een totale werkgeverskost van € 125.000.

Berekening werknemer Bedrag

Totale werkgeverskost € 125.000,00

Werkgeversbijdragen € 25.000,00

Brutoloon € 100.000,00

Werknemersbijdragen, 13,07% € 13.070,00

Bruto belastbaar inkomen € 86.930,00

Personenbelasting € 34.558,35

Netto € 52.371,65

Parafiscale druk 58,10%


De simulatie heeft betrekking op aanslagjaar 2025, voor een alleenstaande zonder kinderen. De bijzondere bijdrage voor de
sociale zekerheid is erin begrepen.

NIET VAN BUITEN LEREN
De exacte belastingberekening is illustratief. De kern is de methode: van totale werkgeverskost naar brutoloon, vervolgens
sociale bijdragen en personenbelasting, en ten slotte het nettoresultaat.


2.3 Voordelen van alle aard bij werknemers
2.3.1 Algemene regel
Volgens artikel 31, tweede lid, 2° WIB 92 behoren voordelen die uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid
worden verkregen tot de belastbare bezoldigingen. In beginsel geldt de werkelijke waarde voor de verkrijger. Voor bepaalde
voordelen legt de wet of het uitvoeringsbesluit een forfaitaire waardering op.


FOB - Hoofdstuk 1 pag. 2

, Samenvatting Fiscaal ondernemingsbeleid | Hoofdstuk 1 - De keuze tussen eenmanszaak en vennootschap


Een voordeel kan voor de werknemer dus beperkt belast worden, terwijl de werkelijke kost voor de werkgever veel hoger is.
Dat verklaart waarom een loonpakket vaak fiscaal efficiënter kan worden samengesteld dan een volledig geldloon.

2.3.2 Bedrijfswagen
Het belastbare voordeel van een personenwagen wordt forfaitair berekend:
cataloguswaarde × CO₂-percentage × leeftijdscoëfficiënt × 6/7
• De cataloguswaarde is de prijs in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde
btw, zonder rekening te houden met kortingen.
• Het CO₂-percentage hangt af van de uitstoot en een jaarlijks bepaalde referentie-uitstoot.
• De leeftijdscoëfficiënt daalt met 6% per begonnen periode van twaalf maanden, met een maximale vermindering van
30%.
• De factor 6/7 houdt verband met de behandeling aan werkgeverszijde. Een deel van het voordeel wordt als
verworpen uitgave opgenomen.

Wagen uit de les Cataloguswaarde Jaarlijks VAA

Tesla € 72.570,00 € 2.488,11

BMW X5 hybride € 95.421,46 € 3.271,59

Audi A4 diesel € 41.430,00 € 4.332,39

Volkswagen Golf benzine € 32.045,00 € 2.938,98


De voorbeelden tonen dat een hogere cataloguswaarde niet noodzakelijk tot het hoogste voordeel leidt. De CO₂-uitstoot
weegt zwaar door.
Een tankkaart of laadmogelijkheid die samen met de bedrijfswagen ter beschikking wordt gesteld, is in beginsel in het
forfaitaire wagenvoordeel begrepen. Een afzonderlijke tankkaart zonder bedrijfswagen wordt volgens de werkelijke
privéwaarde beoordeeld. Ook bij een laadpaal thuis moet worden onderzocht wie eigenaar is, wie elektriciteit betaalt en
wanneer een eventuele eigendomsoverdracht plaatsvindt.

2.3.3 Bedrijfsfiets
Een bedrijfsfiets kan vrijgesteld zijn wanneer hij daadwerkelijk en regelmatig voor woon-werkverplaatsingen wordt gebruikt
en de wettelijke voorwaarden worden nageleefd. De regeling omvat meer dan de klassieke fiets en kan ook bepaalde
elektrische fietsen of speedpedelecs omvatten.
De vrijstelling moet worden onderscheiden van de kostenaftrek in de personenbelasting. De concrete fiscale behandeling
hangt onder meer af van de keuze voor forfaitaire of werkelijke beroepskosten en van de correcte vermelding op de fiche.

2.3.4 Woning, verwarming en elektriciteit
Voor een ter beschikking gestelde woning luidt de forfaitaire formule:
geïndexeerd kadastraal inkomen × 100/60 × 2
Voorbeeld uit de les bij aanslagjaar 2027:

Element Waarde

Niet-geïndexeerd KI € 1.900,00

Illustratieve indexatiecoëfficiënt 2,30

Jaarlijks voordeel woning € 14.566,67


Wanneer de werkgever of vennootschap naast de woning ook verwarming en elektriciteit verstrekt, kunnen afzonderlijke
forfaits gelden. Voor leidinggevend personeel vermeldt de les voor aanslagjaar 2027 € 2.560 voor verwarming en € 1.280
voor elektriciteit. Sinds aanslagjaar 2023 is de combinatie van de terbeschikkingstelling van de woning én de nutsvoorziening
een belangrijke voorwaarde voor die forfaitaire waardering.




FOB - Hoofdstuk 1 pag. 3

, Samenvatting Fiscaal ondernemingsbeleid | Hoofdstuk 1 - De keuze tussen eenmanszaak en vennootschap


2.3.5 Informatica en telecommunicatie
De jaarlijkse forfaitaire voordelen uit de les zijn:

Terbeschikkingstelling Jaarlijks voordeel

Smartphone of gsm-toestel € 36

Telefoonabonnement € 48

Pc of laptop € 72

Internetverbinding € 60


Bij gecombineerde terbeschikkingstelling worden de toepasselijke forfaits samengeteld.

2.3.6 Andere loonvoordelen en kosten eigen aan de werkgever
• Maaltijdcheques: in 2026 maximaal € 10 per cheque. Bij een minimale persoonlijke bijdrage van € 1,09 bedraagt het
maximale voordeel € 8,91. Een deel van de werkgeverskost is niet aftrekbaar.
• Sociale voordelen: beperkte voordelen zoals koffie of soep kunnen bij de werknemer vrijgesteld zijn. De
aftrekbaarheid bij de werkgever moet afzonderlijk worden beoordeeld.
• Hospitalisatieverzekering: doorgaans geen belastbaar voordeel voor de werknemer, maar de premie is in beginsel
niet aftrekbaar voor de werkgever.
• Groepsverzekering: vormt aanvullend pensioen voor werknemers. Voor bedrijfsleiders vervult een individuele
pensioentoezegging, de IPT, een vergelijkbare functie.
• Kosten eigen aan de werkgever: een terugbetaling van werkelijk ten laste van de werkgever komende kosten is geen
loon. De werkgever moet het beroepsmatige karakter en de methode van terugbetaling kunnen aantonen.
Een forfaitaire representatievergoeding is slechts verdedigbaar wanneer zij overeenstemt met reële, gemiddeld
terugkerende kosten. Een overzicht van de onderliggende uitgaven en de berekeningsmethode is essentieel. Het algemene
thuiswerkforfait uit de administratieve circulaire is niet zonder meer toepasbaar op bedrijfsleiders.

BELANGRIJK ONDERSCHEID
Een voordeel van alle aard is belastbare bezoldiging. Een kost eigen aan de werkgever is een terugbetaling en vormt geen
bezoldiging, op voorwaarde dat de kost werkelijk ten laste van de werkgever komt en voldoende is onderbouwd. De benaming
op de loonfiche of in een overeenkomst is niet beslissend; de realiteit wel.



3. Zelfstandige zonder vennootschap

3.1 Basiskenmerken
De zelfstandige organiseert de activiteit in eigen naam en voor eigen rekening. Er is meer vrijheid in de organisatie van het
werk, maar ook meer eigen verantwoordelijkheid voor administratie, verzekeringen, voorafbetalingen en sociale
bescherming.
De beroepswinst wordt rechtstreeks belast in de personenbelasting. Beroepskosten worden eerst van de inkomsten
afgetrokken; vervolgens worden sociale bijdragen berekend en/of afgetrokken volgens de toepasselijke regels, waarna het
belastbare beroepsinkomen aan de progressieve tarieven wordt onderworpen.

3.2 Sociale bijdragen
De les vermeldt voor 2026 de volgende schijven, exclusief beheerskosten van het sociaal verzekeringsfonds:

Netto belastbaar
Tarief Cumulatieve bijdrage volgens de les
beroepsinkomen

€ 0 tot € 17.374,08 20,50% minimum € 3.561,68

€ 17.374,09 tot € 75.024,54 20,50% € 15.380,02

€ 75.024,55 tot € 110.562,42 14,16% € 20.412,18



FOB - Hoofdstuk 1 pag. 4

Inhoudsopgave

  1. 01 1. Het beslissingskader 1
    1. 1.1 Drie mogelijke statuten 1
    2. 1.2 Correcte vergelijkingsvolgorde 1
  2. 02 2. De werknemer als referentiepunt 2
    1. 2.1 Kenmerken en voordelen 2
    2. 2.2 Cijfervergelijking werknemer 2
    3. 2.3 Voordelen van alle aard bij werknemers 2
  3. 03 3. Zelfstandige zonder vennootschap 4
    1. 3.1 Basiskenmerken 4
    2. 3.2 Sociale bijdragen 4
    3. 3.3 Sociale bescherming 5
    4. 3.4 Cijfervergelijking zelfstandige 5
    5. 3.5 Beroepskosten: artikel 49 WIB 92 6
    6. 3.6 Startformaliteiten voor een zelfstandige 7
  4. 04 4. Werken via een managementvennootschap 7
    1. 4.1 Begrip 7
    2. 4.2 Voor- en nadelen 7
    3. 4.3 Cijfervergelijking managementvennootschap 8
    4. 4.4 Vergoedingsmix 9
  5. 05 5. Intermezzo: aftrek van voordelen van alle aard 9
    1. 5.1 Probleemstelling 9
    2. 5.2 Evolutie van rechtspraak en argumenten 9
    3. 5.3 Bezoldigingstheorie 10
    4. 5.4 Belangrijke arresten 10
    5. 5.5 Praktische dossieropbouw 10
    6. 5.6 Andere voordelen 11
  6. 06 6. Verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting 11
    1. 6.1 Basisregeling uit de les 11
    2. 6.2 Is een hogere bezoldiging altijd voordelig? 11
    3. 6.3 Wettelijke actualisering 2026 11
  7. 07 7. Dividenden en winstuitkering 12
    1. 7.1 Gewoon dividend 12
    2. 7.2 VVPRbis 12
    3. 7.3 Liquidatiereserve 12
    4. 7.4 Vergelijking volgens de les 12
    5. 7.5 Programmawet van 30 mei 2026 13
    6. 7.6 Vennootschapsrechtelijke uitkeringstesten in de BV 13
  8. 08 8. Verhuur en kostenvergoedingen aan de bedrijfsleider 13
    1. 8.1 Verhuur van een privéruimte aan de vennootschap 13
    2. 8.2 Herkwalificatie van huur in bezoldiging 14
    3. 8.3 Gemeubelde verhuur 14
    4. 8.4 Nutsvoorzieningen en fiscale behandeling 14
    5. 8.5 Dagvergoedingen en andere kosten eigen aan de vennootschap 14
  9. 09 9. Oprichting van een vennootschap 15
    1. 9.1 Voorbereiding 15
    2. 9.2 Inbreng in geld 15
  10. 10 10. Overgang van eenmanszaak naar vennootschap 15
    1. 10.1 Twee hoofdtechnieken 15
    2. 10.2 Verkoop en stopzettingsmeerwaarden 15
    3. 10.3 Inbreng in natura 16
    4. 10.4 Invloed van VVPRbis 16
  11. 11 11. Geïntegreerde examenspiekbrief 17
    1. 11.1 Statusvergelijking 17
    2. 11.2 Kernartikelen 17
    3. 11.3 Veelgemaakte fouten 17
    4. 11.4 Vast oplossingsschema voor casussen 19
  12. 12 1. Waarom een bezoldigingsbeleid? 20
    1. 1.1 Vennootschap als afzonderlijke persoon 20
    2. 1.2 Waarom alternatieve verloning? 20
    3. 1.3 Vast analyseschema 21
  13. 13 2. De gewone bezoldiging 21
    1. 2.1 Begrip bedrijfsleider - artikel 32 WIB 92 21
    2. 2.2 Werknemer tegenover bedrijfsleider 21
    3. 2.3 Belastingen en voorafbetalingen 21
    4. 2.4 Behandeling in de vennootschap 22
  14. 14 3. Verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting 22
    1. 3.1 Basis 22
    2. 3.2 Groottecriteria en consistentiebeginsel 22
    3. 3.3 Uitgesloten vennootschappen 23
    4. 3.4 Starters 23
  15. 15 4. Minimumbezoldiging voor het verlaagde tarief 23
    1. 4.1 Regel zoals behandeld in de les 23
    2. 4.2 Wetsontwerp zoals in de les 23
    3. 4.3 Welke bezoldigingen tellen mee? 24
    4. 4.4 Berekening bij lage winst 24
    5. 4.5 Heeft optrekken van het loon zin? 24
    6. 4.6 Bovenmatige VAA - 20%-regel uit het wetsontwerp 25
  16. 16 5. Het tantième en managementvergoedingen 25
    1. 5.1 Tantième 25
    2. 5.2 Managementfees en bewijs van prestaties 26
    3. 5.3 Btw 26
  17. 17 6. Kosten eigen aan de werkgever of vennootschap 26
    1. 6.1 Begrip 26
    2. 6.2 Twee vormen 27
    3. 6.3 Fiscale voordelen en btw 27
  18. 18 7. Dienstreizen en verplaatsingsvergoedingen 27
    1. 7.1 Buitenlandse dienstreizen 27
    2. 7.2 Binnenlandse dienstreizen 28
    3. 7.3 Eigen wagen, fiets en te voet 28
    4. 7.4 Vaste plaats van tewerkstelling en 40-dagenregel 28
  19. 19 8. Formaliteiten en rulings voor kosten eigen aan de werkgever 29
    1. 8.1 Gevolgen 29
    2. 8.2 Belangrijkste rulingvoorwaarden 29
    3. 8.3 Ficheplicht 29
    4. 8.4 Voorbeelden van forfaits uit rulings 30
    5. 8.5 Thuiswerkvergoeding 30
  20. 20 9. Voordelen van alle aard en bezoldigingstheorie 30
    1. 9.1 Omgekeerde van kosten eigen aan de werkgever 30
    2. 9.2 Basis van de bezoldigingstheorie 30
    3. 9.3 Cassatie 14 oktober 2016 31
    4. 9.4 Cassatie 21 juni 2019 - eigen economisch belang 31
    5. 9.5 Meerwaardetheorie 31
    6. 9.6 Belangrijkste rechtspraak bezoldigingstheorie 31
    7. 9.7 Praktische bewijschecklist 33
  21. 21 10. Aandelenopties 33
    1. 10.1 Begrip en belastbaarheid 33
    2. 10.2 Forfaitaire waardering 33
    3. 10.3 Gehalveerd tarief van 9% 33
  22. 22 11. Klassieke voordelen van alle aard 34
    1. 11.1 Bedrijfswagen 34
    2. 11.2 Onroerende goederen 34
    3. 11.3 Elektrische bedrijfswagen thuis opladen 34
    4. 11.4 Zonnepanelen en thuisbatterij 35
    5. 11.5 Pc, internet en telefonie 35
    6. 11.6 Renteloze of goedkope lening 35
    7. 11.7 Huispersoneel 35
  23. 23 12. Sociale voordelen 35
    1. 12.1 Begrip en asymmetrie 35
    2. 12.2 Aftrekbare sociale voordelen 36
    3. 12.3 Geschenken 36
    4. 12.4 Anciënniteitspremie 36
    5. 12.5 Maaltijdcheques 36
    6. 12.6 Sport-, cultuur- en ecocheques 37
  24. 24 13. Resultaatsgebonden voordelen en winstpremie 37
    1. 13.1 Cao 90-bonus 37
    2. 13.2 Winstpremie 37
    3. 13.3 Identieke winstpremie 37
    4. 13.4 Gecategoriseerde winstpremie 38
    5. 13.5 Investeringsspaarplan 38
    6. 13.6 Vergelijking 38
  25. 25 14. Geïntegreerde examenspiekbrief 38
    1. 14.1 Vier verloningsvormen 38
    2. 14.2 Kernartikelen 38
    3. 14.3 Autovalkuilen 39
    4. 14.4 Vast oplossingsschema 39
  26. 26 1. Rekening-courant: basisonderscheid 40
    1. 1.1 Creditstand tegenover debetstand 40
  27. 27 2. Creditstand rekening-courant 40
    1. 2.1 Rentegevend voorschot 40
    2. 2.2 Herkwalificatie van interest in dividend 41
  28. 28 3. Debetstand rekening-courant 42
    1. 3.1 Fiscale behandeling 42
    2. 3.2 Marktconforme tegenprestatie 42
    3. 3.3 Andere risico's 42
    4. 3.4 Wegwerken van een debetstand 43
  29. 29 4. Auteursrechten 43
    1. 4.1 Auteursrechtelijke basis 43
    2. 4.2 Regime vanaf 1 januari 2023 43
    3. 4.3 Kostenforfait en IT-sector volgens de les 44
  30. 30 5. Aanvullende pensioenen 44
    1. 5.1 Instrumenten en voordelen 44
    2. 5.2 Aftrekbaarheid en regelmatige bezoldiging 44
    3. 5.3 Logica van de 80%-regel 44
    4. 5.4 Hervormingen zoals behandeld in de les 45
    5. 5.5 Heffingen bij premie en uitkering 46
  31. 31 6. Dividend: basis en vennootschapsrecht 46
    1. 6.1 Begrip 46
    2. 6.2 Drie uitkeringsvormen 46
    3. 6.3 Nettoactieftest 46
    4. 6.4 Fiscale gevolgen 46
    5. 6.5 Wederopbouwreserve: enkel context 47
  32. 32 7. VVPRbis: examenkern 47
    1. 7.1 Doel en hoofdregel 47
    2. 7.2 Basisschema van de voorwaarden 47
    3. 7.3 Uitgesloten dividenden 47
    4. 7.4 Volstorting en WVV-probleem 47
    5. 7.5 Verbod op preferente aandelen 48
    6. 7.6 Ononderbroken volle eigendom 48
    7. 7.7 Tarief en wachttermijn 48
    8. 7.8 Aandachtspunten bij de bron van de inbreng 49
    9. 7.9 Gemengd kapitaal 49
    10. 7.10 Specifieke antimisbruikregels 49
    11. 7.11 VOF, CommV en impact van het WVV 49
  33. 33 8. Vergelijking van technieken 50
    1. 8.1 Interest, bezoldiging en dividend 50
  34. 34 9. Geïntegreerde examenspiekbrief 50
    1. 9.1 Kernartikelen 50
    2. 9.2 Automatische valkuilen 51
    3. 9.3 Vast oplossingsschema rekening-courant 51
    4. 9.4 Vast oplossingsschema VVPRbis 51
  35. 35 1. Liquidatiereserve 53
    1. 1.1 Herkomst en functie 53
    2. 1.2 Voorwaarden voor aanleg 53
    3. 1.3 Wachttermijn en roerende voorheffing 54
    4. 1.4 Onaantastbaarheid en tijdstip van uitkering 54
    5. 1.5 FIFO en gemengd aandeelhouderschap 54
    6. 1.6 Totale belastingdruk, voordelen en nadelen 55
  36. 36 2. Terugbetaling van kapitaal 55
    1. 2.1 Fiscale pro-rataregel 55
    2. 2.2 Reserves die niet in de breuk komen 56
    3. 2.3 Voorbeelden pro-rataopdeling 56
    4. 2.4 Vrijwillige aanrekening en VVPRbis 56
  37. 37 3. Verkrijging van eigen aandelen 57
    1. 3.1 Begrip en verkrijgingsbonus 57
    2. 3.2 Vier gebeurtenissen die de dividendfictie activeren 57
    3. 3.3 Verwerking bij de inkopende vennootschap 57
    4. 3.4 Roerende voorheffing en aandeelhouder 58
    5. 3.5 WVV-voorwaarden en fiscale 20%-fictie 58
  38. 38 4. Uitkeringstesten onder het WVV 59
    1. 4.1 Toepassingsgebied 59
    2. 4.2 Nettoactieftest 59
    3. 4.3 Liquiditeitstest 59
    4. 4.4 Sancties 60
  39. 39 5. Verkoop van goederen aan de vennootschap 60
    1. 5.1 Algemene voorwaarden en normale prijs 60
    2. 5.2 Quasi-inbreng en belangenconflict 60
    3. 5.3 Gevolgen voor de natuurlijke persoon 60
    4. 5.4 Btw-herziening en afschrijving in verkoopjaar 61
    5. 5.5 Roerende goederen en goodwill 61
    6. 5.6 Gevolgen voor de vennootschap 62
  40. 40 6. Verhuur aan de vennootschap 62
    1. 6.1 Algemene aandachtspunten 62
    2. 6.2 Verhuur van roerende goederen 62
    3. 6.3 Cliënteel en handelsfonds 63
    4. 6.4 Verhuur van onroerende goederen 63
    5. 6.5 Herkwalificatie van huur in bezoldiging 63
    6. 6.6 Belastbaar onroerend inkomen en gevolgen bij de vennootschap 63
  41. 41 7. Geïntegreerd examenschema 64
    1. 7.1 Keuze van de techniek 64
    2. 7.2 Stappenplan voor iedere casus 64
  42. 42 DEEL I - KAPITAALVERMINDERING 65
  43. 43 1. Fiscaal kapitaal na de hervorming van het vennootschapsrecht 65
    1. 1.1 Vennootschapsrechtelijk en fiscaal kapitaal 65
    2. 1.2 Artikel 184 WIB 92 65
    3. 1.3 Inbreng van aandelen en de antistep-upregel 66
  44. 44 2. De fiscale pro-rataregel bij een kapitaalvermindering 66
    1. 2.1 Basisbeginsel 66
    2. 2.2 Referentietijdstip 66
    3. 2.3 Reserves buiten de breuk 66
    4. 2.4 Wettelijke aanrekeningsvolgorde 67
    5. 2.5 Vrijwillige aanrekening 67
    6. 2.6 Behoud van fiscaal kapitaal en vermijden van dubbele belasting 67
  45. 45 3. Financiering, aandeelhouder en antimisbruik 67
    1. 3.1 Financieringsinteresten 67
    2. 3.2 Gevolgen bij de aandeelhouder 68
    3. 3.3 Algemene antimisbruikbepaling 68
  46. 46 DEEL II - ONTBINDING EN VEREFFENING 68
  47. 47 4. Vennootschapsrechtelijk verloop 68
    1. 4.1 Drie vormen van ontbinding 68
    2. 4.2 Voorbereiding van een vrijwillige ontbinding 69
    3. 4.3 Gevolgen op de ontbindingsdatum 69
    4. 4.4 Vereffenaar en vereffeningsperiode 69
    5. 4.5 Sluiting van de vereffening 69
    6. 4.6 Ontbinding en sluiting in één akte 70
  48. 48 5. Boekhouding in discontinuïteit 70
    1. 5.1 Aangepaste waarderingsregels 70
    2. 5.2 Voorschotten op de verdeling 70
  49. 49 6. Vennootschapsbelasting tijdens de vereffening 70
    1. 6.1 Gewone onderwerping blijft bestaan 70
    2. 6.2 Ontbinding en uitgestelde belasting 71
    3. 6.3 Praktische planning rond het afsluiten van het boekjaar 71
  50. 50 7. Liquidatiebonus volgens artikel 209 WIB 92 71
    1. 7.1 Begrip 71
    2. 7.2 Toerekeningsvolgorde 71
    3. 7.3 Roerende voorheffing 72
  51. 51 8. Kernvoorbeelden vereffening 72
    1. 8.1 Basisvoorbeeld met belaste reserves 72
    2. 8.2 In kapitaal geïncorporeerde reserves 72
    3. 8.3 Vrijgestelde reserve 72
    4. 8.4 Verkoop van een actief 73
  52. 52 9. De aandeelhouder bij vereffening 73
    1. 9.1 Natuurlijke persoon 73
    2. 9.2 Aandeelhouder-vennootschap 73
  53. 53 DEEL III - FUSIE EN SPLITSING 74
  54. 54 10. Basisbegrippen en fiscale nettowaarde 74
    1. 10.1 Balanswaarde, eigen vermogen en vennootschapswaarde 74
  55. 55 11. Hoofdregel en belastingneutraliteit 74
    1. 11.1 Belastbare hoofdregel 74
    2. 11.2 Voorwaarden voor artikel 211 WIB 92 74
    3. 11.3 Zakelijke overwegingen en bewijslast 75
  56. 56 12. Fiscale continuïteit en retroactiviteit 75
    1. 12.1 Continuïteitsbeginsel 75
    2. 12.2 Retroactieve boekhoudkundige werking 75
  57. 57 13. Fusie 75
    1. 13.1 Boekhoudkundige verwerking 75
    2. 13.2 Moeder-dochterfusie 75
  58. 58 14. Volledige en partiële splitsing 76
    1. 14.1 Vrije toewijzing van activa en schulden 76
    2. 14.2 Verdeling van het eigen vermogen volgens FNW 76
    3. 14.3 Basisvoorbeeld splitsing 76
    4. 14.4 Partiële splitsing 76
  59. 59 15. Aandeelhouder en bijzondere fiscale attributen 77
    1. 15.1 Aandelenruil bij de aandeelhouder 77
    2. 15.2 Overgedragen verliezen 77
    3. 15.3 Houdperiode voor DBI en RV 77
    4. 15.4 Registratierechten 77
  60. 60 DEEL IV - VERKRIJGING VAN EIGEN AANDELEN 77
  61. 61 16. Begrip en doeleinden 77
  62. 62 17. Verkrijgingsbonus en tijdstip van belasting 78
    1. 17.1 Verkrijgingsbonus 78
    2. 17.2 Naleving van het WVV 78
    3. 17.3 Gebeurtenissen die de uitgestelde fictie activeren 78
  63. 63 18. Kernvoorbeeld eigen aandelen 78
    1. 18.1 Aandeelhouder 79
  64. 64 19. Geïntegreerd oplossingsschema voor het examen 79
    1. 19.1 Analyse bij de vennootschap 79
    2. 19.2 Analyse bij de aandeelhouder 79
    3. 19.3 Waardebegrippen die niet mogen worden verward 79
    4. 19.4 Snelle vergelijking van de vier verrichtingen 80
  65. 65 1. Begrip en functie van een holding 81
    1. 1.1 Geen afzonderlijke rechtsvorm 81
    2. 1.2 Actieve en passieve holding 81
    3. 1.3 Zakelijke beweegredenen 81
  66. 66 2. Een holding oprichten 82
    1. 2.1 Inbreng van aandelen 82
    2. 2.2 Verkoop van aandelen aan de holding 82
    3. 2.3 Overtollige liquiditeiten 82
  67. 67 3. De holding als btw-belastingplichtige 83
    1. 3.1 Economische activiteit als toegangspoort 83
    2. 3.2 Voorbereidende handelingen en mislukte overname 83
    3. 3.3 Rechtstreeks en onmiddellijk verband 83
    4. 3.4 Bestuurders-rechtspersonen 84
  68. 68 4. Btw-eenheid 84
    1. 4.1 Gevolgen 84
    2. 4.2 Drie verbondenheidsvoorwaarden 84
    3. 4.3 Optie en verplichte opname 84
  69. 69 5. Management fees 85
    1. 5.1 Aftrekvoorwaarden 85
    2. 5.2 Bewijs: substance over form 85
  70. 70 6. Kan een holding een kleine vennootschap zijn? 85
    1. 6.1 Artikel 1:24 WVV 85
    2. 6.2 Fiscaal versus vennootschapsrechtelijk 86
    3. 6.3 Volwaardige consolidatie of geaggregeerde methode 86
    4. 6.4 Consistentiebeginsel en wijziging van verbondenheid 86
    5. 6.5 Fiscale voordelen en verlaagd tarief 86
  71. 71 7. Dividend en liquidatiereserve in een holdingstructuur 87
    1. 7.1 Basisvoorwaarden 87
    2. 7.2 Gemengd aandeelhouderschap 87
    3. 7.3 Rekenlogica bij twee aandeelhouders 87
    4. 7.4 Wanneer niet aanleggen? 87
  72. 72 8. Vlaamse gunstregeling voor familiale vennootschappen 88
    1. 8.1 Voorwerp en tarieven 88
    2. 8.2 Participatievoorwaarde 88
    3. 8.3 Activiteitsvoorwaarde 88
    4. 8.4 Actieve en passieve holding 88
    5. 8.5 Behoudsvoorwaarden en lesregeling vanaf 2026 89
  73. 73 9. Bezoldigingstheorie binnen de holding 89
    1. 9.1 Artikel 49 WIB 92 89
    2. 9.2 Evolutie in de rechtspraak 89
    3. 9.3 Praktisch bewijsdossier 90
  74. 74 10. Moeder-dochterrichtlijn en DBI 90
    1. 10.1 Vrijstelling van roerende voorheffing 90
    2. 10.2 Doel van de DBI-aftrek 90
    3. 10.3 Vier hoofdvoorwaarden 90
  75. 75 11. Meer- en minderwaarden op aandelen bij de holding 91
    1. 11.1 Vrijgestelde meerwaarde 91
    2. 11.2 Minderwaarden 91
  76. 76 12. Kosten en financiering met betrekking tot aandelen 91
    1. 12.1 Beheerskosten 91
    2. 12.2 Lening voor dividend of kapitaalvermindering 91
  77. 77 13. Thin-capregel 92
    1. 13.1 Doel en toepassingsgebied 92
  78. 78 14. EBITDA-interestaftrekbeperking 92
    1. 14.1 Basisregel 92
    2. 14.2 Uitzonderingen 92
    3. 14.3 Belgische groep 93
  79. 79 15. Groepsbijdrage 93
    1. 15.1 Doel 93
    2. 15.2 Verbondenheidsvoorwaarden 93
    3. 15.3 Overeenkomst en vergoeding 93
    4. 15.4 Bedrag en excedent 93
  80. 80 16. Kapitaalvermindering en passieve holdings 94
    1. 16.1 Vier stappen van de historische techniek 94
    2. 16.2 Antimisbruik bij dividendstromen 94
  81. 81 17. Aandeelhoudersmeerwaardebelasting zoals behandeld in de les 94
    1. 17.1 Status en toepassingsgebied 94
    2. 17.2 Tariefcategorieën 95
    3. 17.3 Belastbare basis 95
  82. 82 18. Geïntegreerd oplossingsschema voor een holdingcasus 95
    1. 18.1 Structuur en activiteit 95
    2. 18.2 Belastingen per stroom 95
    3. 18.3 Finale examencheck 96
  83. 83 1. Financiering en financieel evenwicht 97
    1. 1.1 Eigen en vreemd vermogen 97
    2. 1.2 Netto-bedrijfskapitaal 97
  84. 84 2. Kapitaal en fiscaal gestort kapitaal 98
    1. 2.1 Fiscaal kapitaalbegrip 98
    2. 2.2 Uitgiftepremies en andere onderschreven bedragen 98
  85. 85 3. Taxshelter voor startende ondernemingen 98
    1. 3.1 Doel en toepassingsgebied 98
    2. 3.2 Voorwaarden voor de vennootschap 98
    3. 3.3 Inbreng en investeerder 99
    4. 3.4 Plafonds, voordeel en bezitsduur 99
  86. 86 4. Taxshelter voor groeibedrijven 99
  87. 87 5. Historische taxshelter Covid-19 100
  88. 88 6. Kapitaalverhoging en kapitaalvermindering 100
    1. 6.1 Kapitaalverhoging: oorsprong blijft behouden 100
    2. 6.2 Kapitaalvermindering 100
  89. 89 7. Herwaarderingsmeerwaarden 101
    1. 7.1 Boekhoudkundige verwerking 101
    2. 7.2 Fiscale behandeling 101
  90. 90 8. Reserves 101
    1. 8.1 Wettelijke reserve 101
    2. 8.2 Onbeschikbare en beschikbare reserves 102
    3. 8.3 Belastingvrije reserves 102
  91. 91 9. Overgedragen winst en fiscale verliezen 102
    1. 9.1 Minimumwinst en fiscale korf 102
  92. 92 10. Kapitaalsubsidies 103
    1. 10.1 Boekhoudkundige verwerking 103
    2. 10.2 Fiscale verwerking 103
  93. 93 11. Rekening-courant 103
    1. 11.1 Begrip en standen 103
    2. 11.2 Creditstand: rentegevend voorschot 104
    3. 11.3 Debetstand: lening door de vennootschap 104
    4. 11.4 Wegwerken van een debetstand 105
  94. 94 12. Thin cap 105
    1. 12.1 Doel en toepassingsvoorwaarden 105
    2. 12.2 Cashpooling 105
  95. 95 13. EBITDA-interestaftrekbeperking 105
    1. 13.1 Basisregel 105
    2. 13.2 Uitsluitingen en uitzonderingen 106
    3. 13.3 Belgische groepen 106
    4. 13.4 Samenloop met thin cap 106
  96. 96 14. Winwinlening en vriendenaandeel 106
    1. 14.1 Winwinlening 106
    2. 14.2 Vriendenaandeel 107
  97. 97 15. Geïntegreerd examenschema 107
    1. 15.1 Finale vergelijking 108
  98. 98 1. Internationale expansie: drie situaties 109
  99. 99 2. Activiteiten binnen dezelfde vennootschap 109
    1. 2.1 Kenmerken en risico's 109
  100. 100 3. Heffingsbevoegdheid: intern recht en verdrag 110
    1. 3.1 Risico op dubbele belasting 110
    2. 3.2 Vast driestappenschema 110
  101. 101 4. Artikel 5 OESO-modelverdrag: materiële vaste inrichting 110
    1. 4.1 Algemene definitie 110
    2. 4.2 Typische materiële inrichtingen 110
    3. 4.3 Bouw- en constructiewerkzaamheden 111
    4. 4.4 Bijzonder geval: thuiskantoor 111
  102. 102 5. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten 111
    1. 5.1 Uitzondering van artikel 5, § 4 111
    2. 5.2 Antifragmentatieregel 111
  103. 103 6. Personele vaste inrichting 112
    1. 6.1 Afhankelijke vertegenwoordiger 112
    2. 6.2 Substance over form bij contractsluiting 112
    3. 6.3 Onafhankelijke agent 112
    4. 6.4 Nauw gerelateerde ondernemingen 112
  104. 104 7. BEPS, MLI en bijzondere vormen 112
    1. 7.1 Multilateraal Instrument 112
    2. 7.2 Digitale economie 113
    3. 7.3 Dienstenvaste inrichting 113
  105. 105 8. Dwingende volgorde van de vaste-inrichtingsanalyse 113
    1. 8.1 Voorbeeld: vertegenwoordiger in Nederland 113
    2. 8.2 Voorbeeld: technisch personeel en wisselstukken 114
  106. 106 9. Artikel 7: winsttoerekening aan de vaste inrichting 114
    1. 9.1 Economische zelfstandigheidsfictie 114
    2. 9.2 Correcties en onderling overleg 114
  107. 107 10. Winst, verlies en aangifte bij hoofdhuis en VI 114
    1. 10.1 Positief resultaat 114
    2. 10.2 Verliezen 114
    3. 10.3 Cashrepatriëring 115
  108. 108 11. Btw bij hoofdhuis en vaste inrichting 115
    1. 11.1 Ander begrip dan voor inkomstenbelastingen 115
    2. 11.2 Handelingen tussen hoofd- en bijhuis 115
  109. 109 12. Internationale mobiliteit van werknemers 115
    1. 12.1 Arbeidsrecht 115
    2. 12.2 Sociale zekerheid 116
    3. 12.3 Personenbelasting: artikel 15 116
    4. 12.4 Ingekomen belastingplichtigen en onderzoekers 116
    5. 12.5 Gecombineerde voorbeelden 117
  110. 110 13. Internationale activiteiten via een dochtervennootschap 117
    1. 13.1 Juridische en fiscale positie 117
    2. 13.2 Transfer pricing 117
    3. 13.3 BEPS-documentatie 117
    4. 13.4 Belgische fiscale aanknopingspunten en bewijs 118
  111. 111 14. Management, cash, btw en werknemers bij een dochter 118
    1. 14.1 Managementdiensten en bestuursmandaat 118
    2. 14.2 Cashrepatriëring 118
    3. 14.3 Btw 119
    4. 14.4 Werknemers 119
  112. 112 15. Dochter tegenover vaste inrichting 119
  113. 113 16. Expliciete examentip en voorbeeldvraag 119
    1. 16.1 Verwachte antwoordstijl 119
    2. 16.2 Modelanalyse van de aangekondigde casus 120
  114. 114 17. Korte maar volledige hoofdstuksamenvatting 120
  115. 115 1. Mogelijke redenen voor een overdracht 121
  116. 116 2. Het overdrachtsproces in zes stappen 121
  117. 117 3. Voorbereiding van de onderneming 122
    1. 3.1 Financiële en organisatorische voorbereiding 122
    2. 3.2 Juridische voorbereiding 122
    3. 3.3 Fiscale voorbereiding 122
    4. 3.4 De vennootschap afslanken 122
  118. 118 4. Voorafgaande onderhandelingen 123
    1. 4.1 Financiële krijtlijnen 123
    2. 4.2 Juridische documenten 123
  119. 119 5. Due diligence 123
    1. 5.1 Doel 123
    2. 5.2 Financiële en juridische due diligence 123
    3. 5.3 Fiscale due diligence 124
  120. 120 6. Asset deal en share deal: basisonderscheid 124
    1. 6.1 Het beeld van de doos 124
    2. 6.2 Wie verkoopt en waar komt de cash? 124
    3. 6.3 Gevolgen voor de koper 124
  121. 121 7. Juridische en bedrijfseconomische vergelijking 125
  122. 122 8. Indirecte belastingen en supercrediteuren 125
    1. 8.1 Btw en registratierechten 125
    2. 8.2 Bescherming van fiscale en sociale schuldeisers 125
  123. 123 9. Inkomstenbelasting bij een asset deal 126
    1. 9.1 Personenbelasting: algemene regel 126
    2. 9.2 Stopzettingsmeerwaarden 126
    3. 9.3 Vennootschapsbelasting 126
  124. 124 10. Inkomstenbelasting bij een share deal 126
    1. 10.1 Natuurlijke persoon: regime tot en met 2025 126
    2. 10.2 Natuurlijke persoon: regels vanaf 2026 volgens de les 127
    3. 10.3 Historische meerwaarden 127
    4. 10.4 Verkoper-vennootschap 127
    5. 10.5 Koper en fiscale verliezen van target 127
  125. 125 11. Financiering en financial assistance 128
  126. 126 12. Overeenkomst, signing en closing 128
    1. 12.1 Asset deal 128
    2. 12.2 Share deal 128
    3. 12.3 Na closing 129
  127. 127 13. Excess cash 129
    1. 13.1 Structuur 129
    2. 13.2 Misbruikrisico 129
  128. 128 14. Debt pushdown 129
    1. 14.1 Mechanisme 129
    2. 14.2 Fiscaal risico 130
  129. 129 15. Herstructurering gevolgd door share deal 130
  130. 130 16. Postacquisitiefusie 130
  131. 131 17. Geïntegreerde lescasus 131
    1. 17.1 Beginsituatie 131
    2. 17.2 Scenario vereffening 131
    3. 17.3 Uitkoop van een aandeelhouder van 25% 131
    4. 17.4 Asset deal 131
    5. 17.5 Share deal 131
  132. 132 18. Expliciete examentip en voorbeeldvraag 132
    1. 18.1 Verwachte aanpak 132
    2. 18.2 Casus Karel en Johan 132
  133. 133 19. Korte maar volledige hoofdstuksamenvatting 133

Documentinformatie

Geüpload op
10 augustus 2026
Aantal pagina's
133
Geschreven in
2026/2027
Type
Samenvatting
€29,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
MariePeeters02
3,7
(3)
Verkocht
31
Volgers
1
Items
10
Laatst verkocht
2 weken geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen