THEMA 4: VAN EEN COGNITIVISTISCHE VISIE
OP LEREN NAAR HET ONTWERPEN VAN
INSTRUCTIE
4.1 Advance organizer
, ONDERWIJSKUNDE
Er wordt gekeken naar ‘interne’ psychische processen, naar processen die niet direct
observeerbaar zijn;
We zoeken naar antwoorden op vragen over leerprocessen door verder te kijken dan
wat we observeren, ‘introspectie’ staat centraal.
Test van het werkgeheugen: Limited Capacity Assumption
Cognitivisme en onderzoek: Miller (1956)
Opdracht:
→ Je krijgt snel achter elkaar aantallen stippen te zien.
→ Tussen elke voorstelling is er een blank scherm
→ Noteer onmiddellijk het aantal stippen dat je ziet
→ Indien je het niet weet, plaats een streep op je blad
→ Aan het einde van de reeks zul je een oplossing te zien krijgen
Onderliggende vaststelling
− Aantallen tot 7: meestal OK
− Aantallen boven 7: lastiger en meestal fout
− Miller: “Span of Attention”
→ Er zitten beperkingen op de manier waarop we informatie verwerken
− < 7: subitize (is nog te doen)
− > 7: estimation (we gaan beginnen schatten)
Onmiddellijk geheugen = zintuiglijk geheugen
Wordt verschoven naar werkgeheugen: het gaat werken met de informatie
Gaat info bewerken op basis van wat al voorhanden is op lange termijn geheugen
Je vindt van alles terug in langetermijngeheugen
, ONDERWIJSKUNDE
Processen: interne processen/ cognitieve processen
→ Niet visueel observeerbaar gedrag zoals behaviorisme
Geheugen is een werkplek
→ Geheugen niet vergelijkbaar met harde schijf in pc
→ Het is een geheel aan processen
→ Geheugens onderscheiden: werkgeheugen = beperkte capaciteit
→ Opslaan
→ Bewaken van al die processen
Met deze korte test kern cognitivisme gevat
Interne cognitieve processen die je stap voor stap zet waarbij geheugens een rol spelen en
waarbij je heel snel zaken niet kunt verwerken omdat er beperkingen zijn tov een onbeperkt
langetermijngeheugen waar je veel dingen uit het verleden kunt terugvinden.
Waarom aarzel je of maak je snel fouten bij deze verschillende tests?
Typische antwoorden:
− Teveel informatie tegelijkertijd.
− Teveel tegenstrijdige info moeten verwerken.
− Je moet op verschillende zaken tegelijkertijd letten.
− Het gaat te snel.
− Je kan niet alles onthouden.
4.2 Visie op leren
Verschil met behaviorisme
Behaviorisme
− Leren blijkt alleen uit waarneembaar gedrag
− Gedrag alleen te onderzoeken via directe observatie van waarneembaar gedrag
Cognitivisme
− Naast observeerbaar gedrag, ook focus op mentaal gedrag, inzichten, interne beelden
− Methodologisch: observatie, introspectie, imaging
4.3 Voorlopers van het cognitivisme
Niet één bepaald startpunt
Begin 20ste eeuw vier stromingen; die de interesse voor het behaviorisme afzwakten en de
psychologie inspireerden om een andere richting in te slaan
, ONDERWIJSKUNDE
1. WOII: focus op verwerken van informatie en signalen
Shannon (1948) ‘Information Theory’
▪ Opvatting dat cognitie kon worden beschouwd als een informatieverwerkende
activiteit
▪ Signalen worden opgeslagen in geheugen; filter via zintuigen
▪ Voorloper van het concept ‘werkgeheugen’
2. Turing en eerste computer;
Newell, Shaw en Simon (1957) eerste computer-programma voor oplossen logische
problemen
▪ Verwerken datastructuren via computermodellen
▪ Datastructuren als voorlopers van de ‘representaties’
3. Chomsky (1957) ‘Syntactic Structures’ en kritiek op Skinner; basis voor het idee dat er
mentale structuren en tools bestaan om talenkennis vast te houden: ‘transformational
grammar’
▪ Associaties onvoldoende om taalontwikkeling te verklaren; niet altijd externe stimuli
voor ontstaan van interne transformationele structuren
▪ Behaviorisme kan niet verklaren hoe wij los van gedrag dat bekrachtigd wordt zelf
nieuwe taal kunnen verwerven, linken kunnen leggen
4. Wundt, Wertheimer en Koffka: ‘Gestaltpsychologie’
▪ Introspectie als methode (kijken naar interne processen als basis voor die
methodologie)
▪ Interne processen centraal (helpen een geheel construeren)
4.4 Soorten kennis
Declaratieve kennis
− Definities, formules, wetten, verschijnselen, verbanden binnen kennisdomeinen; dit wordt
dikwijls ook conceptuele kennis genoemd
− Alles wat je in een boek zou kunnen neerschrijven
Procedurele kennis
− Dit zijn methoden waarbij declaratieve kennis wordt gebruikt; specifieke procedurele
kennis (bv. kunnen schaatsen, fietsen, een formule vereenvoudigen …), en algemene
procedurele kennis (bv. encoderen van probleemelementen, samenvatten ...)
Metacognitieve kennis
− Kennis over hoe we zelf denken, hoe we leren. Flavell (1987), één van de grondleggers van
het onderzoek over metacognitie, omschrijft dit als volgt:
→ Kennis van situaties waarin bepaalde wetten, verbanden en formules geldig en nuttig zijn
(conditional knowledge)
→ Kennis van strategieën: een systematische aanpak van problemen