Inhoudsopgave
Module 17...................................................................................................... 1
Leerpad D: Farmacologie en borstvoeding.....................................................................1
Basiselementen en kenmerken:..................................................................................1
Therapie per GM-klasse:..............................................................................................5
Risico’s:..................................................................................................................... 12
Praktische aanbevelingen en conclusie:....................................................................12
Leerpad D: Contraceptie:.............................................................................................. 14
Leerpad D: Farmacologie en borstvoeding
Basiselementen en kenmerken:
Balans tussen:
risico op ongewenste effecten op zuigeling
EN
voordeel borstvoeding kind en moeder
Risico op OE bij zuigeling is afhankelijk van:
1. De hoeveelheid van het geneesmiddel die bij het kind
terechtkomt
- Hoeveelheid melk die het kind drinkt: gemiddeld 150 ml/kg/dag
- Concentratie geneesmiddel in moedermelk wordt bepaald door
zowel maternele plasmaconcentratie (FK-moeder) als de
passage naar de melk (chemische eigenschappen GM)
- Farmacokinetiek bij de moeder maternele plasmaconcentratie
o Toedieningsvorm en dosering: per os, parenteraal,
transdermaal, inhalatie; meestal rechtevenredig
o Biologische beschikbaarheid
BB = Maat voor hoeveelheid van een geneesmiddel
dat na toediening uiteindelijk onveranderd de
bloedbaan bereikt en de snelheid waarmee dit
gebeurt
o Halfwaardetijd
tijd waarin de maximale plasmaconcentratie tot de
helft gedaald is
Na 5 maal halfwaardetijd is 97% van geneesmiddel in
het plasma verdwenen parameter om BV pauze te
bepalen
o Distributie
= verdeling van stoffen over het lichaam
Bepalend voor de concentratie in de moedermelk;
énkel wat zich ongebonden in het plasma
bevindt, kan naar de melk overgaan!
- Hoe van plasma naar MM?
1
, o Grotendeels diffusie door concentratiegradiënt
Evenwicht tussen concentratie plasma en
moedermelk
De maternale plasmaconcentratie is dus bepalend
voor de mate van opname in de melk
o Maar ook via: carriers, actief transport,
(omgekeerde)pinocytose
- Chemische eigenschappen van het GM:
o Moleculairgewicht
Grote moleculen (> 800 dalton) passeren niet door de
celmembranen: bv heparine en insuline, mAbs
Kleine moleculen passeren vlot: EtOH, caffeïne,
nicotine
o Eiwitbinding
Indien een geneesmiddel sterk aan plasma-eiwit
(albumine 69 000Da) is gebonden (dus als de vrije
(ongebonden) fractie klein is), zal de uitscheiding in
de moedermelk laag zijn
alleen de ongebonden fractie van een
geneesmiddel kan in de moedermelk worden
uitgescheiden!
Hoge eiwitbinding: ibuprofen, warfarine, sertraline
Lage eiwitbinding: venlafaxine
o Zuurconstante pKa
De pKa geeft aan vanaf welke pH een stof een H+
opneemt of juist afgeeft: het bepaalt dus of een stof
een zuur of een base
De melk is lichtjes zuur (pH 6,6 à 7,3) in vergelijking
met plasma (pH 7,4)
Afhankelijk van of GM een zuur/base is en van de pKa
van het GM zal het goed/minder goed kunnen
diffunderen van plasma melk
GM dat geladen is (+ of -) zal moeilijker diffunderen
Zwak basische middelen raken geïoniseerd in de melk
en kunnen daardoor niet terug diffunderen naar het
plasma (oxycodone, codeïne): ion trapping
o Vetoplosbaarheid
Moedermelk bevat iets meer vet dan plasma
vetoplosbare geneesmiddelen (bv citalopram)
komen gemakkelijker in de moedermelk terecht dan
hydrofiele geneesmiddelen
Epitheellaag borst bestaat grotendeels uit lipiden
Parameters om melkovergang te bepalen:
M/P : concentratie GM in melk/ concentratie GM in plasma moeder
- Stel M/P > 1 : GM gaat sterk over naar de melk
- Nadelen:
o M/P varieert in de tijd
2