Psychologie van de
persoonlijkheid
H6: Krachtmeting
De centrale vraag
Na het werk van Walter Mischel ontstond één grote vraag:
Wat bepaalt gedrag het meest?
1. De persoon (persoonlijkheid, trekken)
2. De situatie (context)
3. Of de interactie tussen beide?
4.1: Procentuele bijdrage
Procentuele bijdrage van situationele en individuele
verschilsvariantie tot gedrag
Waarom is deze vraag belangrijk?
Niet alleen wetenschappelijk, maar ook moreel:
Stel iemand pleegt een misdaad
Is dat: “zijn karakter”? Of “de situatie waarin hij zat”?
Dit beïnvloedt hoe we denken over schuld en verantwoordelijkheid
Hoe kan je dit onderzoeken?
Ideaal zou zijn:
Een gigantisch experiment:
Veel mensen (representatief)
Veel situaties (realistisch)
Veel gedragingen
Dan bereken je:
Hoeveel gedrag komt door persoon
Hoeveel door situatie
Hoeveel door interactie
Maar: dit is praktisch onmogelijk
Daarom gebruikt men vaak experience sampling, waarbij mensen in het dagelijks
leven hun gedrag in verschillende situaties rapporteren. Dit heeft echter
beperkingen: mensen komen in verschillende situaties terecht, kiezen of
vermijden situaties zelf, en het is niet altijd duidelijk wat als dezelfde situatie
geldt. Hierdoor blijft het moeilijk om exacte conclusies te trekken.
1
,Alternatief: 2 soorten studies
Wetenschappers hebben 2 oplossingen bedacht:
A. Procentuele bijdrage in laboratoriumstudies
Typisch sociaal-psychologisch experiment:
Bijvoorbeeld:
Groep 1: wordt geprovoceerd
Groep 2: niet
Meet agressie
Vraag: hoeveel van het gedrag wordt verklaard door de situatie?
Resultaten (belangrijk!)
Uit veel studies:
Situatie verklaart ≈ 5% – 16%
Persoonlijkheid (trekken) ≈ 3% – 9%
Beide zijn: relatief laag
Effect iets hoger bij beroemde studies: bystander effect, gehoorzaamheid
etc.
Extra probleem: file drawer effect
Studies zonder resultaat worden vaak niet gepubliceerd
Dus: echte effecten zijn waarschijnlijk nog kleiner
Conclusie uit labo-studies
Zowel persoon als situatie hebben beperkte directe invloed (hoofdeffecten)
B. Procentuele bijdrage in S-R vragenlijsten
2
, Dit zijn situatie-gebonden vragenlijsten (gecontexitualiseerd)
In plaats van:
“Ben je angstig?”
Vraagt men: “Hoe reageer je in situatie X?”
Denk aan een “gegevenskubus”
Data bestaat uit: personen, situaties, gedragingen
Bijvoorbeeld: persoon A in
situatie X → gedrag Y
Wat proberen onderzoekers te
berekenen?
Ze splitsen gedrag op in bronnen
van variantie
1. P = Persoon (trekpsychologie)
Sommige mensen: zijn overal angstiger of overal agressiever
Bewijs voor trekken
2. S = Situatie (situationisme)
Sommige situaties: maken iedereen angstiger of agressiever
Bewijs voor situatie
3. G = Gedrag
Sommige gedragingen komen gewoon vaker voor (bv. hartkloppingen bij angst)
Interacties
PxS = Persoon × Situatie
3