THEMA 2 & 3
Wat is gedrag? Gedrag is een geheel van alle bewuste en onbewuste
handelingen, (re)acties van een mens zowel zichtbaar als innerlijk. Het is
een reactie op prikkels uit de omgeving of interne motivatie, vaak
functionerend als communicatie.
Het huidige gedrag helder in kaart brengen:
1. Bepalen welk gedrag een negatief effect heeft op het
gezondheidsprobleem
o Soms helder: vb. roken
o Soms niet helder genoeg: vb. ongezond eten
o Soms gedrag onduidelijk: vb. mentaal welzijn
2. Welk gedrag beïnvloedt omgevingsfactoren?
o Stoken met hout
o Slecht ventileren
o Te veel nemen van de
wagen
3. Het risicogedrag gaan
verklaren met behulp van
het gedragswiel
o Context
o Competenties
o Drijfveren
,Het gedragswiel
1. Competenties = de kennis en vaardigheden (fysiek en psychisch) die
ervoor zorgen dat je in staat bent om een bepaald (gezond) gedrag te
stellen
Psycho-sociaal Lichamelijk
- Kennis - Fitheidcomponenten
- Functionele vaardigheden - Motorische en technische
- Kritische vaardigheden vaardigheden
- Interactieve vaardigheden
- Gedragsregulatie
- Coping vaardigheden
2. Drijfveren = de reflectieve motieven en automatische processen die een
bepaald (gezond / ongezond) gedrag activeren en richting geven
Reflectief Automatisch
- Eigen-effectiviteit - Behoeften en verlangens
- Attitudes - Gewoonten
- Uitkomstverwachting
- Risicoperceptie
- Sociale rol en identiteit
- Doelen en intenties
3. Context = de fysieke, sociaal-culturele, economische en politieke aspecten
van de omgeving die het gewenste gedrag mogelijk maken, ondersteunen
en/of stimuleren.
Sociaal – cultureel economisch
- Sociale normen - Betaalbaarheid van producten
- Sociale invloeden : steun of en diensten
druk - Marketing van producten en
- Culturele invloeden diensten
Politiek Fysiek
- Regels, wetten en - Aanbod
aanbevelingen - Indeling en inrichting
- Politieke ideologieën
Gedragsmodellen
Health belief model (Janz & Becker)
De beslissing van mensen om gezondheidsgedrag te stellen is gebaseerd
op 4 psychologische kenmerken.
1. Hoe kwetsbaar of vatbaar ze zich voelen voor het gezondheidsprobleem
, 2. Hoe erg ze het gezondheidsprobleem (en de gevolgen ervan)
inschatten
3. Hoe sterk ze geloven dat het gezondheidsgedrag het risico op het
gezondheidsprobleem kan verminderen
4. Hoe sterk ze de negatieve aspecten van het gezondheidsgedrag
inschatten
Stadiamodel (Prochaska & DiClemente)
1. Precontemplatie (geen intentie tot verandering)
2. Contemplatie (overwegen naar verandering)
3. Voorbereidingsfase (verandering besloten)
4. Actie (uitvoeren)
5. Volhouden
6. Terugval
Theory of planned behavior (Ajzen)
3 sleutelbegrippen
1. Gedragsovertuiging -> attitude
Overtuiging van de wenselijkheid van het gedrag zelf en anderzijds de
overtuiging van de wenselijkheid van het verwachte gevolg van dat
gedrag
2. Normatieve opvatting (= groep waartoe je behoort en diens normen) ->
subjectie norm (= verschillen per normgroep)
3. Beheersovertuiging (= percieved behavioral control) -> zelfeffectiviteit
ASE-model (De Vries)
- Attitude (‘beliefs’/ relatief stabile over tijd)
- Sociale invloed (subjectieve norm, sociale druk, sociale steun)
- Zelf-effectiviteit ( geloof in eigen kunnen)
Integrated model
Geïntegreerd model vanuit
o Health- belief model
o Stadiamodel
o ASE-model
Zelfwaarde en zelf-effectiviteit