Module 1. Het waarover en hoe van de economische wetenschap
Waarover heeft de economische wetenschap het?
handboek: blz. 25-56
1. Onderwerp en invalshoek
Onderzoeksdomein (= materieel voorwerp van economie)
= individuele en sociale actie & de impact ervan op de welvaart. (definitie van Marshall)
→ economische invalshoek kan worden toegepast op onderwijs, milieu, criminaliteit, recht, …
Rechtseconomie onderzoekt hoe rechtsregels menselijk gedrag beïnvloeden en op die manier
gewenste en ongewenste maatschappelijke effecten hebben.
=> rechtsregels -> prikkels in menselijk gedrag -> (on)bedoelde effecten.
▪ Positieve rechtseconomie: verklaren en voorspellen van de maatschappelijke effecten.
→ speltheorie, kosten-baten afweging.
▪ Normatieve rechtseconomie: de maatschappelijke effecten beoordelen, toetsen aan
de sociale welvaart.
Voorbeeld: in een schoolzone mag je slechts 30 km/u rijden.
positieve rechtseconomie:
→ bedoeld effect: mensen rijden trager in de omgeving van kinderen.
→ onbedoeld effect: meer sluipverkeer in de omgeving.
+ inschatting hoe groot de effecten zullen zijn. => men heeft veelvuldige behoeften, maar moet
een keuze make omwille van de beperkte middelen (= schaarste). (definitie van Robbins) =
‘actie’.
=> middelen -> goederen en diensten -> veelvuldige behoeften
Wat produceren?
Schaarste keuze Hoe produceren?
Voor wie produceren?
DUS: Economische wetenschap bestudeert het keuzeprobleem (omwille van beperkingen) van
het individu/de groep. (gaat ervan uit dat ze rationeel handelen).
& De maatschappelijke uitkomst wordt beoordeeld vanuit welvaarsstandpunt.
Voorbeeld: de eventuele installatie van zonnepanelen is een keuze van het individu. Maar stel
dat blijkt, dat er te weinig zonnepanelen geplaatst worden, kan de overheid subsidies uitdelen.
=> individu -> keuze o.b.v. schaarste -> maatschappelijk belang
2. De economische kringloop
De economische kringloop = een interactie tussen de grote groepen economische agenten.
Economische agenten: gezinnen, ondernemingen, financiële instellingen, overheid &
buitenland. (→ al deze agenten kunnen zowel produceren als consumeren).
❖ Onderneming: productie (→ belangrijkste producent)
= het voortbrengen van goederen en diensten die op de gepaste plaats en tijd ter
beschikking worden gesteld aan de consumenten.
1
,Een onderneming koopt/levert inputs en zet deze in het productieproces om tot outputs.
- input = middelen die gebruikt worden tijdens het productieproces.
→ lopende inputs: grondstoffen, hulpstoffen (verdwijnen volledig in het productieproces).
→ productiefactoren (= productiemiddelen): arbeid, kapitaal (een deel gaat verloren in het
productieproces = depreciatie/afschrijving).
- output = verkoopbare goed/ dienst.
- Depreciatie (ook wel afschrijving genoemd) is de waardevermindering van een actief
(zoals een machine, gebouw of voertuig) over tijd. Dit gebeurt omdat activa slijten,
verouderen of technisch achterhaald raken.
In realiteit vormt de output van veel productieprocessen een lopende input van andere.
→ intermediaire goederen: outputs die andere bedrijven gebruiken als grond- of hulpstoffen.
Kapitaalgoederen (= investeringsgoederen): door de mens geproduceerde duurzame
productiemiddelen. Duurzame karakter zorgt ervoor dat slechts een klein deel van het
kapitaalgoed verloren gaat tijdens het productieproces.
Investering: aankoop/vervanging van een kapitaalgoed.
Toegevoegde waarde: verschil in waarde na het productieproces. = de waarde die
productiefactoren arbeid en kapitaal toevoegen aan grond- en hulpstoffen.
- Bruto tw/BTW: waarde output - waarde lopende inputs (vb. 3 - 2 =1)
- Netto tw/NTW: bruto tw – depreciatie = inkomen! (vb. 1 - 0.4 = 0.6)
Voorbeeld: broodjeszaak.
❖ Gezinnen: consumptie
= verwerven van goederen en diensten ter bevrediging van behoeften.
De welvaart van een maatschappij is dus afhankelijk van de behoeftebevrediging van de leden
van die samenleving. (= consumptie)
Gezinnen bieden productiefactoren aan om te sparen/consumeren, afhankelijk van hoe ze hun
inkomen gebruiken. → het vermogen bestaat uit alle goederen en financiële middelen die een
gezin bezit.
Veel consumptiegoederen verdwijnen door het gebruik ervan. Vb. eten, brandstof, …
Maar: er zijn ook duurzame consumptiegoederen. Vb. kleding, huishoudelijke toestellen, …
2
, ❖ Overheid: regulering & producent van publieke goederen
- Overheid heeft een regulerende functie: inkomensverdeling, sturen van economische
activiteit.
- Overheid is ook een producent van publieke goederen.
Voorbeeld. aanleg van wegen via belastingen.
- Sturen van economische activiteiten
❖ Financiële persoon: tussenpersoon tss economische agenten die geld uitlenen en
ontlenen.
Bijvoorbeeld. naast een arbeidsinkomen kunnen gezinnen hun spaargeld tijdelijk ter beschikking
stellen van financiële instellingen en zo ook een interest verwerven.
❖ Buitenland: import en export
Nominaal bbp: een stijging kan het gevolg
zijn van een prijs- of productiestijging.
Reëel bbp: stijging is altijd het gevolg van
een productiestijging.
(hetzelfde schema, maar iets uitgebreider)
3. Hoe welvarend zijn we?
BBP als maatstaf.
BBP (Bruto Binnenlands product): marktwaarde van alle goederen en diensten die in een land
op één jaar tijd werden geproduceerd. = prijs van een product x hoeveelheid.
BBP = pxq (hoe hoger BBP, hoe welvarender)
= p1 · q1 + p2 · q2 + … + pn · qn met p = prijs & q = aanbod van product n
MAAR: probleem van vergelijkbaarheid.
→ internationaal: productie moet gewaardeerd worden in een gemeenschappelijke munt.
→ Intertemporeel: je kan slechts vergelijking over één en hetzelfde basisjaar.
Nominaal BBP: men gaat het BBP berekenen over één jaar. vb. 2012
Reëel BBP: men gaat een vergelijking maken ts het BBP van vb. jaar 2012 en 2013
Het reëel BBP heb je nodig om te zien of een land groeit (anders kan er ook gewoon
inflatie zijn)
3
, ➔ BBP in ppp-dollar van basisjaar t: (koopkrachtpariteitswisselkoers) corrigeert het BBP voor
prijsverschillen tussen landen. Het geeft aan hoeveel goederen en diensten je in een land kunt
kopen met hetzelfde bedrag als één dollar in de VS in een bepaald basisjaar.
• Nominaal BBP (theoretische wisselkoers) = in prijzen van lopende jaar
• Reële BBP = in prijzen van een basisjaar – kan enkel toenemen door toename
productie. (nominaal: pure waarde)
Enkel geinteresseerd in omvang taart, niet in hvl taart waard is.
mt. vb. 2015. (productiehoeveelheid blijft daarbij niet constant, de prijzen van het basisjaar wel).
Bevinding: BBP is enorm gegroeid op wereldvlak. MAAR: groei is vooral een recent fenomeen. -
BBP stijgt, maar wereldbevolking ook (wereldbevolking stijgt minder dan BBP → stijging welvaart
Er moet ook rekening gehouden worden met de wereldbevolking. Deze is ook fors toegenomen.
→ verband tussen bevolkingsgrootte en welvaart loopt in twee richtingen.
→ meer mensen die moeten eten, maar ook meer mensen die arbeid kunnen verrichten.
→ BBP per capita: economische output per inwoner. Wat er in wezen ter beschikking staat per
burger. (nominaal bbp van een land gedeeld door inwoners)
=BBP x bevolking
Verdere bevinding: we zijn niet alleen meer gaan produceren, maar ook anders.
→ in de 19e eeuw ging het gezinsbudget grotendeels naar voeding en drank, dit is nu niet meer
het geval (nu ook vooral kleren, woning, verwarming, ontspanning, gezondheid) →
consumptiepatroon veranderd.
→ in de 19e eeuw was er vooral werkgelegenheid in de landbouw, nu vooral in dienstensector.
DUS: productiekorf is groter geworden, anders samengesteld en wordt op een andere manier
vervaardigd. → cruciale vraag: hoe zijn deze evoluties te verklaren? Wie bepaalt hoeveel, wat en
hoe er geproduceerd wordt?
➢ Meer naar kwaliteit & comfort of luxegoederen
➢ Dit is ook zo aan de productiezijde: diensten > landbouw/industrie geworden door
industrialisering
reallocatie (bestemmen voor een ander doel) van productiefactoren
• Als het BBP stijgt → Dat lijkt alsof een land rijker wordt, maar dat kan komen door inflatie
(hogere prijzen).
• Als het reëel BBP stijgt → Dan betekent het dat de economie écht meer produceert, want
dit cijfer is gecorrigeerd voor inflatie.
4. Drijvende krachten achter de welvaartstoename
4