Menselijke fysiologie – CH14 cardiovascular physiol
Inhoudstafel
1. Inleiding .................................................................................................................................1
2. Het cardiovasculair systeem ..................................................................................................1
3. Hydrostatische druk ...............................................................................................................2
4. Drukverandering ....................................................................................................................3
5. Drukverschil............................................................................................................................4
6. Weerstand R ...........................................................................................................................5
7. Wet van Poiseuille ..................................................................................................................5
8. Resistance Opposes Flow (weerstand werkt stroming tegen) ...............................................6
9. Flow rate VS velocity of flow ..................................................................................................6
10. Het hart ................................................................................................................................7
11. Structuur van het hart ....................................................................................................... 10
12. Hartspier VS skeletspier .................................................................................................... 10
13. Contractie en relaxatie van hartspierweefsel ................................................................... 11
14. Het actiepotentiaal............................................................................................................ 13
15. Autoritmische cellen ......................................................................................................... 15
16. De elektrische activiteit van het hart ................................................................................ 16
17. Hartcontractie (systole) en relaxatie (diastole) ................................................................. 17
18. De linker ventrikel ............................................................................................................. 18
19. De Wiggers diagram .......................................................................................................... 19
20. Controle van onze hartfrequentie ..................................................................................... 19
,
, lOMoARcPSD|64256483
Menselijke fysiologie: H14 – cardiovasculair physiol
CARDIOVACULAIR SYSTEEM
1. Inleiding
Het menselijk lichaam bevat verschillende systemen:
▪ Endocrien stelsel
▪ Voortplantingssysteem (seks organen, hormonen)
▪ Immuunsysteem (huid, bloed, lymfekliersysteem, verdedigen tegen virussen...)
▪ Urinair systeem
▪ Integumentum (huid, nagels, haar)
▪ Zenuwstelsel & Spierstelsel
▪ Bloedsomloop
▪ Cardiovasculair systeem
▪ Maagdarmstelsel
2. Het cardiovasculair systeem
Functie: Het cardiovasculair systeem zorgt voor het transport van stoffen door het lichaam, zoals O2,
CO2 en voedingstoffen. Daarnaast vervoert het ook hormonen naar de juiste doelorganen.
Verder speelt het een rol in de thermoregulatie. Tijdens inspanning wordt energie geproduceerd,
waarbij ook warmte vrijkomt. Deze warmte wordt via het bloed door het lichaam verspreid en helpt
om de lichaamstemperatuur constant te houden.
o Componenten van het cardiovasculair systeem
o HART
- Werkt als een pomp die bloed door het lichaam stuurt
- Wordt verdeeld door een septum in een linker- en rechterkant
- Kleppen zorgen voor dat het bloed in 1 richting loopt
- Het hart bestaat uit boezems (atria) en kamers (ventrikels)
- Kleppen zorgen voor scheiding tussen atria en ventrikels
- Rechterkant van het hart bevat zuurstofarm bloed, linkerkant van het hart bevat
zuurtstofrijk bloed
o BLOEDVATEN (totaal: hangt af van persoon tot persoon: kan tot 100.000 km)
- 3 soorten:
o Aders (venen) —> voeren bloed naar het hart toe
o Slagaders (arteriën) —> voeren bloed van het hart naar de organen
o Haarvaten (capillairen) —> plaats van uitwisseling van stoffen
- 2 Circulaties:
o Pulmonaire circulatie (kleine bloedsomloop): hart —> longen —> hart
o Systemische circulatie (grote bloedsomloop): hart —> lichaam —> hart
—> dit vormt een gesloten systeem (bloed blijft in de bloedvaten).
—> Kleppen zorgen voor een éénrichtingsstroming (geen terugstroming).
1
, lOMoARcPSD|64256483
o BLOED (aantal L bloed: 5 à 6 L) (afb: links = rechts)
- Bestaat uit bloedellen en plasma.
- Heeft als functie het transporteren van
gassen, voedingsstoffen en afvalstoffen.
o Belangrijk proces (bloedsomloop)
1. Zuurstofrijk (rood) bloed komt via de longvenen in het
hart.
2. Het hart pompt dit bloed via de arteriën naar het
lichaam.
3. In de haarvaten (capillairen) worden zuurstof en
voedingstoffen afgegeven & worden CO2 en
afvalstoffen opgenomen.
4. Zuurstofarm (blauw) bloed gaat via de venen terug
naar het hart.
5. In de longen wordt CO2 afgegeven & O2 opgenomen.
—> Daarna stroomt het zuurstofrijke bloed opnieuw naar het hart en herhaalt de cyclus zich.
3. Hydrostatische druk
Hydrostatische druk is de druk die een vloeistof, zoals bloed, uitoefent op de wanden van een vat, zoals
de bloedvaten.
Deze druk ontstaat doordat het hart samentrekt en bloed in de vaten pompt, waardoor er een
drijvende kracht ontstaat die het bloed door het lichaam laat stromen. Hoe dichter bij hart, hoe hoger
de druk. Naarmate het bloed verder van het hart stroomt, neemt de druk af en is ze bij de terugkeer
naar het hart bijna verwaarloosbaar.
We kunnen dit verder uitdrukken in een gemiddelde arteriële druk. Het hart veroorzaakt druk door
samentrekking, en zorgt voor een drijvende druk die het bloed vooruitstuwt. Wanneer het hart daarna
ontspant, daalt de druk. In het hart zelf wisselt de druk tussen wel of geen druk.
Achter ons hart liggen de arteriën, zoals de aorta. Deze werken als een soort drukreservoir. Ze
ontvangen eerst de grote (hoge) druk en de grote hoeveelheid bloed vanuit het hart, waardoor ze gaan
uitzetten (vasodilatatie) door die druk. Wanneer het hart stopt met samentrekken, daalt de druk, en
nemen de bloedvaten opnieuw hun normale grootte aan. De druk verdwijnt daar niet volledig, maar
neemt af.
Ter hoogt van ons hart zelf wisselt de druk sterk (wel of geen). Maar verder in ons systeem, blijft de
druk, dankzij dat drukreservoir. Er gaat altijd een gemiddelde arteriële druk aanwezig zijn.
De gemiddelde arteriële druk bepalen we door hartminuutvolume en de perifere weerstand:
▪ Gemiddelde arteriële druk = hartminuutvolume x perifere weerstand
Waarbij het hartminuutvolime gelijk is aan: hartfrequentie x slagvolume.
2
, lOMoARcPSD|64256483
b) wanneer de druk gelost wordt gaat het gene dat het dichtst bij de druk zit als eerste leeg.
Welke gaat eerst leeglopen? Dit is het verloop hoe het gaat leeglopen. Logica weerstand. Hoe
meer weerstand hoe moeilijker iets zal stromen.
Verloop van de druk in het cardiovasculair systeem. Het hart
pompt waardoor er een druk ontstaat = cystolische druk,
bovendruk.
Hoe verder van het hart, hoe lager de druk, we spelen de druk
kwijt door de weerstand.
Druk is hoog ter hoogte van onze aorta.
4. Drukverandering
We bevinden ons in een gesloten systeem. Onder normalel omstandigheden verandert het volume van
het bloed bijna niet. Toch zijn er situaties waar er wel volumeveranderingen zijn. Bijvoorbeeld:
▪ Bij zware inspanningen in warme omstandigheden kan je veel zweten. Als je het verloren vocht
niet aanvult, kan dit leiden tot dehydratatie. Dehydratatie zorgt voor een daling van het
bloedvolume.
▪ Ook bij een verwonding kan er bloed verloren gaan, wat het volume vermindert
Als er in dit gesloten systeem een opening ontstaat (bijvoorbeeld bij een bloeding) en er gaat bloed
verloren, dan daalt de bloeddruk.
Omgekeerd: Als we er bloed wordt toegevoegd (bv een liter bloed), dan stijgt de bloeddruk.
Een belangrijk onderdeel van de rode bloedcellen is hemoglobine. Dit eiwit bindt zuurstof. De
belangrijkste functie van rode bloedcellen is dus het transport van zuurstof in het lichaam.
Als een sporter bijvoorbeeld geen 5 liter maar 5,5 liter bloed heeft, betekent dit dat hij meer rode
bloedcellen heeft. Daardoor kan er meer zuurstof getransporteerd worden, wat ervoor zorgt dat de
spieren beter kunnen presteren.
In het verleden hebben sommige sporter bloedtransfusies gebruikt om hun prestaties te verbeteren. Dit
kan echter ook negatieve effecten hebben, zoals een stijging van de bloeddruk.
3