Hc1:
ASHA: Vloeiende sprekers zijn diegenen die zonder merkbare inspanning
lange reeksen van syllaben kunnen produceren, door een adequate
combinatie van snelheid en continuiteit
Starkweather (1984): Vloeiende spraak
1. Het praten verloopt met een zekere snelheid (=rate)
2. De klanken volgen elkaar vloeiend op (=continuity)
3. Er is een normaal ritme in de spraak (=rhythm)
4. De spreker ervaart relatief weinig inspanning, niet veel moeite kost
(=effort)
Spraakvloeiendheid: vloeiende motorische spraakproductie
Taalvloeiendheid: m.b.t. woordvinding en zinsformulering
• Semantische vloeiendheid: vlotheid waarmee men woorden kan
oproepen uit een pool van lexicale items
• Syntactische vloeiendheid: vlotheid waarmee sprekers complexe
zinnen opbouwen die linguïstisch complexe structuren bevatten
• Pragmatische vloeiendheid: vlotheid waarmee men kent en kan
uitvoeren wat men wil zeggen in reactie op een gamma van
situatieve elementen
• Fonologische vloeiendheid: het gemak waarmee men binnen
betekenisvolle en complexe taalunits lange en complexe klankketens
kan produceren
Kern van stotteren zit niet in taal , iemand die stottert kan juist
talig vloeiend zijn
(dia 6-7-8-9)
-Ied kan last hebben van onvloeiendheden Vanaf 3% v/d syllabe wijst
het i/h richting van stotteren
-Stotteren gebeurt niet met opzet, niet gepland, totaal ongewenst je
weet perfect wat je wilt zeggen maar het komt er niet uit zoals je had
gewild
,Indeling die we nu gebruiken:
KDNS op peuter-kleuterleeftijd gemiddeld 6-8 onvloeiendheden (alle
types)/100 syllaben. Volwassenen: gemiddeld 5%.
KDS op peuter-kleuterleeftijd: gem. 17 onvloeiendheden/100 syllaben
Hogere percentages (19-20%) werden gevonden dichter bij de aanvang
(“onset”) van het stotteren
Met stijgende leeftijd treedt er een afname op v/h aantal
woordherhalingen, stille pauzes en zinsrevisies en een toename v/h aantal
opgevulde pauzes (tussenvoegsels) kind zit al snel in dat het best
leegtes opvult zodat men hun niet onderbreekt
• Ongeacht hun leeftijd: KDS meer SLD dan KDNS
• Als groep produceren jonge KDS min. 3 à 4 SLD /100 syllaben, terwijl
KDNS minder dan 3% (altijd meer dan 2)
• Proportioneel tgo. het totale aantal onvloeiendheden is het % SLD bij
KDNS steeds <50% en meestal rond 35% (Yairi, 1997)
• Bij KDS maken de SLD gemiddeld voor 65% deel uit van het totale
aantal onvloeiendheden; dus bijna het dubbel van de KDNS
(Ambrose & Yairi, 1999)
geldt vooral bij 1 talige kindjes
• Ten minste 3 SLD/100 syllaben = KDS of “at risk” voor stotteren!
, • Hoe hoger de proportie SLD tegenover het totale aantal
spraakonvloeiendheden, hoe groter de kans dat luisteraars het kind
zullen beoordelen als stotterend.
STOTTEREN (zie dia 16!)
-ontwikkelingsstotteren misleidende term : lijkt alsof het bij de
norm ontw hoort
-vaker bij jongens dan meisjes
-tussen de 2-7j veel onvloeiendheden bij kinderen belangrijk om
dus goed in het oog te houden of dit zich verder ontwikkeld nr een
stoornis
-meestal ontwikkeld het zich al voor de leeftijd van 6j
ICF: Stotteren = aangeboren stoornis, genetisch
-stotteren hoort niet bij normale ontw
-Stottermomenten treden in de woorden op niet intentioneel,
geen nuttige functie
Bij andere ertussen nuttige functie: vb om tijd te winnen,
aandacht niet te verliezen van luisteraar
verschillen tussen normale onvloeiendheden en stottermomenten?
Stutteringlike : meer spanning, controleverlies
Other disfluencies; je behoudt de volledige controle, geen controle
kwijtraken over je spraak
Zichtbare verschijnselen (overte):
A)Kerngedrag van stotteren
• Klank-en syllabeherhalingen: Ongewilde herhalingen v/d klank of
syllabe v/e woord. Vaak nogal snel en/of onregelmatig. Doorgaans
met extra spierspanning. Soms gebeurt hetzelfde met
eenlettergrepige woorden. Bv. “Wa-wa-wacht nu maar”, “en en en
en…”