Hoofdstuk 6 : Spierweefsel
1. Inleiding
Dwarsgestreept spierweefsel :
- Skeletspierweefsel
- Hartspierweefsel
Glad spierweefsel
Gemeenschappelijke kenmerken: mogelijkheid tot conductie en contractie
Conductie: spiercellen hebben de capaciteit om een zenuwinflux over de
hele spiercel te verspreiden
Contractie: elke cel reageert door het samentrekken ervan
2. Het skeletspierweefsel
Ontstaan: éénkernige myoblasten -> versmelten tot syncytia
Kernen: schikken perifeer
Contractiele elementen: specifiek geordend
Skeletspiercel kan zeer lang worden -> spiervezel
2.1 Macroscopisch uitzicht
Rond elk spiervezel -> dun bindweefselhuls = endomysium
Groep spiervezels = bundel -> omgeven door dikke bindweefsellaag =
perimysium
Hele spier -> stevig bindweefselhuls = epimysium
Spier eindigt op een pees (loopt uit op het periost van het bot)
,2.2 Lichtmicroscopisch uitzicht
Lange, veelkernige cellen
- Kernen perifeer gerangschikt onder het sarcolemma (celmembraan)
Sacroplasma: fijne lengtestreping van de myofibrillen en dikkere
dwarsstreping met periodisch afwisselende lichte I banden (met Z-lijn) en
donkere A-banden (met M-lijn)
2.3 Elektronenmicroscopisch
2.3.1 De contractiele eiwitten
Actine
Myosine
Troponine I, T, C
Tropomyosine
Myosinefilamenten -> hoofdbestanddeel van de A-band
Actinefilamenten -> bouwen de I-band op
- Midden in de I-band: naast elkaar gelegen actinefilamenten
overvlechten tot de Z-schijf
- Sacromeer = afstand tussen twee Z-schijven
Contractie: actinefilamenten schuiven tussen myosinefilamenten
- Z-schijven komen dichter bij elkaar en het sarcomeer verkort
- I-band neemt af en H-zone verdwijnt
Relaxatie: actinefilamenten bedekken een klein deel van de myosine
! als de actinefilamenten niet tot het midden van de myosine glijden, -> lichtere
zone in A-band = H-zone (midden: densere streep = M-streep)
Dikke myosinefilamenten:
Bestaan voornamelijk uit myosine:
- Bestaat uit een lang, recht gedeelte (staart)
- Globulair gedeelte (kop)
- Na dissociatie: licht meromysone en zwaar meromyosine
Dunne actinefilamenten (F-actine):
Opgebouwd uit twee spiraalgewijs gewonden kettingen van globulaire
actinemoleculen (G-actine)
Eromheen ligt een tropomyosinedraad (bestaat uit twee
polypeptideketens)
- Hierop bevinden zicht drie globularie troponine-eenheden (T, I en C)
, 2.3.2 Triadestructuur
Zeer goed ontwikkeld sacroplasmatisch reticulum = SR
- Calciumionen (contractie) worden hierin geconcentreerd
SR omgeeft myofibrillen als een sterk vertakt membraneus netwerk
Terminale zakken (2) + buisvormige instulping + T-tubulus ->
triadestructuur
Ter hoogte van de grens tussen A- en I-band dringt het plasmalemma als
een T-tubulus tussen de terminale zakken van het SR
2.3.3 Andere elementen
Mitochondriën of sarcosomen
- Parallel gelegen aan de myofibrillen
- Mitochondriën leveren de grote hoeveelheid E die nodig zijn voor
contractie
- Glycogeen
- Onder celmembraan -> mitochondriën: betrokken bij opnamen van
substraten, energiewinning voor signalisatie
Glycogeen
- Parallel gelegen aan de myofibrillen
Weinig ribosomen en weinig RER
1. Inleiding
Dwarsgestreept spierweefsel :
- Skeletspierweefsel
- Hartspierweefsel
Glad spierweefsel
Gemeenschappelijke kenmerken: mogelijkheid tot conductie en contractie
Conductie: spiercellen hebben de capaciteit om een zenuwinflux over de
hele spiercel te verspreiden
Contractie: elke cel reageert door het samentrekken ervan
2. Het skeletspierweefsel
Ontstaan: éénkernige myoblasten -> versmelten tot syncytia
Kernen: schikken perifeer
Contractiele elementen: specifiek geordend
Skeletspiercel kan zeer lang worden -> spiervezel
2.1 Macroscopisch uitzicht
Rond elk spiervezel -> dun bindweefselhuls = endomysium
Groep spiervezels = bundel -> omgeven door dikke bindweefsellaag =
perimysium
Hele spier -> stevig bindweefselhuls = epimysium
Spier eindigt op een pees (loopt uit op het periost van het bot)
,2.2 Lichtmicroscopisch uitzicht
Lange, veelkernige cellen
- Kernen perifeer gerangschikt onder het sarcolemma (celmembraan)
Sacroplasma: fijne lengtestreping van de myofibrillen en dikkere
dwarsstreping met periodisch afwisselende lichte I banden (met Z-lijn) en
donkere A-banden (met M-lijn)
2.3 Elektronenmicroscopisch
2.3.1 De contractiele eiwitten
Actine
Myosine
Troponine I, T, C
Tropomyosine
Myosinefilamenten -> hoofdbestanddeel van de A-band
Actinefilamenten -> bouwen de I-band op
- Midden in de I-band: naast elkaar gelegen actinefilamenten
overvlechten tot de Z-schijf
- Sacromeer = afstand tussen twee Z-schijven
Contractie: actinefilamenten schuiven tussen myosinefilamenten
- Z-schijven komen dichter bij elkaar en het sarcomeer verkort
- I-band neemt af en H-zone verdwijnt
Relaxatie: actinefilamenten bedekken een klein deel van de myosine
! als de actinefilamenten niet tot het midden van de myosine glijden, -> lichtere
zone in A-band = H-zone (midden: densere streep = M-streep)
Dikke myosinefilamenten:
Bestaan voornamelijk uit myosine:
- Bestaat uit een lang, recht gedeelte (staart)
- Globulair gedeelte (kop)
- Na dissociatie: licht meromysone en zwaar meromyosine
Dunne actinefilamenten (F-actine):
Opgebouwd uit twee spiraalgewijs gewonden kettingen van globulaire
actinemoleculen (G-actine)
Eromheen ligt een tropomyosinedraad (bestaat uit twee
polypeptideketens)
- Hierop bevinden zicht drie globularie troponine-eenheden (T, I en C)
, 2.3.2 Triadestructuur
Zeer goed ontwikkeld sacroplasmatisch reticulum = SR
- Calciumionen (contractie) worden hierin geconcentreerd
SR omgeeft myofibrillen als een sterk vertakt membraneus netwerk
Terminale zakken (2) + buisvormige instulping + T-tubulus ->
triadestructuur
Ter hoogte van de grens tussen A- en I-band dringt het plasmalemma als
een T-tubulus tussen de terminale zakken van het SR
2.3.3 Andere elementen
Mitochondriën of sarcosomen
- Parallel gelegen aan de myofibrillen
- Mitochondriën leveren de grote hoeveelheid E die nodig zijn voor
contractie
- Glycogeen
- Onder celmembraan -> mitochondriën: betrokken bij opnamen van
substraten, energiewinning voor signalisatie
Glycogeen
- Parallel gelegen aan de myofibrillen
Weinig ribosomen en weinig RER