Inleiding
Praktisch
Leerstof: boek
Op het einde testvraagjes
Andere proffen dan Rudi niet gebaseerd op het boek
Wetenschappelijke termen kennen!
H1: The Chemistry of living things
1.3: Leven hangt af van water
1.3.1: Ons lichaam bestaat vooral uit water
Water is de belangrijkste stof in ons lichaam.
Ongeveer 60% van ons lichaamsgewicht is water.
Hersenen: ongeveer 75% water → daarom zijn ze zacht weefsel
Botten: bevatten veel harde mineralen
In en rond alle cellen zit water
Al het vocht in ons lichaam (bloed, lymfe, hersenvocht, urine,
spijsverteringssappen…) bestaat grotendeels uit water.
Onze cellen “denken” dat ze nog in de zee leven
Leven is ontstaan in een waterige omgeving (de zee) waarin zouten (ionen)
opgelost waren.
Vandaag is dat nog steeds zo:
Het vocht rond onze cellen lijkt qua samenstelling sterk op zeewater
In onze cellen zit cytoplasma: dat is vooral water met opgeloste stoffen en
ionen
Het belangrijkste zout is natriumchloride (NaCl) = keukenzout
Onze cellen zijn essentieel afhankelijk van deze zouten
Ons lichaam zorgt er dus constant voor dat die “interne zee” stabiel blijft.
1
, 1.3.2: Belangrijke eigenschappen van water
Water heeft een aantal speciale eigenschappen die leven mogelijk maken.
1: Water is een uitstekend oplosmiddel
Een oplosmiddel is een vloeistof waarin andere stoffen oplossen.
Water kan veel stoffen oplossen, maar niet alles
Stoffen die oplossen noemen we hydrofiel (waterminnend)
Stoffen die niet oplossen noemen we hydrofoob (waterafstotend), zoals
vetten en olie
Waarom lost zout goed op in water?
Zout (NaCl) bestaat uit:
Positief geladen natriumionen (Na⁺)
Negatief geladen chloride-ionen (Cl⁻)
Water is een polair molecuul (heeft een positieve en
negatieve kant).
Daardoor:
De negatieve kant van water trekt positieve ionen aan
De positieve kant trekt negatieve ionen aan
Watermoleculen vormen een soort “watermantel” rond de ionen
Daardoor blijven de ionen opgelost en vormen ze geen kristal meer
Daarom lost zout goed op in water.
Waarom lost olie niet op?
Olie is apolair (geen positieve of negatieve kant).
Water kan er geen binding mee maken → olie blijft drijven.
2: Water is vloeibaar bij lichaamstemperatuur
Water is vloeibaar tussen 0°C en 100°C.
Dat is belangrijk omdat:
Vloeistof kan stromen
Stoffen kunnen getransporteerd worden
In onze cellen kunnen stoffen zich verplaatsen
Bloed (dat grotendeels uit water bestaat) vervoert zuurstof,
voedingsstoffen en afvalstoffen (zoals CO₂)
Zonder vloeibaar water zou transport in het lichaam onmogelijk zijn.
2
, 3: Water kan veel warmte opnemen en vasthouden
Water kan veel warmte absorberen zonder sterk in temperatuur te stijgen.
Dit betekent:
Onze lichaamstemperatuur blijft stabiel
Kleine veranderingen in omgeving of stofwisseling zorgen niet meteen voor
grote temperatuurverschillen
Water werkt als een soort temperatuurbuffer
Dat beschermt onze organen.
4: Verdamping van water kost energie (koelt af)
Om water te laten verdampen (vloeistof → gas), is veel energie nodig.
Die energie wordt onttrokken aan het lichaam → afkoeling.
Voorbeelden:
Zweten bij mensen
Hijgen bij dieren
Wanneer zweet verdampt:
Wordt warmte uit het lichaam gehaald
Koelt het bloed in de huid af
Daalt de lichaamstemperatuur
Daarom voelt je huid soms koel aan, ook al heb je het warm.
5: Water neemt deel aan chemische reacties
Water is niet alleen een oplosmiddel, maar doet ook actief mee aan reacties.
Belangrijke reacties:
Hydrolyse
Grote moleculen worden gesplitst
Water wordt gebruikt om bindingen te breken
Dehydratiesynthese
Kleine moleculen worden aan elkaar gekoppeld
Er wordt water gevormd
Veel reacties in ons lichaam (bijvoorbeeld bij eiwitten, vetten en koolhydraten)
gebeuren op deze manier.
1.3.3: De bouw van een watermolecule
3