SIEN OMBELET
INLEIDING
Parasiet = eukaryoten (eencellig of meercellig) die zich in stand houden en
vermenigvuldigen ten koste van ander organisme waarmee wordt samengeleefd
(gastheer)
o Obligaat = afhankelijk van gastheer voor ontwikkelingscyclus kunnen
NIET overleven zonder gastheer
o Facultatief = kunnen zich als parasiet gedragen maar ook overleven en
voortplanten in omgeving kunnen WEL overleven zonder gastheer
o Indeling volgens compartiment
Bloedparasieten
Diagnose: bloeduitstrijkje
Systemische symptomen ernstige ziekte
GI-parasieten
Diagnose: stoelgang (parasiet zelf, eieren, cysten)
Meest voorkomend
Soms invasieve fase: toch in bloedbaan
Weefselparasieten
Diagnose: serologie, biopt, pus, lumbaal vocht
Moeilijk op te sporen!
Andere
Genitaal, urinair, respiratoir
o Ectoparasiet = enkel op buitenkant van gastheer
Arthropoda = geleedpotigen
Luizen
Scabies
o Endoparasiet = in maagdarmkanaal, bloedbaan of weefsels van gastheer
Protozoa = eencellige parasieten
Sporediertjes (sporozoa) = niet-motiele ééncelligen
(kunnen NIET bewegen)
o Bloed malaria
o Weefsel toxoplasmose
Amoeben = levende pantoffeldiertjes die wel kunnen
bewegen
Flagellaten
o Bloed slaapziekte
Metazoa = meercellige parasieten (vb: wormen)
Wormen
o Rondwormen = nematoden
o Platwormen
, Cestoden = lintwormen
Trematoden = zuigwormen of botten
Ectoparasieten
Gastheer = organisme waarin parasiet verblijft
o Tussengastheer = draagt larven of aseksuele fase
o Eindgastheer = draagt volwassen parasiet of seksuele fase
o Het is beter eindgastheer dan tussengastheer te zijn!
Minder symptomen, want parasiet wil dat de gastheer lang genoeg
overleeft om zelf ook zo lang mogelijk te leven
Vector = brengen parasiet rechtstreeks over tussen gastheren
o Kan tussen- of eindgastheer zijn!
o Is voor de parasiet de belangrijkste gastheer!
o Vb: mug, kever
Reservoir = species (meestal wilde dieren, vee) die de pathogeen dragen maar
(vaak) niet ziek worden
TERMINOLOGIE
Trofozoïeten = geactiveerd, zich voedend stadium (Grieks trephein = voeden)
Sporozoïeten = infectieus stadium dat mens infecteert (~ sporen)
(oö)cysten = infectieus stadium met cystevorm van zygote (hierin kan de
parasiet buiten het lichaam overleven)
o Cyste als beschermlaag rond zygote van parasiet kan buiten parasiet
overlevne
o Kan men herkennen in stoelgang
DIAGNOSE
Microscopie ( bacteriologie: enkel zeggen of het gram pos of neg is)
o Expertise nodig
Serologie (aanmaak AL)
o Enkel nuttig bij ‘invasieve’ fase
Cave: niet bij alle parasiete is er AL respons!
In onze setting = diagnostisch
In tropische setting ≠ diagnostisch (vaak herhaalde infecties)
Moleculaire detectie (PCR)
o MOEILIJK (hoog staalvolume nodig)
Antigen detectie: sneltesten
Eosinofilie
o Cave: NIET bij alle parasitaire infecties (wanneer niet in bloed en weinig
immuunrespons)
BEHANDELING
Antiparasitaire middelen
o Maar: in aantal veel minder dan AB
o Cave: zijn toxischer voor mens, want doden specifiek eukaryoten die
evolutionair dichter bij mens is dan bacterie of virus
Antiparasitaire resistentie
o Bij malaria
o Bij worminfecties in dieren, nog niet bij mensen