De arbeid
Factoren van de baring
3 factoren zijn van belang : de 3 P’s
Passenger ( grootte, houding, ligging van baby )
Passage ( bekkenvorm en weke delen )
Power ( contracties en persdrang )
Baringskanaal
= kanaal waardoor de foetus uitgedreven wordt bij de geboorte
Beenderig baringskanaal : bepaald de beschikbare ruimte, is weinig
beïnvloedbaar ( bekkeningang , bekkenholte ,
bekkenuitgang )
Week baringskanaal : kan uitrekken ( uterus, cervix uteri, vagina,
vulva, bekkenbodemspieren, perineum )
( alle afbeeldingen ook te kennen )
Foetale caput
Anatomie van het hoofd
( afbeeldingen te kennen )
Bestaat uit
5 schedelbeenderen ( ossa frontanelia (2) , ossa parietalia (2), os
occipitale )
Gescheiden door sutura
Fontanellen
Sutura sagitalis : wordt gebruikt voor bepaling voorliggend deel
Foetale schedel is nog niet volgroeid en vervormbaar : moulage en kan
zicht zo aanpassen aan het baringskanaal
Ligging
Vertex / kruin = tussen grote en kleine fontanel, en eminentiae
pariëtalis
Sinciput / voorhoofd = tussen oogkas en kroonnaad
Occiput / achterhoofd = achter lamdanaad tot nek
Aangezicht = oogkas tot kin
Ligging = lengte-as van foetus t.o.v lengte-as uterus
1
Fysiologie van de baring
, Lengteligging ( meestal ) : lengte-as foetus ligt gelijk met die van
uterus
o Hoofdligging ( meest ) : hoofd ligt naar cervix uterus
Flexie :
Achterhoofdligging
Kruinligging
Deflexie :
Voorhoofdligging
Aangezichtsligging
o Stuitligging : stuit ligt naar cervix
Volkomen / volledige : voetjes liggen aan de stuit
Onvolkomen / onvolledige : voetjes opgetrokken naar
romp
Dwarsligging : lengte-as foetus ligt tegengesteld als die van de
uterus
Schouderligging
Rompligging
Heupligging
Uteruscontracties
Belangrijkste kracht, samen met buikpers
Verschillende te onderscheiden obv tijdstip, frequentie en intensiteit
! tijdens een contractie verminder de bloedtoevoer en zuurstoftoevoer
naar de baby tijdelijk !
Braxton hicks / zwangerschapsweeën
= activiteit van het myometrium tijdens de zs
W 7-20 trekt uterus samen met grote frequentie maar lage intensiteit
+20 w : frequentie neemt af, intensiteit neemt toe = braxton hicks
Doen geen pijn ( +. 15-20 mmHg )
Voelt aan als harde buik
Ritmisch
Vanaf w 24 vooral snachts
Voorweeën
= ( valse ) start va de arbeid
Onregelmatig laatste dagen van zs
2
Fysiologie van de baring
, Geven lichte lage rugpijn, wat onwelzijn gevoel
Kunnen opkomen en afvallen ( valse arbeid )
Evolueren en nemen toe
20-30mmHg --> 50mmHg
Ontsluitingsweeën
= echte weeën die de cervix doen ontsluiten
Regelmatig
Duur, frequentie en intensiteit neemt steeds toe
50-60 mmHG met tussen de weeën door nog een basistonus van
10mmHg
Loopt in fases
o Vermeerdering : druk in uterus stijgt
o Hoogtepunt : druk maximaal
o Vermindering = druk neemt geleidelijk af
Persweeën / uitdrijvingsweeën
= wanneer de ontsluiting volledig is, wordt de baby naar buiten gedreven
Geven gevoel van stoelgangnood
Oerdrang treed op buikpers komt er bij door de druk van het
voorliggend deel op de bekkenbodem
Persdrang :
1. Eerste persdrang : enkel op toppunt contractie, schuift
bekkenbodemspieren uit elkaar
2. Tweede persdrang : volledige contractie om foetus naar buiten te
drijven
Nageboorteweeën
= weeën die de placenta uitdrijven en losmaken
Naweeën
= weeën tijdens het post-partum
Onregelmatig
+-3 dagen
Vooral tijdens geven van bv ( oxytocine komt vrij die uterus laat
samentrekken )
Vooral bij multipara
3 soorten
o Tonische retractie
o Ritmische contractie
3
Fysiologie van de baring
, o Lactatieweeën
Begin van de arbeid
Eigenschappen van de uterus
Glad spierweefsel
Uterus bestaat uit glad spierweefsel
Niet controleerbaar, contraheert autonoom, door zenuwimpulsen of
hormonen
Altijd een zekere tonus ( spanning ) aanwezig
Korte periode met volledige spanning
Contraheert ook buiten zs, pas als de drukverhoging hoog genoeg is
in de baarmoeder, spreken we van contractie
Vergelijking met andere spieren
Langzamer maar langere samentrekking dan skeletspier
Sterker samentrekken dan dwarsgestreepte spierweefsels ( want kan
in alle richtingen contrageren )
Gap- junctions
= communicatiewegen tussen cellen waarlangs elektrische en chemische
signalen snel kunnen worden doorgegeven.
Verhoogde doorlaatbaarheid
Snel transport tussen spiercellen mogelijk
Contractie glad spierweefsel : interactie tussen myosine en actine
nodig
nodig om elektrische prikkel snel over myometrium te leiden
synchrone, krachtige samentrekking uterus
Oestrogenen
Zorgt voor gap- junctions ( progesteron gaat dit tegen )
4
Fysiologie van de baring