1. introductie v management en organisatie
1.1 inleiding
veel faillissementen
praktische reden voor faillissement: online (concurrentie), inflatie, stijging
kosten (elektriciteit, gas, … < oorlog) --> bedrijven geen reserve door
corona
bedrijfsvoering: niet meegaan met tijd, imago --> je moet goedkoper/
anders zijn (hs2)
hoe kan het dat de ene manager succes heeft en de andere niet?
- bekwame manager in slechte markt: personeelsproblemen, pech
- onbekwame manager in goede markt: sterk personeel, …
1.3 organisatiekunde
= de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van gedrag van en in
organisaties/bedrijven en de wijze waarop organisaties/bedrijven bestuurd
kunnen worden.
1.3.1 management, organiseren en manager
- management (proces) = het optimaal doen samenwerken v mensen en
middelen om een bepaald doel te bereiken
- organiseren = het optimaal laten samenwerken v mensen en middelen om
een bepaald doel te bereiken
- manager = persoon die sturing geeft aan processen, mensen en middelen
om een bepaald doel te bereiken
1.3.2 organisaties, bedrijven en ondernemingen
organisatie = een samenwerkingsverband v mensen die bepaalde doelen willen
bereiken
II ontstaat uit het feit dat het organisatiedoel beter bereikt w wanneer
meerdere mensen met elkaar samenwerken dan wanneer individuen het
proberen
transactiekosten onder controle houden:
- alles wat wij als individu nodig hebben= lage transactiekosten
vb. honger --> winkel (weinig opzoekwerk, …)
- bedrijven: als individu in die context = hoge transactiekosten:
zoek & informatiekosten, contract & onderhandelingskosten, controle &
nalevingskosten
1
, samenwerken = minder (onder)zoeken = binnen bedrijf transactiekosten
minimaliseren
--> vb. : studentenvereniging, greenpeace
--> maakt nuttige goederen =
maatschappij heeft behoefte aan de
producten/ diensten
vb.: ziekenhuis, museum
--> winst is het belangrijkste
vb. : apple
profitorganisatie x non-profitorganisatie
profit = gericht op winst, de winstdoelstelling is een voorwaarde voor de
continuïteit
--> toename v ondernemingen die bewust zijn v maatschappelijke
positie/
verantwoordelijkheid = not-for-profit-only-organisaties
non-profit = gericht op maatschappelijke doelen (kunst, educatie, politiek,
onderzoek of ontwikkelingshulp)
--> wel betalen voor diensten: ook inkomen nodig (subsidies,
fondsen,
contributies)
maatschappelijk verantwoord ondernemen
sociale onderneming = combineert aspecten v profit en non-profit organisatie
hoofdactiviteit: productie v goederen/ diensten
doelstelling: dienstverlening aan het publiek/ maatschappij ≠ winst
geen inmenging vd overheid of een derde privé-organisatie = neutraal
financiering:
1. ontkoppeld: financiële zelfstandigheid via alternatieve kanalen
≠ subsidies/ donaties v ovh
2. semi-geïntegreerd: klanten ≠ begunstigden, maar wel dezelfde activiteit
vb.: rijke mensen meer laten betalen, met dat extra geld ook arme
mensen de activiteit verlenen
3. geïntegreerd: klanten = begunstigden (uitdagend, zeldzaam)
2
, vb.: toms shoes = semi-geïntegreerd
elke schoen in een ontwikkeld land verkocht --> schoen gegeven aan een
minder ontwikkeld land + vrijwilligers die de schoenen verdelen in die
armoedslanden
“corporate social responsability”
= alle bedrijven moeten inzetten op samenwerking vd 3p’s
grootste uitdaging mvo = troebelheid (opacity):
moeilijk om de effectieve impact v activiteiten binnen 3p’s te beoordelen
planet: duurzaamheid (sustainability)
= “een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie,
zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere
delen van de wereld, in gevaar te brengen” (def. uit 1987)
greenwashing
= troebelheid vd impact van duurzaamheidsinitiatieven --> groen-gerelateerde
marketing zonder bewezen onderbouwing
bewuste vaagheid
leugens
onmogelijke controle
focus op bijzaken, vb. shell (olie dumpen geen probleem, maar
bedrijfswagens elektrisch)
bewust verbergen v belangrijke details/ context
vb.: kartonnen bekers bevatten pe-coating aan binnenkant
--> veel microplastics in warme drank
--> vergaan niet in natuur
--> geen recyclage mogelijk
3
, groene bedrijfsvoering: orsato (2006) model
= manier waarop je geld verdient, onderverdeeld in 4 kwadranten
--> kostenbesparend
--> duur = doorrekenen aan klanten
eco-efficiëntie = focus op lage kosten binnen de processen ve bedrijf,
vooral gericht op vermindering v grondstoffengebruik
• waterbesparing
• minder afval duurzaamheid inzetten om kosten te
• daling anergieverbruik besparen, maar duurzame impact is
“bijzaak”
kostenleiderschap in duurzaamheid = focus op goedkoopste duurzame
producten aanbieden
• duurzaamheid betaalbaar maken (zeldzaam)
• beperkte marketing voor exacte duurzaamheidsaspecten
(goedkoopste blijven)
eco-branding = onderscheiden v concurrenten door de duurzaamste te zijn
(producten)
• duur
• uitgebreide marketing: “fanfare en buzzwords”
• belangrijk: klanten v nodige info te voorzien = geloofwaardigheid (=
credibility)
certificerings leiderschap = onderscheiden v concurrenten door optionele
duurzaamheidscertificaten, duurzamer bedrijf dan concurrentie
• gericht op bedrijven, niet op producten
• labels zelf vaak twijfelachtig (opacity)
vb. etap = eco-efficiëntie: sluiten v 2 productiehallen = kostenbesparing
vb. fritz kola = geen duurzaam product, maar wel duurzaam bedrijf:
rapport, bevraging aan klanten, inzetten op glazen flesjes (troebelheid:
hoeveel kost het om de flesjes te wassen en recycleren)
4