11.0 Begrippen
1. Agglutinatie
a. Samenklontering van rode bloedcellen door samenkomen van antistoffen,
relevant bij bloedgroepen, transfusies en sommige auto-immuunziekten
2. Albumine
a. Een plasma-eiwit die belangrijke bijdrage levert aan de osmotische druk van
het bloedplasma
3. Anemie
a. Tekort aan hematocriet en/of hemoglobine waardoor zuurstoftransport
verminderd
4. Arteriële punctie
a. Afname van bloed uit een slagader (a. radialis of a. brachialis) of vooral
bloedgassen en ph te meten
5. Bilirubine
a. Geel afbraakproduct van haemgroep uit hemoglobine, verwerkt door de lever
en uitgescheiden via gal.
b. Omzetting van biliverdine
6. Bilverdine
a. Groen afbraakproduct van haemgroep van hemoglobine, komt bv. voor bij
blauwe plekken
b. Wordt omgezet naar bilirubine
7. Bloedgroep
a. Indeling van bloed op basis van antigenen op rode bloedcellen
b. Belangrijk voor bloedtransfusies
8. Compatibel
a. Bij elkaar aansluitend, 2 bloedgroepen zijn compatibel als er geen antistof-
antigeenreactie ontstaat bij transfusie
9. Erytroblast
a. Onrijpe rode bloedcel
b. Maakt actief hemoglobine aan
c. Gevormd van hemocytoblast
10. Erytropoëse
a. De vorming van rode bloedcellen
,11. Fibrine en fibrinogeen
a. Fibrinogeen is oplosbaar plasma-eiwit; bij stolling wordt het omgezet in
fibrine dat een stolselnet vormt
12. Globulinen
a. Antistoffen en transporteiwitten, 35% van het plasma eiwit
13. Haem
a. Onderdeel van hemoglobine, bevat ijzerion waarop zuurstof kan binden
14. Hematrocriet
a. Percentage van het bloedvolume dat uit rode bloedcellen bestaat
15. Hemocytoblast
a. Stamcel die bloedcellen vormt, alle type bloedcellen
16. Hemoglobine
a. Eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof (en deels CO2) bindt en vervoert
17. Hemolyse
a. Afbraak van rode bloedcellen
18. Hypoxie
a. Lage zuurstofconcentratie in de weefsels
19. Kruisreactie
a. Reactie van de antistoffen in het bloed als deze in contact komen met de
antigenen van een andere bloedgroep
20. Myeloïde stamcellen
a. Stamcellen vanuit hemocytoblasten die differentiëren naar neurofielen,
basofielen, eosinofielen, monocyten bloedplaatjes en erytrocyten
21. Resusnegatief en resuspositief
a. Rh-positief heeft het D-antigeen op rode bloedcellen; Rh-negatief niet.
Relevant bij zwangerschap en transfusie.
22. Reticulocyt
a. Bijna rijpe bloedcel, verplaatst zich na 2 a 3 dagen van het beenmerg naar het
bloed als mature rode bloedcel
23. Serum
a. Vloeistof die overblijft nadat stollingseiwitten verwijderd zijn van het plasma
,11.1 Functies en eigenschappen
• Hoofddoel = intern transportmiddel
• Cardiovasculair systeem bestaat uit
o Hart (de motor)
o Arteriën en venen (de buizen)
o Bloed (transportmiddel)
• 5 functies
o Transport van nuttige stoffen (gassen, voedingstoffen, hormonen) en
afvalstoffen
o Stabilisering van pH en ionensamenstelling van de interstitiële vloeistof
o Beperking van vloeistofverlies bij verwonding
o Verdedigen tegen gifstoffen en ziekteverwekkers
o Stabiliseren van de lichaamstemperatuur
, Soorten bloedafnames
• Arterieel bloed
o Afkomstig uit een arterie, meestal a. radialis of a. brachialis
o Zuurstofrijk bloed, kleur bloed = helderrood (transport van O2)
o Voelt rond aan, is elastisch en pulseert
o Waar
▪ Op intensieve zorgen: via een continue arteriële lijn
▪ Op standaard afdeling: door arts of gespecialiseerde verpleegkundige
geprikt
o Waarom
▪ Nagaan O2, CO2, Ph
▪ Nagaan wat de zuurstofconcentratie is bij de patiënt
• Veneus bloed
o Afkomstig uit een vene
o Zuurstofarm bloed, kleur bloed = donker rood (transport van CO2)
o Voelt rond aan, is elastisch en pulseert niet
o Waar
▪ Elleboogplooi: v. mediana cubiti
▪ Onderarm
▪ Handrug
o Waarom
▪ Alle soorten van bloedonderzoek
o Gelijkenis met arterieel bloed
▪ Temperatuur en verdeling van ionen
o Verschil met arterieel bloed
▪ Concentratie O2 en CO2
• Capillair bloed
o Capillair Is onzichtbaar
o Waar
▪ Vingertop
▪ Oorlel
▪ Hiel – pasgeborene
o Wanneer
▪ Kleien hoeveelheid bloed nodig
▪ Kan direct onderzocht worden
o Meest gebruikt bij glucosebepaling
• Een pees is rond, hard en pulseert niet. Hier zit geen bloed in!