Psychiatrie:
verdiepende thema’s
,H1: ANGSTSTOORNISSEN
SSRi’s
1. Inleiding
1.1 Angst versus pathologische angst
➢ Angst
• Normale reactie op een angstopwekkende prikkel
➢ Pathologische angst
• Ongewoon intens: niet in verhouding met angstopwekkende prikkel)
• Buitengewoon langdurig: niet in verhouding met angstopwekkende prikkel)
• Angst zonder angstprikkel → we zijn heel goed in scenario’s maken en daardoor
geblokkeerd/angstig te worden
1.2 Angst als symptoom
➢ Klachten gerelateerd aan angst:
• Psychologisch: angstige anticipatie, piekeren,, rusteloosheid, slechte concentratie, …
• Autonoom:
- GI: Gastro-intestinaal: droge mond, slikproblemen, buikpijn, diarree, …
- RESP: respiratoir (ademhalingsstelsel): constrictie thorax, moeilijke ademhaling
- CV: cardiovasculair: hartkloppingen, ongemak in de borst
- GU: genito-urinair: frequente mictie, erectiestoornissen, amenorroe,…
• Spierspanning: tremor, hoofdpijn, spierpijn
• Hyperventilatie: draaierigheid, kortademigheid, tintelingen
- Niet veel voorkomend symptoom v. angststoornissen, maar wel overweldigend
- = verandering v/d zuurtegraad in je lichaam doordat je te weinig CO2 in je lichaam hebt
▪ Lichaam is daar heel gevoelig voor (normaal 7,4)
▪ In zakje blazen: zo hou je je eigen uitgeblazen CO2 bij je & adem je die weer in
• Slaapstoornis: insomnia, nachtmerries
1.3 Classificatie van angststoornissen DSM-5
1. Paniekstoornis (PD)
2. Agorafobie
3. Sociale angststoornis (Sociale fobie) (SAD)
4. Specifieke fobie
5. Gegeneraliseerde angststoornis (GAD)
6. Separatieangststoornis
7. Selectief mutisme
1
,2. Syndromen
2.1 Paniekstoornis (PD)
➢ DSM-criteria:
A. Recidiverende onverwachte paniekaanvallen:
- Een periode van intense angst en ongemak, met vier of meer van volgende
symptomen, acuut opgekomen, met een piek binnen de tien minuten
1. palpitaties of versnelde hartslag
2. Zweten
3. Beven
4. Gevoelens van kortademigheid
5. Gevoelens van stikken
6. Pijn of ongemak op de borst
7. Nausea of abdominale ongemakken
8. Draaierigheid of gevoelens van flauwvallen
9. Derealisatie of depersonalisatie (voelen zich geen onderdeel van deze wereld)
10. Gevoel van controleverlies of gek worden
11. Angst te sterven
12. Paresthesieën (doof gevoel of tintelingen)
13. Koude rillingen of warmte-opwellingen
B. Na tenminste één van de aanvallen was er 1 maand 1 van de volgende symptomen:
- Voortdurende ongerustheid over het krijgen van een volgende aanval (=
anticipatie-angst) of de gevolgen ervan (vb hartaanval krijgen, gek worden,…)
- Belangrijke gedragsverandering in samenhang met de aanvallen (vb
vermijding van lichamelijke inspanning)
➢ Prevalentie:
• Lifetime-prevalentie (NL)(NEMESIS): 2-3%
• Vrouwen >2X meer dan mannen (reden: waarschijnlijk hormoonstelsel, maar niet verklaard)
➢ Epidemiologie:
• Beginleeftijd: 20-24 jaar
• Kinderleeftijd: paniekstoornis is zeer zeldzaam
• Eerste-graadsverwanten: 8X meer kans ! → erfelijkheid, maar angst ook aangeleerd in opvoeding
➢ Beloop:
• Onbehandeld: chronisch beloop, wisselend
- Gaat niet vanzelf over. In drukkere periodes meer aanwezig, dan in rustige
• Ernst neemt af met de leeftijd
• Brede verspreiding in geneeskundige praktijk:
- Cardiologische Kliniek
- Vestibulaire en Neurologische Kliniek
➢ OPMERKING over Paniekaanvallen
• Komen zeer frequent voor
- 10% van de bevolking heeft tijdens leven een paniekaanval
- Hoeven niet noodzakelijk een symptoom te zijn v/e pathologie
• Komen voor bij alle angststoornissen !
• Komen voor bij andere psychiatrische stoornissen, bijvoorbeeld
- Depressieve stoornis
- Post-traumatische-stress stoornis
- Stoornissen in het gebruik van een middel
• Komen voor bij sommige somatische aandoeningen
- Hart-, ademhalings- vestibulaire stoornissen en maag-darm aandoeningen
2.2 Agorafobie
➢ Wat?
• = Angst om in bepaalde situatie te zijn waaruit ontsnappen moeilijk is of geen hulp
beschikbaar zou zijn, moest je angstig worden; denken altijd: “ik moet kunnen
ontsnappen/hulp kunnen krijgen wanneer ik mij niet goed voel”
- Is geen pleinvrees!
- Komt heel veel voor comorbide met paniekstoornis
2
, ➢ DSM-criteria:
A. Duidelijke angst voor twee (of meer) van de volgende vijf situaties:
- Openbaar vervoer (auto, bus, trein, schip, vliegtuig)
- Open ruimte (parkeerplaatsen, marktpleinen, bruggen)
- Afgesloten ruimte (winkels, theaters, bioscopen)
- In de rij staan of zich in een menigte bevinden
- Alleen buitenshuis zijn
B. De betrokkene vreest of vermijdt situaties vanwege de gedachte dat ontsnappen
moeilijk zal zijn of hulp niet beschikbaar wanneer zich panieksymptomen of andere
machteloos makende of gênante symptomen zouden ontwikkelen
C. De agorafobische situaties roepen bijna altijd angst of vrees op
D. Deze situaties worden bewust vermeden, vereisen begeleiding of slechts verdragen met intense angst
E. Angst is buiten proportie
F. Angst is persisterend en duurt zes maanden of langer
➢ Prevalentie:
• 12-maands prevalentie: 1,7 %
• Vrouwen >2X meer dan mannen
➢ Epidemiologie:
• Beginleeftijd: late adolescentie, vroege volwassenheid
• Kinderleeftijd: agorafobie kan voorkomen
➢ Beloop:
• Onbehandeld: chronisch beloop, wisselend
• Ernst neemt af met de leeftijd
2.3 Sociale angststoornis (sociale fobie)(SAD)
➢ DSM-criteria:
A. Duidelijke angst voor een of meer sociale situaties waarin de betrokkene wordt
blootgesteld aan mogelijke kritische beoordeling door anderen.
- Sociale interacties (bvb gesprek voeren, onbekende mensen ontmoeten)
- Geobserveerd worden (bvb eten of drinken)
- Prestatie leveren in bijzijn van anderen (bvb toespraak houden)
OPM. Bij kinderen: moet voorkomen bij leeftijdsgenoten, en niet
enkel bij volwassenen
B. Betrokkene vreest dat hij of zij zich zodanig zal gedragen of angstverschijnselen zal
vertonen dat anderen hierover negatief zullen oordelen
C. De sociale situaties roepen altijd angst op
D. De sociale situaties worden vermeden, of alleen verdragen met intense angst
E. Angst is buiten proportie
F. Angst of vermijding is persisterend, meestal 6 M of langer
➢ Prevalentie:
• Lifetime-prevalentie (NL)(NEMESIS): 7,8%
- = aandoening met de hoogste lifetime-prevalentie bij de angststoornissen
• Vrouwen 2X meer dan mannen
• Kinderen = Volwassenen
➢ Epidemiologie:
• Beginleeftijd: jong (mediaan: 15 jaar)
➢ Ontstaan:
• Soms na een aanwijsbare stressvolle of vernederende ervaring
• Soms sluipenderwijs
➢ Beloop:
• Adolescenten: breder patroon, onder andere bij daten
• Chronisch beloop
• Ernst neemt af met de leeftijd
3