PARASITOLOGIE
2025-2026
,INLEIDING
Anti-parasitaire middelen maken groot deel uit vd medicijnen markt (1/4 vd diergeneesmiddelenmarkt;
bijna alle organismen kunnen geïnfecteerd worden door een parasiet)
Wat is een parasiet? = iemand die mee-eet aan de tafel van een ander => bijna 60-70 vd organismen op
aarde voldoen aan de term parasiet
Symbiose: 2 organismen leven in elkaars omgeving: parasitisme (1 heeft nadeel en andere voordeel),
commensalisme (1 een voordeel en ander neutraal), mutualisme (beide hebben voordeel)
Niet symbiose: als ze niet in contact komen met elkaar maar wel invloed hebben op elkaar door bv
voedsel weg te nemen
Effect van parasitaire infectie is niet altijd zwart-wit verhaal:
Dieren die we nu kennen zijn ontstaan in aanwezigheid van parasieten => weinig dieren hebben veel last
van deze parasieten
Waarom wil je een parasiet worden? => waarom hebben de organismen bepaald om een andere
levenswijze aan te gaan; brengt veel voordelen met zich mee
- Bescherming tegen uitdroging: continu beschermd tegen buitenwereld (schommelingen in temp,
droogte, nutriënten...) in darm heb je deze fluctuaties niet (het dier reguleert het)
- Constante beschikbaarheid van nutriënten: je moet zelf geen voedsel zoeken, je eet mee met het
dier (het dier gaat voldoende eten voor jou)
- Afwezigheid van predatoren: er gaan geen parasieten parasiteren op een andere parasiet, er kan
wel competitie zijn voor een ander nutriënt
Soorten met ** zijn van zeer groot parasitair belang.
Soorten met * zijn van groot parasitair belang.
Soorten zonder * kunnen soms van belang zijn en/of hebben een beperkte verspreiding.
=> examen: 5 open vragen: eerste 2 op 20 over soorten met ** + 2 bijvragen over **/* (10 punten) + 1 vraag
over zonder ster (10 punten)
1
,H1: PROTOZOA
INLEIDING
Grote gevarieerde dierengroep: miljoenen soorten
+/- 66 000 soorten beschreven (sinds ontdekking door Antoni van Leeuwenhoeck) (meeste zijn vrijlevende
organismen)
Symbiogenese:
- Eukaryote cel met kern heeft stuk
prokaryoot opgenomen => is erin blijven
leven => is belangrijk geworden voor E
- Chloroplast is afkomstig van
fotosynthetische prokaryoten (kunnen zonlicht gebruiken voor ATP) => kunnen ook opgenomen
worden door eukaryoot => kunnen oiv van zonlicht energie produceren
Protista:
Protophyta
o Autotroof: zelf E maken door zonlicht
o Eencelligen en meercelligen
o Energie + CO2 + H2O → Suikers + O2
Protozoa
o Heterotroof: nutriënten opnemen uit omgeving (uit het water en gh)
o Eencelligen
o Suikers/Vetten/Eiwitten + O2 → ATP + CO2
Parasitaire Protozoa zijn in kleiner aantal, maar belangrijke rol als ziekteverwekker
- Malaria: 1 vd belangrijkste humane ziekten
- Trypanosomen: verhinderen dat grote gedeelten van Afrika voor veeteelt bruikbaar zijn
- Coccidiose: economisch belangrijke ziekte bij herkauwers en pluimvee
- Cryptosporidium: 1 vd meest voorkomende oorzaken kalverdiarree + zoönose => regelmatig
uitbraken humane cryptosporidiose
- Giaridia: infectieuze oorzaak diarree pups en kittens
- Babesiose en leishmaniose: parasitaire importziekten
MORFOLOGIE
- Eencellige organismen (microscopische afmetingen)
- Constante celvorm (ovaal, langwerpig of sferisch)
o Kan bij sommige soorten veranderen naargelang leeftijd of omgeving
- Zelfstandig organisme: verricht alle fundamentele levensfuncties (prikkelwaarneming,
stofwisseling, groei, voortplanting)
o Metazoa: afh van andere cellen voor deel vd levensfuncties
- Eukaryoten: (kern omgeven door membraan)
o bacteriën: prokaryoot (DNA verspreid in cytoplasma)
o Meestal 1 kern aanwezig
▪ Bij sommige soorten 2 (Ciliophora) tot meerdere in 1 cytoplasmatische eenheid
2
, - Kunnen zich allemaal voortbewegen
o Vaak dankzij glijmechanisme => geen bijzondere organellen nodig
o Anderen hebben bewegingsorganellen van blijvende (flagellen, ciliën) (vooral waterige
omgeving) of tijdelijke aard (pseudopodia) (= tijdelijke uitstulpingen vh cytoplasma) (voor
tssn cellen en structuren door te bewegen)
▪ Inwendige structuur van flagellen en ciliën is hetzelfde (axoneem met
microtubuli)
▪ Vaak zijn deze organellen ook voor andere functies
- Velen produceren resistente cysten of sporen => kunnen overleven in ongunstige
omstandigheden en verspreiding vergemakkelijkt
Die ene cel heeft verschillende zaken nodig om alle functies uit te kunnen voeren
o Voortbeweging
o Voeding
o (Respiratie)
o Osmoregulatie
VOORTPLANTING
Ongeslachtelijk &/ geslachtelijk
Ongeslachtelijke voortplanting:
- Eenvoudige celdeling: er ontstaan 2/meerdere dochtercellen
- Eenvoudigste type tweedeling:
o 1 cel wordt 2 cellen: celkern splits => parasiet gaat
overlangs in 2 delen splitsen => 2 genetisch identieke
dochtercellen (genetisch identiek aan moeder)
o Bij meeste flagellaten: deling verloopt volgens lengteas
o Bij meeste ciliaten: dwarsdeling
- Multiple deling = merogonie: moedercel wordt in 2 dochtercellen opgedeeld (merozoïeten)
o Moedercel splitst in meerdere cellen
o Kan in de vorm van endodyogenie, schizogonie of
endopolygenie verlopen
o Oorspronkelijke vorm: endodyogenie en endopolygenie:
uit de moedercel ontstaan twee (endodyogenie) of
meerdere (endopolygenie) dochtercellen door inwendige
knopvorming
▪ Endodyogenie: 1 moeder naar 2 dochter (eerder
tweedeling)
▪ Endopolygenie: knopvorming van de kern => keer
op keer splitst een dochtercel af
o Schizogonie: eerst kernvermeerdering in moedercel, dan
valt de moedercel in korte tijd, door simultane deling in
een met het kernaantal overeenkomend aantal
dochtercellen, uiteen
▪ Kern moeder gaat paar keer opsplitsen => dan
gaat cytoplasma delen zodat er een dochter afsplitst met een kern
▪ Moedercel: schizont
3
2025-2026
,INLEIDING
Anti-parasitaire middelen maken groot deel uit vd medicijnen markt (1/4 vd diergeneesmiddelenmarkt;
bijna alle organismen kunnen geïnfecteerd worden door een parasiet)
Wat is een parasiet? = iemand die mee-eet aan de tafel van een ander => bijna 60-70 vd organismen op
aarde voldoen aan de term parasiet
Symbiose: 2 organismen leven in elkaars omgeving: parasitisme (1 heeft nadeel en andere voordeel),
commensalisme (1 een voordeel en ander neutraal), mutualisme (beide hebben voordeel)
Niet symbiose: als ze niet in contact komen met elkaar maar wel invloed hebben op elkaar door bv
voedsel weg te nemen
Effect van parasitaire infectie is niet altijd zwart-wit verhaal:
Dieren die we nu kennen zijn ontstaan in aanwezigheid van parasieten => weinig dieren hebben veel last
van deze parasieten
Waarom wil je een parasiet worden? => waarom hebben de organismen bepaald om een andere
levenswijze aan te gaan; brengt veel voordelen met zich mee
- Bescherming tegen uitdroging: continu beschermd tegen buitenwereld (schommelingen in temp,
droogte, nutriënten...) in darm heb je deze fluctuaties niet (het dier reguleert het)
- Constante beschikbaarheid van nutriënten: je moet zelf geen voedsel zoeken, je eet mee met het
dier (het dier gaat voldoende eten voor jou)
- Afwezigheid van predatoren: er gaan geen parasieten parasiteren op een andere parasiet, er kan
wel competitie zijn voor een ander nutriënt
Soorten met ** zijn van zeer groot parasitair belang.
Soorten met * zijn van groot parasitair belang.
Soorten zonder * kunnen soms van belang zijn en/of hebben een beperkte verspreiding.
=> examen: 5 open vragen: eerste 2 op 20 over soorten met ** + 2 bijvragen over **/* (10 punten) + 1 vraag
over zonder ster (10 punten)
1
,H1: PROTOZOA
INLEIDING
Grote gevarieerde dierengroep: miljoenen soorten
+/- 66 000 soorten beschreven (sinds ontdekking door Antoni van Leeuwenhoeck) (meeste zijn vrijlevende
organismen)
Symbiogenese:
- Eukaryote cel met kern heeft stuk
prokaryoot opgenomen => is erin blijven
leven => is belangrijk geworden voor E
- Chloroplast is afkomstig van
fotosynthetische prokaryoten (kunnen zonlicht gebruiken voor ATP) => kunnen ook opgenomen
worden door eukaryoot => kunnen oiv van zonlicht energie produceren
Protista:
Protophyta
o Autotroof: zelf E maken door zonlicht
o Eencelligen en meercelligen
o Energie + CO2 + H2O → Suikers + O2
Protozoa
o Heterotroof: nutriënten opnemen uit omgeving (uit het water en gh)
o Eencelligen
o Suikers/Vetten/Eiwitten + O2 → ATP + CO2
Parasitaire Protozoa zijn in kleiner aantal, maar belangrijke rol als ziekteverwekker
- Malaria: 1 vd belangrijkste humane ziekten
- Trypanosomen: verhinderen dat grote gedeelten van Afrika voor veeteelt bruikbaar zijn
- Coccidiose: economisch belangrijke ziekte bij herkauwers en pluimvee
- Cryptosporidium: 1 vd meest voorkomende oorzaken kalverdiarree + zoönose => regelmatig
uitbraken humane cryptosporidiose
- Giaridia: infectieuze oorzaak diarree pups en kittens
- Babesiose en leishmaniose: parasitaire importziekten
MORFOLOGIE
- Eencellige organismen (microscopische afmetingen)
- Constante celvorm (ovaal, langwerpig of sferisch)
o Kan bij sommige soorten veranderen naargelang leeftijd of omgeving
- Zelfstandig organisme: verricht alle fundamentele levensfuncties (prikkelwaarneming,
stofwisseling, groei, voortplanting)
o Metazoa: afh van andere cellen voor deel vd levensfuncties
- Eukaryoten: (kern omgeven door membraan)
o bacteriën: prokaryoot (DNA verspreid in cytoplasma)
o Meestal 1 kern aanwezig
▪ Bij sommige soorten 2 (Ciliophora) tot meerdere in 1 cytoplasmatische eenheid
2
, - Kunnen zich allemaal voortbewegen
o Vaak dankzij glijmechanisme => geen bijzondere organellen nodig
o Anderen hebben bewegingsorganellen van blijvende (flagellen, ciliën) (vooral waterige
omgeving) of tijdelijke aard (pseudopodia) (= tijdelijke uitstulpingen vh cytoplasma) (voor
tssn cellen en structuren door te bewegen)
▪ Inwendige structuur van flagellen en ciliën is hetzelfde (axoneem met
microtubuli)
▪ Vaak zijn deze organellen ook voor andere functies
- Velen produceren resistente cysten of sporen => kunnen overleven in ongunstige
omstandigheden en verspreiding vergemakkelijkt
Die ene cel heeft verschillende zaken nodig om alle functies uit te kunnen voeren
o Voortbeweging
o Voeding
o (Respiratie)
o Osmoregulatie
VOORTPLANTING
Ongeslachtelijk &/ geslachtelijk
Ongeslachtelijke voortplanting:
- Eenvoudige celdeling: er ontstaan 2/meerdere dochtercellen
- Eenvoudigste type tweedeling:
o 1 cel wordt 2 cellen: celkern splits => parasiet gaat
overlangs in 2 delen splitsen => 2 genetisch identieke
dochtercellen (genetisch identiek aan moeder)
o Bij meeste flagellaten: deling verloopt volgens lengteas
o Bij meeste ciliaten: dwarsdeling
- Multiple deling = merogonie: moedercel wordt in 2 dochtercellen opgedeeld (merozoïeten)
o Moedercel splitst in meerdere cellen
o Kan in de vorm van endodyogenie, schizogonie of
endopolygenie verlopen
o Oorspronkelijke vorm: endodyogenie en endopolygenie:
uit de moedercel ontstaan twee (endodyogenie) of
meerdere (endopolygenie) dochtercellen door inwendige
knopvorming
▪ Endodyogenie: 1 moeder naar 2 dochter (eerder
tweedeling)
▪ Endopolygenie: knopvorming van de kern => keer
op keer splitst een dochtercel af
o Schizogonie: eerst kernvermeerdering in moedercel, dan
valt de moedercel in korte tijd, door simultane deling in
een met het kernaantal overeenkomend aantal
dochtercellen, uiteen
▪ Kern moeder gaat paar keer opsplitsen => dan
gaat cytoplasma delen zodat er een dochter afsplitst met een kern
▪ Moedercel: schizont
3