Beginselen van de kinesitherapie – WPO
INLEIDING TOT HET PASSIEF KINESITHERAPEUTISCH ONDERZOEK
1. Inleiding
1.1 Definitie van een mobilisatie
Een mobilisatie is een bewegingsactiviteit door de patiënt uitgevoerd (actief of passief) met als doel
de gewrichten te bewegen om hun normale of fysiologische bewegingsgraad te bewaren of
herwinnen.
1.2 Algemene principes
Bij mobilisaties mag je ‘nooit’ een extra gewricht overkruisen.
Je fixeert 1 gewrichtspartner en beweegt de andere gewrichtspartner.
- Fixatie gebeurt dicht bij het gewricht.
2. Mobilisatievormen
Mobilisaties kunnen actief, passief of activo-passief zijn.
2.1 Actieve mobilisaties
Actieve mobilisaties kunnen zuiver zijn, met aandringen of ritmisch.
2.2 Passieve mobilisaties
Passieve mobilisaties kunnen uitgevoerd worden doormiddel van een mechanisch hulpmiddel, of
doormiddel van hulp van de therapeut.
- Therapeut:
o Angulaire mobilisaties.
▪ Er wordt gewerkt onder een bepaalde hoek.
o Tracties.
▪ Rechtlijnig.
▪ Loodrecht op de raaklijn door het raakpunt tussen de gewrichtspartners.
▪ Trekkende kracht wordt uitgeoefend.
• Gewrichtsdelen worden als het ware ‘uit elkaar’ getrokken.
o Translaties.
▪ Richting van de raaklijn door het raakpunt van de gewrichtspartners.
▪ Geen hoekverandering.
▪ Loodrecht op tractierichting.
1
, o Tractie-translaties.
▪ Combinatie van tractie en translatie.
• Gewrichtsuiteinden worden onder tractie zijwaarts, heen en weer
geschoven.
3. Rol-glijmechanisme (‘Kaltenborn’)
Elke beweging is een combinatie van rollen en glijden.
- De richting van de glijbeweging (translatie) is meestal afhankelijk van de vorm van het
bewegend botstuk.
Als het bewegend botstuk concaaf (hol) is, is de glijrichting gelijk aan de rolrichting.
Als het bewegend botstuk convex (bol) is, is de glijrichting tegengesteld aan de rolrichting.
Deel 1: De heup
1. Basiskennis
1.1 Basiseigenschappen en uit te voeren technieken
Close packed position Maximale extensie.
Lichte endorotatie.
Adductie.
Loose packed position 30° abductie.
30° anteflexie.
Weinig exorotatie.
Eindgevoel • Rotaties/flexie/extensie/adductie → elastisch door kapsel.
• Abductie → elastisch door heupadductoren.
Technieken Passieve flexie.
Passieve extensie.
Passieve abductie met knie in 0° of 90° knieflexie.
Passieve adductie.
Passieve exorotatie in 0° en 90° heupflexie.
Passieve endorotatie in 0° en 90° heupflexie.
2
, Rollen en glijden • Flexie/extensie = spinrotatie.
• Abductie = rollen craniaal & glijden caudaal.
• Adductie = rollen caudaal & glijden craniaal.
• Endorotatie = rollen ventraal & glijden dorsaal.
• Exorotatie = rollen dorsaal & glijden ventraal.
2. Technieken
2.1 Passieve flexie
Uitgangshouding P Ruglig, aan de rand van de tafel.
Heupen en knieën gestrekt, tenen wijzen ventraal.
Uitgangshouding T Staat aan de te evalueren zijde, ter hoogte van de heup.
Fixatie /
Uitvoering 1) Patiënt voert flexie van de knie uit met de gelijknamige hand.
2) Palpeer de SIAS en de SIPS met de andere hand.
3) Voer flexie van de heup van de patiënt uit.
4) Doe dit tot je voelt dat de SIAS en SIPS mee bewegen.
- SIAS → craniale verplaatsing.
- SIPS → duwen tegen hand van therapeut.
Het onderbeen mag eventueel op de onderarm van de patiënt rusten.
Range of motion 0° - 120°.
2.2 Passieve extensie
Uitgangshouding P Buiklig, aan de rand van de tafel.
Knieën zijn gestrekt.
Uitgangshouding T Staat in stabiele spreidstand naast de te evalueren heup.
Fixatie Hiervoor zijn er 4 manieren:
1) Therapeut plaatst zijn handwortel t.h.v. de SIPS en fixeert het
bekken door een druk te zetten in ventro-caudale richting.
2) Therapeut palpeert de SIAS of de SIPS zonder druk.
3) Therapeut palpeert het tuber ischiadicum.
4) Als het been te zwaar is, kan je 1 van voorgaande opties kiezen,
maar met de knie in 90° flexie.
Uitvoering 1) De niet-gelijknamige hand omvat het distale deel van het bovenbeen,
vanaf de mediale zijde, net proximaal van de patella.
2) De gelijknamige hand plaats je op de SIAS.
3) Voer een extensie uit tot op het punt dat het bekken begint mee te
bewegen.
Om na te gaan dat je niet te ver gaat, let je op de rug van de patiënt. Als je
een holle rug krijgt, zit je te ver.
Range of motion 0° - 20°.
3
INLEIDING TOT HET PASSIEF KINESITHERAPEUTISCH ONDERZOEK
1. Inleiding
1.1 Definitie van een mobilisatie
Een mobilisatie is een bewegingsactiviteit door de patiënt uitgevoerd (actief of passief) met als doel
de gewrichten te bewegen om hun normale of fysiologische bewegingsgraad te bewaren of
herwinnen.
1.2 Algemene principes
Bij mobilisaties mag je ‘nooit’ een extra gewricht overkruisen.
Je fixeert 1 gewrichtspartner en beweegt de andere gewrichtspartner.
- Fixatie gebeurt dicht bij het gewricht.
2. Mobilisatievormen
Mobilisaties kunnen actief, passief of activo-passief zijn.
2.1 Actieve mobilisaties
Actieve mobilisaties kunnen zuiver zijn, met aandringen of ritmisch.
2.2 Passieve mobilisaties
Passieve mobilisaties kunnen uitgevoerd worden doormiddel van een mechanisch hulpmiddel, of
doormiddel van hulp van de therapeut.
- Therapeut:
o Angulaire mobilisaties.
▪ Er wordt gewerkt onder een bepaalde hoek.
o Tracties.
▪ Rechtlijnig.
▪ Loodrecht op de raaklijn door het raakpunt tussen de gewrichtspartners.
▪ Trekkende kracht wordt uitgeoefend.
• Gewrichtsdelen worden als het ware ‘uit elkaar’ getrokken.
o Translaties.
▪ Richting van de raaklijn door het raakpunt van de gewrichtspartners.
▪ Geen hoekverandering.
▪ Loodrecht op tractierichting.
1
, o Tractie-translaties.
▪ Combinatie van tractie en translatie.
• Gewrichtsuiteinden worden onder tractie zijwaarts, heen en weer
geschoven.
3. Rol-glijmechanisme (‘Kaltenborn’)
Elke beweging is een combinatie van rollen en glijden.
- De richting van de glijbeweging (translatie) is meestal afhankelijk van de vorm van het
bewegend botstuk.
Als het bewegend botstuk concaaf (hol) is, is de glijrichting gelijk aan de rolrichting.
Als het bewegend botstuk convex (bol) is, is de glijrichting tegengesteld aan de rolrichting.
Deel 1: De heup
1. Basiskennis
1.1 Basiseigenschappen en uit te voeren technieken
Close packed position Maximale extensie.
Lichte endorotatie.
Adductie.
Loose packed position 30° abductie.
30° anteflexie.
Weinig exorotatie.
Eindgevoel • Rotaties/flexie/extensie/adductie → elastisch door kapsel.
• Abductie → elastisch door heupadductoren.
Technieken Passieve flexie.
Passieve extensie.
Passieve abductie met knie in 0° of 90° knieflexie.
Passieve adductie.
Passieve exorotatie in 0° en 90° heupflexie.
Passieve endorotatie in 0° en 90° heupflexie.
2
, Rollen en glijden • Flexie/extensie = spinrotatie.
• Abductie = rollen craniaal & glijden caudaal.
• Adductie = rollen caudaal & glijden craniaal.
• Endorotatie = rollen ventraal & glijden dorsaal.
• Exorotatie = rollen dorsaal & glijden ventraal.
2. Technieken
2.1 Passieve flexie
Uitgangshouding P Ruglig, aan de rand van de tafel.
Heupen en knieën gestrekt, tenen wijzen ventraal.
Uitgangshouding T Staat aan de te evalueren zijde, ter hoogte van de heup.
Fixatie /
Uitvoering 1) Patiënt voert flexie van de knie uit met de gelijknamige hand.
2) Palpeer de SIAS en de SIPS met de andere hand.
3) Voer flexie van de heup van de patiënt uit.
4) Doe dit tot je voelt dat de SIAS en SIPS mee bewegen.
- SIAS → craniale verplaatsing.
- SIPS → duwen tegen hand van therapeut.
Het onderbeen mag eventueel op de onderarm van de patiënt rusten.
Range of motion 0° - 120°.
2.2 Passieve extensie
Uitgangshouding P Buiklig, aan de rand van de tafel.
Knieën zijn gestrekt.
Uitgangshouding T Staat in stabiele spreidstand naast de te evalueren heup.
Fixatie Hiervoor zijn er 4 manieren:
1) Therapeut plaatst zijn handwortel t.h.v. de SIPS en fixeert het
bekken door een druk te zetten in ventro-caudale richting.
2) Therapeut palpeert de SIAS of de SIPS zonder druk.
3) Therapeut palpeert het tuber ischiadicum.
4) Als het been te zwaar is, kan je 1 van voorgaande opties kiezen,
maar met de knie in 90° flexie.
Uitvoering 1) De niet-gelijknamige hand omvat het distale deel van het bovenbeen,
vanaf de mediale zijde, net proximaal van de patella.
2) De gelijknamige hand plaats je op de SIAS.
3) Voer een extensie uit tot op het punt dat het bekken begint mee te
bewegen.
Om na te gaan dat je niet te ver gaat, let je op de rug van de patiënt. Als je
een holle rug krijgt, zit je te ver.
Range of motion 0° - 20°.
3