H1: Doelgerichte gedragsverandering id
logogpedie en audiologie
1: Clientgerichte zorg
Medisch versus sociaal model van stoornissen en hulpverlening
Er zijn 2 soorten zorgverleners in hun visie op gezondheidsproblemen:
Nature: zorgverstrekkers richten hun aandacht op de onderliggende, lichamelijke
aandoeningen en bijhorende stoornissen. Die aandoeningen en stoornissen kunnen
aangeboren of verworven zijn.
• De geneeskunde is een voorbeeld van een discipline waar ze in de eerste
plaats steeds naar de onderliggende oorzaken zoekt en daar de hulp op
afstemt.
• De artsen hebben minder aandacht naar hoe de hulpvrager er mee omgaat, ze
kijken dus vooral naar het probleem.
Nurture: zorgverstrekkers zoeken hier in de probleemstelling vooral naar de rol die
leerervaringen, ontwikkeling, opvoeding en omgeving reageren op de stoornis, en hoe ze
ermee omgaan.
Ze richten hun aandacht dus vooral op hoe de hulpvrager en zijn omgeving omgaan en
reageren op de stoornis.
Twee belangrijke componenten van hun oplossingen zijn dus:
• De hulpvrager zelf meer inzicht, attitudes en vaardigheden ontwikkelt, zodat
hijzelf optimaal kan functioneren en participeren in zijn leefomgeving.
• De omgeving van de hulpvrager inlichten over hoe zij hem kunnen helpen.
Kortom: de hulpvrager en zijn omgeving zo goed mogelijk inlichten over zijn beperkingen
en hoe ermee om te gaan.
2 soorten modellen:
Biomedisch (ziekte) model Sociaal (leer) model
• Sluit aan bij nature (aangeboren) • Sluit aan bij nurture (leerproces, leren,
• Patient: passieve rol opvoeding)
• Doel: wergwerken van verschillen: ‘wat • Doel:
afwijkt moet terug binnen normale vallen’ Onderscheid maken tss stoornis-prob die
• Standpunt: dualisme= lichaam – geest ermee samenhangen en verandering in
geen onafh etniteiten en niet verbonden omgeving
• ‘Normaal’ = statistisch gemiddelde Benadrukt de rechten van elk individu
‘Afwijkend/ abnormaal’ = wat afwijkt (therapie is gericht op sensibiliseren en
van statistsich gemiddelde veranderening aanbrengen in omgeving)
• Oorzaak-gevolg: ‘hoe verklaren de fys • ‘Normaal’ = bestaat niet
oorzaken de uit “symptomen”’ ‘Problematisch’ = wanneer individu het
• Classificatiesystemen obv oorzaken v als onprettig ervaart
aandoening • Gevolg: bijsturing van het biomedische
Voorbeeld: ICD model
= International Classification of Diseases Voorbeeld: zorgverstrekkers kregen meer
= rapportering v ziekten en aandacht v leefomgeving van zorgvrager
gezondheidsconditie en pasten terminologie aan
• Nadruk: kijken naar stoornissen/ • Nadruk: maatsch veranderen + recht v
beperkingen en wat normaal/afwijkend is individu
adhv grenzen (buiten= afw) Voorbeeld: attitudes, infrastrcutuur EN hulp
op normaliseren bieden
Combinatie van de 2: biopsychosociaal model
- Visie: gezondheid en ziekte als het resultaat van een samenspel tussen biologie,
persoonlijke en sociale factoren
- ‘Persoon’ = biologisch, gedragsmatig wezen, wezen dat in wisselwerking staat met
bepaalde context
1
,- Focus behandeling: onvermogen en gevoel van onvermogen
- ‘Normaal’: ruimere betekenis; individu vult zelf in wat voor hun normaal is (subjectief)
• Bepaald door: pers beleving, waardeoordelen, persoonlijke/ sociale/
esthetische normen
- ‘Problematisch’: individu ervaart het als onprettig, hinderlijk, beperkend…
• Normaal – problematisch= resultaat v dezelfde leermechanismen
• Probleem in één component invloed alle componenten
• Vormt overkoepelend denkkader van de zorg aan mensen met aandoeningen
- Nog steeds dominant in wereld van communicatiestoornissen
- ASHA: ‘optimaliseren van de bekwaamheid van het individu om te communiceren
en/of slikken in de natuurlijke omgeving, en dus zijn/haar levenskwaliteit te verhogen’
ICF-model
= International Classification of Functioning, Disability and Health, concretere vorm van
biopsych model
= werkmodel van ziekte en gezondheid
Dubbel doel
1. Als denkkader
= ICF-model biedt een wetenschappelijke basis voor de studie van menselijke
gezondheid en zowat alles wat met dat gezonde functioneren verband houdt
• ICF = multifactorieel model: meerdere factoren iemands gezondheid of het
ontstaan, het verloop of de beleving van een ziekte of stoornis
• ICF = holistisch model: menselijke functioneren beschrijft vanuit zoveel
mogelijk invalshoeken, als een aantal op elkaar inwerkende componenten die
het geheel tot meer maken dan louter de som van de afzonderlijke elementen
• Klemtoon: niet alleen op oorzaken problemen, maar ook op gevolgen van de
aandoening op menselijke functioneren
Bied wet basis van studie van menselijke gezondheid & alles met
gezonde funcioneren te maken
Gezondheid: + dan afwezigheid van ziekten MAAR fys/ment/soc
welbevinden
2. Als gemeenschapkelijke taal: universeel
= biedt wetenschappers en zorgverstrekkers van versch. disciplines gestandaardiseerd begrippenapparaat
van de beschrijving en ordening vab alle aspecten van het menselijk functioneren (biologisch,
psychologisch, sociaal) & van problemen die daarin kunnen optreden om ziektes, aandoeningen, enz aan te
brengen
Gebruik van ICF model
- Biedt gemeenschappelijke taal + denkkader voor wetenschappelijk onderzoek
- Overheden: beslissen over verdeling van fondsen
- Onderwijs: hulpmiddel voor invullen of beoordelen van opleidingscurricula
- Zogrverstrekkers: in kaart brengen hoe client functioneert, problemen analyseren,
impact omgeving inschatten, therapeutische doelstellingen,…
5 componenten
1. Anatomische eigenschappen: positie, aanwezigheid, vorm
en continuïteit van onderdelen van het menselijk lichaam
Anatomische functies: ysiologische en mentale
eigenschappen van het menselijk organisme
2. Activiteiten: onderdelen van iemands handelen. Het gaat
om de uitvoering van een taak of een actie, en dus om
basale vaardigheden waarvoor iemand de intacte
anatomische eigenschappen en functies doelgericht moet
aanwenden
2
,3. Participatie: emands deelname aan het sociaal-maatschappelijk leven in de
verschillende rollen die hij/zij daarin vervult (bijv. als moeder, dochter, werkneemster,
lid van een club, vereniging, organisatie, religie...).
4. Externe factoren: fysieke en sociale omgeving waarin iemand leeft
5. Persoonlijke factoren: invloed zijn op het functioneren en die specifiek zijn voor het
individu, zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, persoonlijke copingstijlen,
levensgeschiedenis, en dergelijke
WHO laat de keuze over aan de gebruiker om activiteiten en participatie als 1 niveau te
behandelen of toch op te splitsen. Al naargelang de noden/voorkeur van de gebruiker.
4 opties om participatie en activiteiten te beschouwen:
• Ze worden beschouwd als 2 volkomen aparte en dus niet overlappende
entiteiten die weliswaar een invloed op elkaar uitoefenen
• Gedeeltelijk overlappende entiteiten
• Gedetailleerde activiteitcomponent met een overkoepelende
participatiecomponent
• Een geheel van overlappende componenten en dus als één gecombineerde
component ‘activiteiten en participatie’
Veel auteurs geven voorkeur aan de laatste optie, als het gaat om communicatie
gerelateerde info. Communicatie is namelijk dyadisch (groep bestaande uit 2 personen)
en het gaat dus automatisch ook over participatie.
Toch veel voordelen aan het opsplitsen: het kan therapeut eraan herinneren dat
afzonderlijk oefenen van vaardigheden niet noodzakelijk leidt tot een betere participatie.
ICF als denkkader in logopedie en audiologie
- Doel: behoud of verbeteren van levenskwaliteit
- Beleving van de stoornis afhv: persoon en omgeving
• ICF-model biedt verschillende invalshoeken voor onderzoeken en behandelen
van logopedische en audiologische problemen
• Elk probleem is uniek WANT elke persoon is uniek
- Vanuit ICF: unieke manifestatie van communicatiestoornis binnen elk individu goed te
begrijpen
• Aard, ernst, maar ook veerkracht, perfectionisme, gevoeligheid voor prikkels,…
kunnen verschillen
• Beleving stoornis kan ook verschillen
- ICF: grote invloed op aard v probleeminventarisme/ assessment
• Vanuit ICF-perspectief een logopedisch/ audiologische hulpvraag v client
onderzoekt onmoglijk alleen naar stoorniskenmerken kijken (je moet naar
meer kijken)
• Stoorniskenmerken staan in ICF bij anatomische eigenschappen en activiteiten
• Nood aan uitgebereide info over alle kenmerken van client (positieve en
negatieve invloed)
Logopedisch/audiologisch assessment (probleeminventarisme) en evaluatie
vanuit een ICF-perspectief
- Diagnostisch vlak aard van de probleeminventarisatie/assessment
- Stoorniskenmerken bieden info over aandoening MAAR NIET over hoe aandoening het
leven van cliënt en zijn omgeving beïnvloedt en hoe hij daarmee omgaat
- In ICF -model: functies en anatomische eigenschappen en activiteiten: subjectieve en
psychosociale problemen en vaardigheden (positief of negatief)
- ICF-model tijdens behandeling: beoordelen mate waarin de behandeling vruchten
afwerpt
- Biomedisch model: classificerende diagnose (stoornislabel) ICF: verklarende
diagnose
• Verklarende diagnose= lijst factoren op die mee bepalen in hoeverre een
stoornis leidt tot de beleving van een probleem en geeft zicht op de wijze
waarop die factoren op elkaar inspelen
• Outcome measurement= het meten van de effecten van de behandeling
3
, • Real life-behandeleffect= hangt af van keuze uitkomstmaten (Voelt de cliënt
zich beter? Kijkt hij er nu anders tegenaan dan voor de therapie? ...)
Door ICF: niet alleen stoornisgericht gaan kijken maar ook andere
aspecten bekijken
Voorbeeld: hoe gaat kind er mee om?
In assessment gaan we dus veel breder kijken ook participatie,
externe, interne factoren,…
vroeger: vooral over functies en anatomische eigenschappen +
activiteiten
Niet alleen verzamelen wat er misloopt, maar ook wat goed is kan je
in therapie gebruiken
- Meten van behandeleffect op een voor de cliënt relevante manier
• Vroeger: effect v therapie door taaltest opnieuw te meten en kijken ‘is er
voorutigang?’
• Nu: doen we nog steeds, maar wat we echt willen meten is ‘maakt therapie
verschil in echte leven van client?’ scoort beter op test, maar begint hij
spontaan terug meet te praten?
• Kind komt niet bij jou om beter te score op een test, maar om in echte leven te
verbeteren
Logopedische/audiologische behandeling vanuit een ICF-perspectief
- Behandeldoelen niet alleen stoorniskenmerken terugdringen, maar ook maximaal
voorkomen of terugdringen van de beperkingen, het herstellen of vergroten van de
participatie en optimaliseren van externe en persoonlijke beïnvloedende factoren
- Allerbelangrijkste doelbepaling behandeling: aard van de klacht en die specifieke
noden cliënt.
- Keuze therapeutische interventies: trainen van functies en activiteiten, EN toepassen
van geoefende functies in de eigen leefwereld, in interactie met derden, aanpassen
van externe en persoonlijke factoren.
Gevolgen voor therapie
- Niet alleen stoornisgerichte hulp bieden
• Door bredere kijk van laatste jaren gaan we nu alle componenten breder
bekijken
• Als kind alleen maar bij jou komt om te oefenen op dingen die kind niet goed
kan, gaat kind alleen nog maar meer hekel aan krijgen je moet dus ook
positieve items aankaarten doel: plezier voor hetgene dat hij niet goed kan
terugkrijgen
- Statistische gemiddelde (norm) = ruwe leidraad (en baseline) probeert niet enkel
stat. gem. najagen
- Leidraad bij bepalen van behandeldoelen
- Hulpmiddel bij keuze van de interventies
De cliënt centraal
= evolueren van stoornisgericht & provider-centered cliëntgericht & person-centered;
meer in dialoog met clienten en bepalen mee therapie
Provider-centered=therapeut bepaald alles, is de expert
• Kan goed voelen als we naar iemand gaan die de expert is, maar werkt minder
goed
Cliengerichte zorg= biopsychosociale benadering en attitude die erop gericht is zorg te
verstrekken die respectvol, geinvidivualiseerd en empowerend is
• Impliceert individuele participatie van client + is gebouwd op relatie van
wederzijds vertrouwen, sensitiviteit, empathie en gedeelde kennis
• Mooiste cadeau dat je client kan geven is dat hij zelf dingen kan zonder de logo: je
geeft ze zelfvertrouwen en kracht (empowerend)
4
logogpedie en audiologie
1: Clientgerichte zorg
Medisch versus sociaal model van stoornissen en hulpverlening
Er zijn 2 soorten zorgverleners in hun visie op gezondheidsproblemen:
Nature: zorgverstrekkers richten hun aandacht op de onderliggende, lichamelijke
aandoeningen en bijhorende stoornissen. Die aandoeningen en stoornissen kunnen
aangeboren of verworven zijn.
• De geneeskunde is een voorbeeld van een discipline waar ze in de eerste
plaats steeds naar de onderliggende oorzaken zoekt en daar de hulp op
afstemt.
• De artsen hebben minder aandacht naar hoe de hulpvrager er mee omgaat, ze
kijken dus vooral naar het probleem.
Nurture: zorgverstrekkers zoeken hier in de probleemstelling vooral naar de rol die
leerervaringen, ontwikkeling, opvoeding en omgeving reageren op de stoornis, en hoe ze
ermee omgaan.
Ze richten hun aandacht dus vooral op hoe de hulpvrager en zijn omgeving omgaan en
reageren op de stoornis.
Twee belangrijke componenten van hun oplossingen zijn dus:
• De hulpvrager zelf meer inzicht, attitudes en vaardigheden ontwikkelt, zodat
hijzelf optimaal kan functioneren en participeren in zijn leefomgeving.
• De omgeving van de hulpvrager inlichten over hoe zij hem kunnen helpen.
Kortom: de hulpvrager en zijn omgeving zo goed mogelijk inlichten over zijn beperkingen
en hoe ermee om te gaan.
2 soorten modellen:
Biomedisch (ziekte) model Sociaal (leer) model
• Sluit aan bij nature (aangeboren) • Sluit aan bij nurture (leerproces, leren,
• Patient: passieve rol opvoeding)
• Doel: wergwerken van verschillen: ‘wat • Doel:
afwijkt moet terug binnen normale vallen’ Onderscheid maken tss stoornis-prob die
• Standpunt: dualisme= lichaam – geest ermee samenhangen en verandering in
geen onafh etniteiten en niet verbonden omgeving
• ‘Normaal’ = statistisch gemiddelde Benadrukt de rechten van elk individu
‘Afwijkend/ abnormaal’ = wat afwijkt (therapie is gericht op sensibiliseren en
van statistsich gemiddelde veranderening aanbrengen in omgeving)
• Oorzaak-gevolg: ‘hoe verklaren de fys • ‘Normaal’ = bestaat niet
oorzaken de uit “symptomen”’ ‘Problematisch’ = wanneer individu het
• Classificatiesystemen obv oorzaken v als onprettig ervaart
aandoening • Gevolg: bijsturing van het biomedische
Voorbeeld: ICD model
= International Classification of Diseases Voorbeeld: zorgverstrekkers kregen meer
= rapportering v ziekten en aandacht v leefomgeving van zorgvrager
gezondheidsconditie en pasten terminologie aan
• Nadruk: kijken naar stoornissen/ • Nadruk: maatsch veranderen + recht v
beperkingen en wat normaal/afwijkend is individu
adhv grenzen (buiten= afw) Voorbeeld: attitudes, infrastrcutuur EN hulp
op normaliseren bieden
Combinatie van de 2: biopsychosociaal model
- Visie: gezondheid en ziekte als het resultaat van een samenspel tussen biologie,
persoonlijke en sociale factoren
- ‘Persoon’ = biologisch, gedragsmatig wezen, wezen dat in wisselwerking staat met
bepaalde context
1
,- Focus behandeling: onvermogen en gevoel van onvermogen
- ‘Normaal’: ruimere betekenis; individu vult zelf in wat voor hun normaal is (subjectief)
• Bepaald door: pers beleving, waardeoordelen, persoonlijke/ sociale/
esthetische normen
- ‘Problematisch’: individu ervaart het als onprettig, hinderlijk, beperkend…
• Normaal – problematisch= resultaat v dezelfde leermechanismen
• Probleem in één component invloed alle componenten
• Vormt overkoepelend denkkader van de zorg aan mensen met aandoeningen
- Nog steeds dominant in wereld van communicatiestoornissen
- ASHA: ‘optimaliseren van de bekwaamheid van het individu om te communiceren
en/of slikken in de natuurlijke omgeving, en dus zijn/haar levenskwaliteit te verhogen’
ICF-model
= International Classification of Functioning, Disability and Health, concretere vorm van
biopsych model
= werkmodel van ziekte en gezondheid
Dubbel doel
1. Als denkkader
= ICF-model biedt een wetenschappelijke basis voor de studie van menselijke
gezondheid en zowat alles wat met dat gezonde functioneren verband houdt
• ICF = multifactorieel model: meerdere factoren iemands gezondheid of het
ontstaan, het verloop of de beleving van een ziekte of stoornis
• ICF = holistisch model: menselijke functioneren beschrijft vanuit zoveel
mogelijk invalshoeken, als een aantal op elkaar inwerkende componenten die
het geheel tot meer maken dan louter de som van de afzonderlijke elementen
• Klemtoon: niet alleen op oorzaken problemen, maar ook op gevolgen van de
aandoening op menselijke functioneren
Bied wet basis van studie van menselijke gezondheid & alles met
gezonde funcioneren te maken
Gezondheid: + dan afwezigheid van ziekten MAAR fys/ment/soc
welbevinden
2. Als gemeenschapkelijke taal: universeel
= biedt wetenschappers en zorgverstrekkers van versch. disciplines gestandaardiseerd begrippenapparaat
van de beschrijving en ordening vab alle aspecten van het menselijk functioneren (biologisch,
psychologisch, sociaal) & van problemen die daarin kunnen optreden om ziektes, aandoeningen, enz aan te
brengen
Gebruik van ICF model
- Biedt gemeenschappelijke taal + denkkader voor wetenschappelijk onderzoek
- Overheden: beslissen over verdeling van fondsen
- Onderwijs: hulpmiddel voor invullen of beoordelen van opleidingscurricula
- Zogrverstrekkers: in kaart brengen hoe client functioneert, problemen analyseren,
impact omgeving inschatten, therapeutische doelstellingen,…
5 componenten
1. Anatomische eigenschappen: positie, aanwezigheid, vorm
en continuïteit van onderdelen van het menselijk lichaam
Anatomische functies: ysiologische en mentale
eigenschappen van het menselijk organisme
2. Activiteiten: onderdelen van iemands handelen. Het gaat
om de uitvoering van een taak of een actie, en dus om
basale vaardigheden waarvoor iemand de intacte
anatomische eigenschappen en functies doelgericht moet
aanwenden
2
,3. Participatie: emands deelname aan het sociaal-maatschappelijk leven in de
verschillende rollen die hij/zij daarin vervult (bijv. als moeder, dochter, werkneemster,
lid van een club, vereniging, organisatie, religie...).
4. Externe factoren: fysieke en sociale omgeving waarin iemand leeft
5. Persoonlijke factoren: invloed zijn op het functioneren en die specifiek zijn voor het
individu, zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, persoonlijke copingstijlen,
levensgeschiedenis, en dergelijke
WHO laat de keuze over aan de gebruiker om activiteiten en participatie als 1 niveau te
behandelen of toch op te splitsen. Al naargelang de noden/voorkeur van de gebruiker.
4 opties om participatie en activiteiten te beschouwen:
• Ze worden beschouwd als 2 volkomen aparte en dus niet overlappende
entiteiten die weliswaar een invloed op elkaar uitoefenen
• Gedeeltelijk overlappende entiteiten
• Gedetailleerde activiteitcomponent met een overkoepelende
participatiecomponent
• Een geheel van overlappende componenten en dus als één gecombineerde
component ‘activiteiten en participatie’
Veel auteurs geven voorkeur aan de laatste optie, als het gaat om communicatie
gerelateerde info. Communicatie is namelijk dyadisch (groep bestaande uit 2 personen)
en het gaat dus automatisch ook over participatie.
Toch veel voordelen aan het opsplitsen: het kan therapeut eraan herinneren dat
afzonderlijk oefenen van vaardigheden niet noodzakelijk leidt tot een betere participatie.
ICF als denkkader in logopedie en audiologie
- Doel: behoud of verbeteren van levenskwaliteit
- Beleving van de stoornis afhv: persoon en omgeving
• ICF-model biedt verschillende invalshoeken voor onderzoeken en behandelen
van logopedische en audiologische problemen
• Elk probleem is uniek WANT elke persoon is uniek
- Vanuit ICF: unieke manifestatie van communicatiestoornis binnen elk individu goed te
begrijpen
• Aard, ernst, maar ook veerkracht, perfectionisme, gevoeligheid voor prikkels,…
kunnen verschillen
• Beleving stoornis kan ook verschillen
- ICF: grote invloed op aard v probleeminventarisme/ assessment
• Vanuit ICF-perspectief een logopedisch/ audiologische hulpvraag v client
onderzoekt onmoglijk alleen naar stoorniskenmerken kijken (je moet naar
meer kijken)
• Stoorniskenmerken staan in ICF bij anatomische eigenschappen en activiteiten
• Nood aan uitgebereide info over alle kenmerken van client (positieve en
negatieve invloed)
Logopedisch/audiologisch assessment (probleeminventarisme) en evaluatie
vanuit een ICF-perspectief
- Diagnostisch vlak aard van de probleeminventarisatie/assessment
- Stoorniskenmerken bieden info over aandoening MAAR NIET over hoe aandoening het
leven van cliënt en zijn omgeving beïnvloedt en hoe hij daarmee omgaat
- In ICF -model: functies en anatomische eigenschappen en activiteiten: subjectieve en
psychosociale problemen en vaardigheden (positief of negatief)
- ICF-model tijdens behandeling: beoordelen mate waarin de behandeling vruchten
afwerpt
- Biomedisch model: classificerende diagnose (stoornislabel) ICF: verklarende
diagnose
• Verklarende diagnose= lijst factoren op die mee bepalen in hoeverre een
stoornis leidt tot de beleving van een probleem en geeft zicht op de wijze
waarop die factoren op elkaar inspelen
• Outcome measurement= het meten van de effecten van de behandeling
3
, • Real life-behandeleffect= hangt af van keuze uitkomstmaten (Voelt de cliënt
zich beter? Kijkt hij er nu anders tegenaan dan voor de therapie? ...)
Door ICF: niet alleen stoornisgericht gaan kijken maar ook andere
aspecten bekijken
Voorbeeld: hoe gaat kind er mee om?
In assessment gaan we dus veel breder kijken ook participatie,
externe, interne factoren,…
vroeger: vooral over functies en anatomische eigenschappen +
activiteiten
Niet alleen verzamelen wat er misloopt, maar ook wat goed is kan je
in therapie gebruiken
- Meten van behandeleffect op een voor de cliënt relevante manier
• Vroeger: effect v therapie door taaltest opnieuw te meten en kijken ‘is er
voorutigang?’
• Nu: doen we nog steeds, maar wat we echt willen meten is ‘maakt therapie
verschil in echte leven van client?’ scoort beter op test, maar begint hij
spontaan terug meet te praten?
• Kind komt niet bij jou om beter te score op een test, maar om in echte leven te
verbeteren
Logopedische/audiologische behandeling vanuit een ICF-perspectief
- Behandeldoelen niet alleen stoorniskenmerken terugdringen, maar ook maximaal
voorkomen of terugdringen van de beperkingen, het herstellen of vergroten van de
participatie en optimaliseren van externe en persoonlijke beïnvloedende factoren
- Allerbelangrijkste doelbepaling behandeling: aard van de klacht en die specifieke
noden cliënt.
- Keuze therapeutische interventies: trainen van functies en activiteiten, EN toepassen
van geoefende functies in de eigen leefwereld, in interactie met derden, aanpassen
van externe en persoonlijke factoren.
Gevolgen voor therapie
- Niet alleen stoornisgerichte hulp bieden
• Door bredere kijk van laatste jaren gaan we nu alle componenten breder
bekijken
• Als kind alleen maar bij jou komt om te oefenen op dingen die kind niet goed
kan, gaat kind alleen nog maar meer hekel aan krijgen je moet dus ook
positieve items aankaarten doel: plezier voor hetgene dat hij niet goed kan
terugkrijgen
- Statistische gemiddelde (norm) = ruwe leidraad (en baseline) probeert niet enkel
stat. gem. najagen
- Leidraad bij bepalen van behandeldoelen
- Hulpmiddel bij keuze van de interventies
De cliënt centraal
= evolueren van stoornisgericht & provider-centered cliëntgericht & person-centered;
meer in dialoog met clienten en bepalen mee therapie
Provider-centered=therapeut bepaald alles, is de expert
• Kan goed voelen als we naar iemand gaan die de expert is, maar werkt minder
goed
Cliengerichte zorg= biopsychosociale benadering en attitude die erop gericht is zorg te
verstrekken die respectvol, geinvidivualiseerd en empowerend is
• Impliceert individuele participatie van client + is gebouwd op relatie van
wederzijds vertrouwen, sensitiviteit, empathie en gedeelde kennis
• Mooiste cadeau dat je client kan geven is dat hij zelf dingen kan zonder de logo: je
geeft ze zelfvertrouwen en kracht (empowerend)
4