Menselijke fysiologie – CH15 Blood flow
Inhoudstafel
1. Inleiding .............................................................................................................................1
2. De bloedvaten ....................................................................................................................1
3. Soorten bloedvaten ...........................................................................................................3
4. De microcirculatie ..............................................................................................................4
5. Capillairen: uitwisseling .....................................................................................................5
6. Snelheid bloed ...................................................................................................................6
7. Angiogenese en vasculogenese .........................................................................................7
8. Bloeddruk ...........................................................................................................................7
9. Overzichtje druk, stroom en weerstand ............................................................................8
10. Bloeddruk meten ...........................................................................................................8
11. Pulse pressure en gemiddelde arteriële druk (Mean arterial pressure MAP) ...............9
12. Druk in de systemische circulatie...................................................................................9
13. Cardiac output en weerstand bepalen de MAP .......................................................... 10
14. Beïnvloedende factoren .............................................................................................. 11
15. Beoordeling bloeddruk ............................................................................................... 12
16. Coltrole van de bloeddruk .......................................................................................... 12
17. Controle van de weerstand ......................................................................................... 13
18. Tonische controle van arteriolaire diameter............................................................... 15
19. Factoren die de perifere bloedstroom beïnvloeden ................................................... 16
20. Bloeddistributie (bloedverdeling) ............................................................................... 17
21. De bloeddistributie is variabel .................................................................................... 17
22. Bloedstroom door vezels ............................................................................................ 17
23. Regulatie van de cardiovasculaire functie .................................................................. 18
24. Baroreceptorreflex bij stijging van de bloeddruk ....................................................... 19
25. Voorbeeld.................................................................................................................... 20
26. Orthostatische hypotensie .......................................................................................... 21
27. Vasovagale syncope (= flauwvallen) ........................................................................... 21
28. Filtratie en absorptie: capillaire uitwisseling .............................................................. 21
29. Structuur van het lymfesysteem ................................................................................. 23
,
, lOMoARcPSD|64256483
Menselijke fysiologie: H15 – Blood flow
BLOEDSTROOM EN DE REGULATIE VAN DE BLOEDDRUK
1. Inleiding
In dit hoofdstuk:
▪ De bloedvaten
▪ De bloeddruk (hoe het allemaal geregeld wordt en uitwisseling ter hoogte van de capilairen:
filtratie en absorptie)
▪ Weerstand in de arteriolen
▪ Verdeling van bloed naar de weefsels
▪ Regulatie van de cardiovasculaire functie
▪ Uitwisseling in de capillairen
▪ Het lymfestelsel
▪ Hart- en vaatziekten
2. De bloedvaten
De arteriën aan de ene kant en de venen aan de andere kant.
Speciaal aan de (grote) venen: In de venen bevinden zich kleppen. Omdat de bloeddruk in de venen
laag is, voorkomen deze kleppen dat het bloed terugstroomt in de verkeerde richting. Hierdoor blijft de
bloedstroom een eenrichtingsverkeer.
1
, lOMoARcPSD|64256483
We beginnen bij het rechter atrium, het bloed stroomt naar de rechter ventrikel. Via de pulmonalisklep
komt het bloed in de pulmonale arterie.
Daarna stroomt het bloed naar de capillairen ter hoogte van de longen, waar zich stofuitwisseling
plaatsvindt (opname van zuurstof en afgifte van CO2).
Vervolgens gaat het bloed via de pulmonale venen naar de linker atrium terech, en via de mitralisklep
naar de linker ventrikel.
Vanuit de linker ventrikel gaat het bloed via de aortaklep naar de aorta.
▪ Wanneer bloed in de aorta wordt gepompt, stijgt de druk en rekken de wanden uit (tot aan de
stippellijn). Verhoogde druk.
▪ Wanneer het hart ontspant, daalt de druk, en de aorta veert terug naar haar oorspronkelijke
vorm.
▪ Deze elastische terugvering zorgt ervoor dat de bloedstroom blijft doorgaan, zelf wanneer het
hart niet actief pompt.
Daarom fungeert de aorta (en de grote arteriën) als een drukreservoir. Er blijft altijd druk aanwezig.
Daarna bereikt het bloed de arteriolen. Hier zijn er bankschroeven aanwezig. Die beïnvloeden de
diameter van de artriolen.
2