SPRAAK: THERAPIE - OEFENBUNDEL 1 (OC1)
Leerdoelen:
Na deze oefenreeks ben je in staat om:
- het therapeutisch kader van herstelmechanismen en gedragsinterventies te
herkennen in een therapiesituatie met een persoon met een MSS.
- motorische leerprincipes in therapie bij MSS te begrijpen en toe te passen
Benodigdheden:
1. Cursus (hoofdstuk 2)
2. Artikel Feiken et al. (2015). Neurale herstelmechanismen en herstel op
gedragsniveau: therapeutische implicaties bij spraak- en taalstoornissen na een
hersenletsel. Stem-, Spraak- en Taalpathologie, 20, 198-215.
3. Pen en papier
TOPIC 1: NEURALE HERSTELMECHANISMEN EN GEDRAGSINTERVENTIE
We bekijken samen therapiefragmenten. Daarna worden er groepen van twee/drie
studenten gemaakt om vragen te beantwoorden. Gebruik gerust de onderstaande tabel 3 als
hulp.
, Spraak: therapie – verworven motorische spraakstoornissen - oefencollege 1
OEFENING 1:
Inleiding
Medische gegevens: een 57-jarige man werd op dinsdag 11 februari 2020
opgenomen op de spoedafdeling van het ziekenhuis met acute spraakmoeilijkheden
en een rechter hemiparese. Een CT-scan van de hersenen sloot de aanwezigheid van
een hemorragisch CVA uit. Een MRI-scan van de hersenen (d.d. 12/02/2020)
objectiveert een ischemisch CVA in de linker fronto-insulaire regio. Deze man is goed
bij bewustzijn en medisch stabiel maar het spreken blijft beperkt tot enkele pogingen
en uitingen van klanken.
Logopedische gegevens: De logopedist onderzocht op dag 2 post onset de
spraakmoeilijkheden en kwam tot de volgende bevindingen:
a. Screening van de taalvaardigheden aan de hand van de FAST levert normale
bevindingen op ten aanzien van het taalbegrip (auditief en leesinhoudelijk).
De mondelinge taalproductie blijft beperkt tot enkele spreekpogingen (visueel
en auditief zoekgedrag, initiëringsmoeilijkheden) en het maken van enkele
responsen zoals /ja/, /mm/, /nou/ in opgelegde taaltaken (spontane taal op
basis van een situatieplaat, woordvlotheid). De geschreven taalproductie
kenmerkt zich door enkele schrijfpogingen en gekriebel (spontaan schrijven
aan de hand van een situatieplaat).
b. Aanvullend onderzoek: 1) het naspreken van klanken, korte woorden en
zinnen manifesteert zich in auditief en visueel zoekgedrag, enkele pogingen
tot het uiten van klanken, 2) het kopiëren van letters en woorden en het
schrijven op dictaat van klanken en woorden resulteren in dezelfde
symptomatologie: schrijfpogingen, onherkenbaar gekriebel, 3) automatische
reeksen (tellen en dagen van de week) kunnen het spreken deblokkeren.
c. Het uitvoeren van mondbewegingen zoals lippen spreiden, tong uitsteken en
lippen tuiten resulteert in hetzelfde oraal-motorisch zoekgedrag. Na imitatie
verbetert de uitvoering en lukt het incidenteel om de volledige beweging te
volbrengen.
d. Besluit: de logopediste vermoed de aanwezigheid van een ernstige
spraakapraxie, orale apraxie en een schrijfapraxie. De communicatie is ernstig
gestoord tot quasi onmogelijk. De partner maakt zich ernstige zorgen.