Hoofdstuk 7 : Het zenuwweefsel
1. Inleiding
Zenuwweefsel = communicatienet
Anatomische opdeling:
- Centraal zenuwstelsel (CZS)
Hersenen
Ruggenmerg
- Perifere zenuwstelsel
Alle zenuwvezels
Ophoping van zenuwcellen = ganglia
Histologisch:
- Zenuwstelsel bestaat uit: zenuwcellen/neuronen
Bevatten: uitlopers + verschillende soorten gliacellen
Functie: ondersteunen en beschermen van neuronen +
functioneren + voeding van neuronen + afweerprocessen in CZS
- CZS: cellichamen van de neuronen op andere plaatsen geconcentreerd
dan vezels
Grijze stof: cellichamen en neuroglia + fijne zenuwceluitlopers
Witte stof: geen cellichamen, wel lange uitlopers met neuroglia
l> kleur: afkomstig van myeline
- Hersenenstam: combinatie van zenuwcellen en gemyeliniseerde
zenuwvezels
Eigenschappen:
- Prikkelbaar: reageren op verandering in omgeving (verandering
elektrisch potentiaal)
l> neuronen -> verandering van de membraanpotentiaal (beperkt/hele
neuron)
l> verplaatsing = zenuwimpuls
Hoofdfuncties:
- Waarnemen, analyseren, verwerken en verspreiden van prikkels
- Organiseren en coördineren van lichaamsfuncties ((in)direct)
2. Neuronen
Bestaat uit 4 delen:
1. Dendrieten: vangen prikkels op
2. Cellichaam of perikaryon: celstofwisselingscentrum – analyseren
en verwerken van prikkels
3. Axon: geleiden van zenuwimpulsen
4. Telodendria: uitlopers om prikkels over te dragen – eindigt meestal
met een verbreding = eindvoetje
Overdag van een prikkel op andere neuronen -> functioneel contact =
synaps
- Elektrische synaps:
, Tussen cellen rechtstreeks contact (contact mogelijk door
nexussen)
Geleiding in tegengestelde zin mogelijk = antidrome geleiding
- Chemische synaps:
Fysieke scheiding tussen het presynaptisch en het
postsynaptisch deel
l> laat enkel geleiding in één richting toe = drome
Actiepotentiaal* wordt overgedragen -> elektrisch signaal wordt
overgezet in een chemisch signaal via neurotransmitters*
(komen vrij in synaptische spleet)
Neurotransmitters binden op een receptor: verschillende
mogelijkheden:
1. Receptor verbonden met een G-proteïne die verbonden is
met een kanaal: hyperpolarisatie of depolarisatie
(activerend of niet activerend)
2. Receptor verbonden met een G-proteïne die verbonden is
met een enzym: voorbeeld: neurotransmitter bindt aan de
receptor die verbonden is aan Gs of Gi (= G-proteïne). Gs
stimuleert en Gi remt het enzym adenylylcyclase. Dit
enzym zet ATP (precursor) om in cAMP = secundaire
boodschapper. cAMP activeert proteïnekinase A, dat
vervolgens verschillende eiwitten fosforyleert -> kanalen
kunnen meer of minder worden opengesteld.
Hormonale (endocriene) signaaltransductie:
- Cytoplasmatische receptoren binden steroïdhormonen (=
vetoplosbaar) -> diffunderen makkelijker door het celmembraan ->
cytoplasma: binden aan hun receptor -> hormoon-receptorcomplex
verplaatst zich daarna na de kern -> regelt genexpressie
- T3-T4 = schildklierhormonen: zijn lipofiel en gaan gemakkelijk door het
membraan. Binden meestal op nucleaire receptoren -> beïnvloeden
transcriptie van doelgenen
*actiepotentiaal: afwisseling van depolarisatie en repolarisatie -> samenspel van
verschillende ionenstromen: lekkanalen, spanningsafhankelijke kanalen, pompen
*neurotransmitters: aminozuren, amines, dipeptide
Neuronen: opdelen in verschillende vormen en grootte:
- Multipolaire: meer dan twee uitlopers: een axon en dendrieten ->
meeste neuronen
- Bipolaire: een axon en een dendriet -> in retina
- Pseudo-unipolair: een uitloper die op enige afstand in een T-vorm
splitst -> in spinale ganglia
Opdelen naargelang hun functie:
- Motorische neuronen: beïnvloeden effectoren* - alfa-en gamma
motorneuronen
, - Sensorische neuronen: ontvangen prikkels uit de omgeving/lichaam -
tastzin, pijn, drukzin, geur, gehoor, visueel, smaakzin -> sensorisch
systeem. Bevatten een receptor en geleiden prikkels naar de
sensorische cortex. Al deze zaken hebben een geheugen
- Schakelneuronen: verzorgen verbindingen tussen andere neuronen
*effectoren: spiervezels, exo- en endocriene klieren
3. Het perikaryon
Bevat de kern + cytoplasma
Functie: stofwisselingscentrum + prikkels opnemen
Veel zenuwuiteinden: stimulerende of remmende impulsen afgeven
3.1 Kern
Ijl chromatine
Duidelijke nucleolus = kernvlek
- Wijst op een cel die intensief eiwitten produceert. De nucleolus bevat
de nucleolar organizing regions (NOR’s): stukken spacer-DNA waar
rRNA (en tRNA) worden getranscribeerd. rRNa vormt samen met
eiwitten de ribosomen, die essentieel zijn voor de eiwitsynthese
Kern: meestal centraal gelegen
Bij sympatische en sensorische ganglia: tweekernige neuronen
Chromatine fijn verdeeld -> continu aanmaak eiwitten
3.2 RER
Sterk ontwikkeld
Veel vrije ribosomen
Nissl-substantie = RER + ribosomen (ophoping)
l> hoeveelheid is in de cel sterk afhankelijk van het type zenuwcel en de
activiteit
l> zowel in grote als in motorische zenuwcellen is er veel
l> veel geprikkelde of beschadige cellen: weinig Nissl-substantie ->
chromatolyse
3.3 Golgi-apparaat
Rond de kern
1. Inleiding
Zenuwweefsel = communicatienet
Anatomische opdeling:
- Centraal zenuwstelsel (CZS)
Hersenen
Ruggenmerg
- Perifere zenuwstelsel
Alle zenuwvezels
Ophoping van zenuwcellen = ganglia
Histologisch:
- Zenuwstelsel bestaat uit: zenuwcellen/neuronen
Bevatten: uitlopers + verschillende soorten gliacellen
Functie: ondersteunen en beschermen van neuronen +
functioneren + voeding van neuronen + afweerprocessen in CZS
- CZS: cellichamen van de neuronen op andere plaatsen geconcentreerd
dan vezels
Grijze stof: cellichamen en neuroglia + fijne zenuwceluitlopers
Witte stof: geen cellichamen, wel lange uitlopers met neuroglia
l> kleur: afkomstig van myeline
- Hersenenstam: combinatie van zenuwcellen en gemyeliniseerde
zenuwvezels
Eigenschappen:
- Prikkelbaar: reageren op verandering in omgeving (verandering
elektrisch potentiaal)
l> neuronen -> verandering van de membraanpotentiaal (beperkt/hele
neuron)
l> verplaatsing = zenuwimpuls
Hoofdfuncties:
- Waarnemen, analyseren, verwerken en verspreiden van prikkels
- Organiseren en coördineren van lichaamsfuncties ((in)direct)
2. Neuronen
Bestaat uit 4 delen:
1. Dendrieten: vangen prikkels op
2. Cellichaam of perikaryon: celstofwisselingscentrum – analyseren
en verwerken van prikkels
3. Axon: geleiden van zenuwimpulsen
4. Telodendria: uitlopers om prikkels over te dragen – eindigt meestal
met een verbreding = eindvoetje
Overdag van een prikkel op andere neuronen -> functioneel contact =
synaps
- Elektrische synaps:
, Tussen cellen rechtstreeks contact (contact mogelijk door
nexussen)
Geleiding in tegengestelde zin mogelijk = antidrome geleiding
- Chemische synaps:
Fysieke scheiding tussen het presynaptisch en het
postsynaptisch deel
l> laat enkel geleiding in één richting toe = drome
Actiepotentiaal* wordt overgedragen -> elektrisch signaal wordt
overgezet in een chemisch signaal via neurotransmitters*
(komen vrij in synaptische spleet)
Neurotransmitters binden op een receptor: verschillende
mogelijkheden:
1. Receptor verbonden met een G-proteïne die verbonden is
met een kanaal: hyperpolarisatie of depolarisatie
(activerend of niet activerend)
2. Receptor verbonden met een G-proteïne die verbonden is
met een enzym: voorbeeld: neurotransmitter bindt aan de
receptor die verbonden is aan Gs of Gi (= G-proteïne). Gs
stimuleert en Gi remt het enzym adenylylcyclase. Dit
enzym zet ATP (precursor) om in cAMP = secundaire
boodschapper. cAMP activeert proteïnekinase A, dat
vervolgens verschillende eiwitten fosforyleert -> kanalen
kunnen meer of minder worden opengesteld.
Hormonale (endocriene) signaaltransductie:
- Cytoplasmatische receptoren binden steroïdhormonen (=
vetoplosbaar) -> diffunderen makkelijker door het celmembraan ->
cytoplasma: binden aan hun receptor -> hormoon-receptorcomplex
verplaatst zich daarna na de kern -> regelt genexpressie
- T3-T4 = schildklierhormonen: zijn lipofiel en gaan gemakkelijk door het
membraan. Binden meestal op nucleaire receptoren -> beïnvloeden
transcriptie van doelgenen
*actiepotentiaal: afwisseling van depolarisatie en repolarisatie -> samenspel van
verschillende ionenstromen: lekkanalen, spanningsafhankelijke kanalen, pompen
*neurotransmitters: aminozuren, amines, dipeptide
Neuronen: opdelen in verschillende vormen en grootte:
- Multipolaire: meer dan twee uitlopers: een axon en dendrieten ->
meeste neuronen
- Bipolaire: een axon en een dendriet -> in retina
- Pseudo-unipolair: een uitloper die op enige afstand in een T-vorm
splitst -> in spinale ganglia
Opdelen naargelang hun functie:
- Motorische neuronen: beïnvloeden effectoren* - alfa-en gamma
motorneuronen
, - Sensorische neuronen: ontvangen prikkels uit de omgeving/lichaam -
tastzin, pijn, drukzin, geur, gehoor, visueel, smaakzin -> sensorisch
systeem. Bevatten een receptor en geleiden prikkels naar de
sensorische cortex. Al deze zaken hebben een geheugen
- Schakelneuronen: verzorgen verbindingen tussen andere neuronen
*effectoren: spiervezels, exo- en endocriene klieren
3. Het perikaryon
Bevat de kern + cytoplasma
Functie: stofwisselingscentrum + prikkels opnemen
Veel zenuwuiteinden: stimulerende of remmende impulsen afgeven
3.1 Kern
Ijl chromatine
Duidelijke nucleolus = kernvlek
- Wijst op een cel die intensief eiwitten produceert. De nucleolus bevat
de nucleolar organizing regions (NOR’s): stukken spacer-DNA waar
rRNA (en tRNA) worden getranscribeerd. rRNa vormt samen met
eiwitten de ribosomen, die essentieel zijn voor de eiwitsynthese
Kern: meestal centraal gelegen
Bij sympatische en sensorische ganglia: tweekernige neuronen
Chromatine fijn verdeeld -> continu aanmaak eiwitten
3.2 RER
Sterk ontwikkeld
Veel vrije ribosomen
Nissl-substantie = RER + ribosomen (ophoping)
l> hoeveelheid is in de cel sterk afhankelijk van het type zenuwcel en de
activiteit
l> zowel in grote als in motorische zenuwcellen is er veel
l> veel geprikkelde of beschadige cellen: weinig Nissl-substantie ->
chromatolyse
3.3 Golgi-apparaat
Rond de kern