VRAAG 1: MAAK SCHEMATISCHE WEERGAVE VAN DE NEUROANATOMISCHE INTEGRATIE
Zie p.431
VRAAG 2: LEG KORT UIT (IN ENKELE ZINNEN) WAARVOOR DE FRONO-LIMBISCHE
CIRCUITS STAAN
1. Dienen voor de drive of motivatie om van perceptie over te gaan naar actie
2. Mogelijkheid om de buitenwereld van de neocortex af te stemmen op binnenwereld van de
instinctieve hersenen
3. Mogelijkheid om strategische keuzes te maken en doelgericht gedrag te ontwikkelen
VRAAG 3: LEG KORT UIT (IN ENKELE ZINNEN) WAARBOOR DE FRONTO-STRIATALE
CIRCUITS STAAN
1. Flexibiliteit bij veranderingen in omgevingsomstandigheden
2. Mogelijkheid om te leren uit ervaringen
3. Aandacht en gedrag moduleren
4. Bewuste probleemoplossing kan het overnemen wanneer automatische procedurale verwerking niet
werkt
5. Verwerven van gewoonten
VRAAG 4: DE CEREBRALE CORTEX IS CONCEPTUEEL HIËRARCHISCH GEORGANISEERD.
LEG KORT UIT EN TOON AAN HOE WE DIT IN DE KLINISCHE SYMPTOMEN ZIEN PER
FUNCTIEDOMEIN (DEZE VOORBEELDEN KAN JE PAS GEVEN ALS WE DE KLINISCHE
LESSEN HEBBEN BESPROKEN)
Dit wil zeggen dat er van laag naar hoog in die gebieden een primair, secundair en tertiair niveau kan
onderscheiden worden. Er is een hiërarchische organisatie met afnemende modaliteitsspecificiteit en
toenemende hogere-orde en multimodale integratie
o Modaliteitsspecifieke unimodale primaire projectiegebieden: gebieden die elementaire
afferent zintuiglijke sensaties verwerken
o Modaliteitsspecifieke unimodale secundaire gebieden: hier ontstaan geïntegreerde
betekenisvolle waarnemingen binnen eenzelfde zintuigmodaliteit
o Modaliteitsspecifieke unimodale tertiaire gebieden: de verwerkte geïntegreerde
waarnemingen van elk van de zintuigen kunnen worden gecombineerd, vergeleken en met
elkaar in verband worden gebracht
1
, HOOFDSTUK 21: NEURO-ANTROPOGENESE
Van dit hoofdstuk moeten we enkel de vragen van ‘studietips’ vanbuiten kennen!!
VRAAG 1: WAT ZIJN PREADAPTATIES EN WELKE ROL SPELEN ZE IN DE ANTROPOGENESE?
Arboreale preadaptaties zijn geërfde eigenschappen uit de tijd dat de primaten in de bomen leefden.
Deze hebben geleid tot een aantal ontwikkelingen die fundamenteel belangrijk waren voor de
hominiden om te kunnen overleven: (antropogenese = ontstaan en ontwikkeling van de mens)
o Rechtopstaande gang werd mogelijk door anatomische veranderingen in lichaamsbouw
o Functionele opponeerbare duim die vrij kon bewegen en in oppositie stond t.o.v. andere
vingers
o Primaat werd jager-verzamelaar
o Eerst voorwerpen grijpen en ze dan pas manipuleren?
VRAAG 2: WELKE FACTOREN MAAKTEN DE WEG OPEN VOOR EEN STERKE SELECTIEDRUK
NAAR EEN GROTE HERSENONTWIKKELING?
Jacht: complexe coördinatie tussen de jagende individuen
Wijziging dieet: voldoende energierijke voedingsstoffen van dierlijke oorsprong, vlees + vet ook goed
=> later vuur dus koken werd mogelijk
Leven in sociale groepen
Door rechtopstaand lopen kwamen de handen vrij => werktuigen, opponeerbare duim om te
manipuleren
Grotere hersenen, groter hoofd => moeilijke bevalling
VRAAG 3: NOEM ENKELE GEDRAGSFUNCTIES DIE ZICH STERK HEBBEN GEMANIFESTEERD
TIJDENS HET PROCES VAN MENSWORDING
Hanteren van werktuigen en ontwikkeling van praxis
Taal en communicatie
Theory of mind
Leervermogen
Werkgeheugen
Sociale cognitie
Patternicity (betekenisvolle patronen vinden) en rationalisatie
2