1: Inleiding
We gebruiken observatie omdat mensen vaak zeggen dat ze iets zouden doen,
maar in werkelijkheid anders handelen (discrepantie).
Bijvoorbeeld: mensen zeggen dat ze iemand zouden helpen, maar in echte
situaties gebeurt dat vaak niet.
We hebben al drie technieken gezien
1. Interview
2. Narratieve
3. Focusgroepen
4. Observatiestudies
1.1: Definitie en afbakening
Definitie
Observatieonderzoek = gedrag aandachtig bekijken en registreren om informatie
te krijgen die mensen moeilijk zelf kunnen rapporteren.
Het is een tegenhanger van zelfrapportage (interviews, vragenlijsten).
Observaties kunnen:
Kwantitatief → gedrag tellen
Kwalitatief → gedrag beschrijven
4 soorten observatie
1: Gestructureerd vs ongestructureerd
Gestructureerd
De situatie wordt gecontroleerd of georganiseerd = vast
Voorbeeld: hechtingsstudies (Strange Situation)
Moeder speelt met kind
Vreemde komt binnen
Moeder gaat weg
Moeder komt terug
Onderzoekers kijken dan bijvoorbeeld → hoe reageert het kind wanneer de
moeder terugkomt?
Ongestructureerd
1
, Onderzoeker grijpt niet in.
Gedrag wordt in het dagelijkse leven bekeken.
Voorbeeld: moeder speelt gewoon thuis met haar kind.
2: Smal vs breed
Smalle observatie
Men kijkt naar één specifiek gedrag.
Voorbeeld: hoe reageert een kind wanneer moeder terugkomt.
Brede observatie
Men kijkt naar alle interacties en gedragingen.
Voorbeeld: hoe moeder en kind met elkaar omgaan in het algemeen.
3: Experiment vs natuurlijke setting
Experiment
Onderzoekers manipuleren omstandigheden.
Voorbeeld: elke moeder-kind situatie verloopt volgens hetzelfde scenario.
Natuurlijke setting
Gedrag wordt geobserveerd in het echte leven.
Voorbeeld: thuis bij het gezin.
4: Deductie vs inductie
Deductie
Je test een bestaande theorie.
Inductie
Je ontwikkelt nieuwe
theorieën op basis van
wat je observeert.
1.2: Wanneer
gebruiken?
2