Bachelor Psychologie
Vrije Universiteit Brussel
Bachelor Psychologie
BIOLOGISHCE
PSYCHOLOGIE II: Functies
Prof. Dr. Elien Heleven
Academiejaar 2025-2026
KLINISCHE PSYCHIATRIE
Samenvatting door Sara Vanderwegen
Samenvatting door Sara Vanderwegen
Prof. Dr. Dirk Van West
Academiejaar 2025-2026
Samenvatting SDVW 1
,Inleiding
1) Structuren en functies
- Biologische psychologie 1 (voorkennis):
o Evolutie en gedragsgenetica: overerfbaar DNA (eiwitten) → fysieke
structuren → gedrag
▪ vb. heritabiliteit IQ geschat op 50% (en dus 50% omgeving)
o Kennis over deze keten is belangrijk:
▪ Ingrijpen op lichaam -> Psyche / gedrag veranderen (vb: medicatie)
▪ Bepaalde denkprocessen is gelinkt aan fysieke reacties (vb:
breinactivatie in bepaalde regio gelinkt aan bepaald gedrag of
denkprocessen)
o Micro- en macrostructuur van het zenuwstelsel
▪ Macrostructuur = centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) en
het perifere zenuwstelsel (zenuwen i/h lichaam)
▪ Microstructuur = neuronen en gliacellen (steuncellen)
▪ Elke entiteit staat niet alleen, maar een soort netwerk en samenhang
• Gedrag is niet gelinkt aan 1 entiteit, vaak samenhang van alles
▪ Kan samenwerken met andere processen, maar worden niet
behandeld
o Belangrijkste onderzoeksmethoden
- Biologische psychologie II: functies
(= Toepassing van kennis uit Bio psych I)
o Inzoomen op processen in specifieke deelstructuren
▪ Zintuigen: meest basale psychische functies
• Basis van menselijk gedrag
▪ Motoriek: bijna alle gedrag is motorisch van aard (vb: spreken)
▪ Slaap en biologische ritmes: beïnvloedt globale toestand v/d psyche
▪ Stress
o Uitermate breed en gespecialiseerd vakgebied; kennis verandert voortdurend
▪ Algemeen over belangrijkste functies, dieper ingaan op specifieke
aspecten ter illustratie (e.g. zicht)
o Belang van netwerkstructuren in psyche <> functies hebben locatie i/h brein
▪ Alle gedragingen komen voort uit netwerkstructuren
▪ Wij gaan wel focussen op specifieke locaties en functies hieraan linken
(gaat in tegen het idee van dat alles 1 geheel is)
Samenvatting SDVW 2
,Netwerkstructuren
Informatie wordt doorgestuurd via netwerkstructuren
→ = basis netwerkstructuur
- Neuron A stuurt info via axon, overheen de synaps, naar dendrieten van neuron B;
basic netwerk
o Neuron B stuurt op zich deze informatie weer verder
- + = exciterende invloed
o Informatie die wordt doorgegeven heeft exciterende invloed; zorgt voor meer
activatie (info van A zorgt voor activatie van neuron B)
o Belangrijk voor doorzenden van informatie
- Basistoestand neuronen is extreem negatief; kortstondig positief dan actiepotentiaal;
Alles of niets
o Veel exciterende informatie nodig om axon te activeren = actiepotentiaal
(hoeveelheid nodig voor activatie)
o Alles of niets = heel lang niet actief, tot op voldoende info, en dan wel
activatie
- Negatief in rusttoestand kost energie, maar onderdrukt ruis: actiepotentiaal dat niet
bedoelt was, wordt niet verder doorgegeven
o Zo wordt énkel de juiste informatie doorgegeven
= een eenvoudige keten van neuronen
- Convergentie: Aantal neuronen daalt
o Informatie uit verschillende
neuronen/informatiebronnen worden allemaal naar
eenzelfde neuron gestuurd; informatie wordt
gecombineerd tot 1 geheel
o Kwantitatieve integratie = gemeenschappelijke evidentie voor zelfde info
▪ Gemeenschappelijke evidentie wordt hieruit gehaald
▪ Informatie die allemaal evidentie geeft voor hetzelfde
• Meerdere bronnen leveren dezelfde soort informatie
▪ Vb.: fotoreceptoren bij schemering
• Meerdere fotoreceptoren vuren tegelijk bij schemering →
grotere kans dat het brein correct registreert dat er licht is.
o Kwalitatieve integratie = verschillende soorten info bundelen
▪ Wanneer verschillende typen informatie wordt gecombineerd om tot
iets nieuws te komen
▪ Vb.: fotoreceptor + oogbeweging = waar is object
• Lichtinformatie wordt gecombineerd met eigen oogbewegingen
om een object te kunnen lokaliseren
Samenvatting SDVW 3
, - Herverdeling van informatie:
o Meerdere neuronen sturen hun signalen naar meerdere
andere neuronen
o Er ontstaan kruisende verbindingen: één input kan
meerdere outputs beïnvloeden en omgekeerd
o Het is een manier waarop het zenuwstelsel informatie
verspreidt en vermengt
- Divergentie: Het aantal neuronen stijgt
o 1 neuron stuurt zijn signaal door naar meerder andere
neuronen
▪ Informatie wordt verspreid naar verschillende
nieuwe bronnen
▪ Informatie wordt verdeeld en verspreid
o Opsplitsen: 1 signaal naar verschillende hersenengebieden of functies tegelijk
▪ vb.: info moet naar Cerebellum en Cortex
• Informatie wordt niet op 1 enkele plek verwerkt
o Versterken: vb.: een neuron die volledige spiergroep doet bewegen
Netwerkstructuren: feedback
Minimaliseren van ruis
- Niet enkel informatie wordt doorgestuurd, maar ook
info teruggestuurd naar eerste neuron
- A stuurt info/invloed naar B (exciterend), maar ook
verspreiding van informatie/invloed ook naar
neuron C (exciterend)
o Neuron B stuurt informatie verder
o Neuron C wordt teruggezonden naar neuro A: inhiberend effect op neuron A
▪ Negatieve projectie van neuron C naar A, bemoeilijkt het vuren A,
maakt kans op temporele summatie bij B kleiner.
• Temporele summatie: Temporeel = op dat tijdstip. Summatie =
de optelsom van evidentie; deze moet hoog genoeg zijn om B
te laten vuren
▪ Door deze feedback (van C naar A inhiberend); gaat excitatie vanuit A
naar B en C kleiner worden
▪ Vermindert ruis: informatie van A moet veel evidentie geven (moet zo
sterk zijn) dat ze kan opbotsen tegen inhibitie van C; enkel informatie
die sterk genoeg is kan voldoende doorgestuurd worden naar B
• (B zal waarschijnlijk ook info van andere neuronen moeten
krijgen om tot vuren te komen.)
Samenvatting SDVW 4