en Organisatie
Organisatiekunde
Organisatiekunde: Wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van gedrag van
organisaties en in organisaties en wijze waarop ze bestuurd kunnen worden.
Management (proces): Optimaal doen samenwerken van mensen en middelen om een doel
te bereiken.
Manager: Persoon die sturing geeft aan processen, mensen en middelen om bepaald doel te
bereiken.
Organisatie, bedrijf en onderneming
Organisatie: Samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken.
Bedrijf: Organisatie die goederen of diensten produceert en voorziet in een
maatschappelijke behoefte.
Onderneming: Bedrijf met als belangrijkste doelstelling het maken van winst.
Profit- versus non-profitorganisaties
Profitorganisaties: Gericht op winst
Non-profitorganisaties: Gericht op maatschappelijke doelen
Organisatie en juridische vorm
Natuurlijke persoon:
- Onbeperkte aansprakelijkheid
- Personenbelasting
Rechtspersoon:
- Beperkte aansprakelijkheid
- Geen personenbelasting, maar kosten etc.
1
,H2: Strategie
Strategie
Strategie: Beschrijft langetermijndoelen van organisatie en inzet van middelen en
activiteiten om doelen te bereiken.
Strategie volgens Porter
“Concurrentiestrategie is een combinatie van einddoelen, waar een bedrijf naar streeft en
middelen (het beleid) waarmee men tracht om deze te realiseren.”
Nadruk op concurrentiepositie en op het belang zich te onderscheiden in ogen van
afnemer.
Strategie volgens Hamel en Prahalad
“Door middel van kernbekwaamheden kunnen organisaties een goede positie op de markt
innemen en concurrentievoordeel behalen.”
Drie kenmerken waaraan kernbekwaamheden moeten voldoen:
1. Moeilijk te imiteren door andere ondernemingen
2. Moet de koper voordeel verschaffen en waardevol zijn
3. Kan bekwaamheden in veel verschillende markten toepassen
Strategie volgens Mintzberg
Vijf P’s voor strategie:
1. Plan
Geeft richting en benoemt acties. (beoogde strategie)
2. Patroon
Kijkt terug en beschrijft uitgevoerde strategie. (gerealiseerde strategie)
3. Positie
Positioneert de organisatie in haar directe omgeving.
4. Perspectief
Intern vertalen in visie en organisatiedoelen.
5. Plot
Spel van zet en tegenzet van concurrenten in de markt.
Strategisch management
Systematische strategie: planmatige strategie
Intuïtieve strategie: strategie groeit via acties
2
,Strategisch management: Systematische analyse van externe en interne factoren om te
komen tot strategische beleidsopties voor het verwerven van duurzaam
concurrentievoordeel.
Inspelen op externe omgeving door gebruik te maken van interne bekwaamheden
Strategisch management in fasen:
Strategisch kloof
Strategische kloof: verschil tussen wens (doelstelling) en ongewijzigd beleid.
Valt uiteen in verbeteringskloof en vernieuwingskloof
Strategisch hiërarchie
Missie: Verklaring van bestaansreden en identiteit van de organisatie.
Visie: Ambitieus beeld van de gewenste toekomst van de organisatie.
Ambitie: Datgene wat de organisatie uiteindelijk wil realiseren.
Kernwaarden: Leidende principes, overtuigingen en drijfveren van de organisatie en haar
leden.
3
, SMART
- Specifiek
- Meetbaar
- Acceptabel
- Realistisch
- Tijdsgebonden
De omgeving van de organisatie
1. Algemene (macro-)omgeving: omgevingsfactoren waarop een organisatie geen of
beperkt invloed kan uitoefenen.
o Demografisch
o Economisch
o Sociaal-maatschappelijk
o Technologisch
o Ecologisch
o Politiek-juridisch
2. Directe omgeving
3. Organisatie
Demografische ontwikkelingen:
- Omvang van de bevolking
- Leeftijdsstructuur van de bevolking
- Samenstelling van de bevolking
Economische ontwikkeling:
- Nationaal inkomen
- Besteedbaar inkomen
- Koopkracht
- Consumentenvertrouwen
- Internationale economische ontwikkelingen
Sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen:
- Cultuur, waarden en normen
- Opleiding
- Religieuze en etnische factoren
- Leefstijl en consumentengedrag
Technologische ontwikkelingen:
- Innovatie
- Informatie- en communicatietechnologie
- Sociale media en M-commerce
- Procesinnovatie
- Productinnovatie
4