Hoofdstuk 3: Kraakbeen
1. Inleiding
Steunweefsel
Plooibaar (door aanwezigheid van veel water), niet bros
Geen bloedvaten, geen zenuwen, geen lymfevaten
2. Typen kraakbeen
Hyalien kraakbeen
Elastisch kraakbeen
Fibrocartilago
2.1 Hyalien kraakbeen
Voorbeeld: kraakbeen van neus, bronchi, articulair kraakbeen,
ribkraakbeen …
Hard kraakbeen
2.1.1 Cellen:
Chondrocyten:
- Meest matuur, meest actief
- Ronde cellen
- Grote centrale kern met veel nucleoli
- Celoppervlak: veel uitstulpingen (vergroot opp.)
- Cytoplasma: veel ribosomen, uitgebreid RER, groot Golgi-apparaat,
veel mitochondriën
- Voorkomen van chondronen
Chrondoblasten:
- Jonge kraakbeencellen, minst matuur, minder actief
- Elliptische cellen
- Geen chrondronen
2.1.2 Extracellulaire matrix:
Strikter, stijver -> meer collageen nodig
Vezels:
- Rechte structuren, vorming netwerk
- Bestaat uit: collageen II (a1(II))
Grondsubstantie:
- Proteoglycanen: chondroïtinesulfaat/keratansulfaat -> zijn zeer veel
sterker negatief -> kan makkelijker vocht ophouden -> spanning
weerhouden
- Proteoglycanen -> vormen grote moleculen met bv hyaluronzuur
, 2.1.3 Perichondrium:
Omgeeft het hyalien kraakbeen
Bestaat uit: dichte laag bindweefsel (type I collageen/elastine)
Fibroblasten (mesenchymale cellen) -> kraakbeencellen
Bevat: bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
Voeding: diffusie van kraakbeen (voldoende: chondrocyten ->
glycolytisch metabolisme)
Herstel/regeneratie kraakbeen -> traag (vanuit perichondrium)
l> hoezo? Kraakbeen heeft heel veel extracellulaire matrix tussen vezels ->
impact op diffusiecapaciteit -> trager -> regeneratie duurt langer (vergelijken
met peesweefsel)
Bij verouderen -> kraakbeen -> verkalken (door afzetting calciumcarbonaat en
calciumfosfaat) -> kraakbeen -> hard, bros, matrix -> geen difussie, cellen
sterven af
Uit de les:
Chondrocyten hebben een vrij groot glycolystisch metabolisme (wat is dat?
Glycogeen -> glucose -> pyruvaat -> 2 opties: lactaatproductie of acetyl co-A
(krebcyclys) -> voorwaarden om naar lactaat te gaan: geen zuurstof,
voorwaarden krebcylus: zuurstof aanwezig = glycolyse
Glycolystisch metabolisme -> anaerobe metabolsime -> er is geen directe
doorbloeding -> diffusie -> zuurstof aanlevering aan cellen -> debieten (L/min)
zijn laag -> daarom glycolytisch metabolisme
2.2 Elastisch kraakbeen
Voorbeeld: oor, epiglottis (strottenhoofd), spraakapparaat …
Epiglottis: keelholte -> slikken -> 2 wegen (luchtweg en slokdarm) ->
gedeelte dat de luchtweg afsluit = epiglottis dus moet elastisch zijn
Functie: steun en plooi- en rekbaarheid
2.2.1 Cellen:
1. Inleiding
Steunweefsel
Plooibaar (door aanwezigheid van veel water), niet bros
Geen bloedvaten, geen zenuwen, geen lymfevaten
2. Typen kraakbeen
Hyalien kraakbeen
Elastisch kraakbeen
Fibrocartilago
2.1 Hyalien kraakbeen
Voorbeeld: kraakbeen van neus, bronchi, articulair kraakbeen,
ribkraakbeen …
Hard kraakbeen
2.1.1 Cellen:
Chondrocyten:
- Meest matuur, meest actief
- Ronde cellen
- Grote centrale kern met veel nucleoli
- Celoppervlak: veel uitstulpingen (vergroot opp.)
- Cytoplasma: veel ribosomen, uitgebreid RER, groot Golgi-apparaat,
veel mitochondriën
- Voorkomen van chondronen
Chrondoblasten:
- Jonge kraakbeencellen, minst matuur, minder actief
- Elliptische cellen
- Geen chrondronen
2.1.2 Extracellulaire matrix:
Strikter, stijver -> meer collageen nodig
Vezels:
- Rechte structuren, vorming netwerk
- Bestaat uit: collageen II (a1(II))
Grondsubstantie:
- Proteoglycanen: chondroïtinesulfaat/keratansulfaat -> zijn zeer veel
sterker negatief -> kan makkelijker vocht ophouden -> spanning
weerhouden
- Proteoglycanen -> vormen grote moleculen met bv hyaluronzuur
, 2.1.3 Perichondrium:
Omgeeft het hyalien kraakbeen
Bestaat uit: dichte laag bindweefsel (type I collageen/elastine)
Fibroblasten (mesenchymale cellen) -> kraakbeencellen
Bevat: bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
Voeding: diffusie van kraakbeen (voldoende: chondrocyten ->
glycolytisch metabolisme)
Herstel/regeneratie kraakbeen -> traag (vanuit perichondrium)
l> hoezo? Kraakbeen heeft heel veel extracellulaire matrix tussen vezels ->
impact op diffusiecapaciteit -> trager -> regeneratie duurt langer (vergelijken
met peesweefsel)
Bij verouderen -> kraakbeen -> verkalken (door afzetting calciumcarbonaat en
calciumfosfaat) -> kraakbeen -> hard, bros, matrix -> geen difussie, cellen
sterven af
Uit de les:
Chondrocyten hebben een vrij groot glycolystisch metabolisme (wat is dat?
Glycogeen -> glucose -> pyruvaat -> 2 opties: lactaatproductie of acetyl co-A
(krebcyclys) -> voorwaarden om naar lactaat te gaan: geen zuurstof,
voorwaarden krebcylus: zuurstof aanwezig = glycolyse
Glycolystisch metabolisme -> anaerobe metabolsime -> er is geen directe
doorbloeding -> diffusie -> zuurstof aanlevering aan cellen -> debieten (L/min)
zijn laag -> daarom glycolytisch metabolisme
2.2 Elastisch kraakbeen
Voorbeeld: oor, epiglottis (strottenhoofd), spraakapparaat …
Epiglottis: keelholte -> slikken -> 2 wegen (luchtweg en slokdarm) ->
gedeelte dat de luchtweg afsluit = epiglottis dus moet elastisch zijn
Functie: steun en plooi- en rekbaarheid
2.2.1 Cellen: