Hoofdstuk 5: Vetweefsel
1. Inleiding
Bijzondere vorm bindweefsel: vetcellen overheersen
Cellen: geïsoleerd of in kleine groepen
Een van de grootste organen van het lichaam:
- Mannen: 15-20%
- Vrouwen: 20-25%
Functie:
- Energiereservoir
- Efficiënt middel om chemische energie in geconcentreerde vorm op te
slaan
- Stootkussen
- Isolatie
Wordt hormonaal en nerveus beïnvloed
2. Classificatie van vetweefsel
Wit of univacuolair vetweefsel: cellen = grote centrale druppel
- Onderscheid visceraal vet (rond organen) en subcutaan vet (onder de
huid)
Bruin of plurivacuolair vetweefsel: cellen = vele kleine druppeltjes,
talrijke mitochondriën
! beide hebben een dicht vaatnet.
Hormonale beïnvloeding:
Waar het vet wordt gestapeld is afhankelijk van leeftijd en geslacht:
- Mannen: abdominaal (door hormonen) – testosteron heeft invloed op
de verdeling van spiermassa en vetmassa
- Vrouwen: borst en billen – estradiol = veroorzaker van meer
vetstapeling,
- Er is 5-10% meer vet bij vrouwen want testosteron heeft meer invloed
op spiermassa (zorgt voor rustmetabolisme (hoger bij mannen -> meer
vetverbranding)
Menopauze:
- Estradiol en progesteron zijn zodanig laag dat ze hun functies verliezen
-> daardoor worden vrouwen tijdens de menopauze zwaarder omdat
het vet verplaatst naar de buikregio
ACTH = AdrenoCorticoTroop Hormoon
- Adreno = bijnier
- Cortico = schors
- Troop = stimulerend hormoon
, ACTH wordt aangemaakt door de hypofyse en heeft als taak: de bijnierschors
aanzetten tot productie van bepaalde hormonen (vooral cortisol,
geslachtshormonen en ACPO). De hormonen die hier worden geproduceerd
kunnen afgeleid worden naar estradiol.
Mannen met obsese: produceren een hoge concentratie aan testosteron, maar
het vetweefsel zet dit om in estradiol, dit leidt tot meer vetstapeling.
Nerveus beïnvloed -> autonome zenuwstelsel (invloed op natrium en kalium)
Autonome zenuwstelsel bestaat uit:
1. Orthosympaticus (actie, stress …)
2. Parasympaticus (rust)
Orthosympaticus gebruikt noradrenaline (zenuwuiteinden) en adrenaline
(bijniermerg) als neurotransmitters. Deze stoffen binden aan ofwel een α-
receptoren of een β-receptoren.
β-receptoren:
1. Β1-receptor: hart- hartslag gaat omhoog door binding
2. B2-receptor: luchtwegen, bepaalde bloedvaten, lever – betere
zuurstofopanme door binding
3. B3-receptor: vetweefsel: vet wordt sneller omgezet in energie door binding
= verhoogde lipolyse
Bijniermerg = sympatisch orgaan -> produceert catecholamines (adrenaline en
noradrenaline)
- Noradrenaline: bindt vooral op a-receptoren -> vasoconstrictie, stijging
bloeddruk
- Adrenaline: bindt vooral op b-receptoren (b2) -> bronchodilatatie,
vasodilatatie in spieren, lipolyse
Inspanning = stressituatie: meer E nodig -> nor – en adrenaline zullen binden op
receptor -> energiewinning
2.1 Wit of univacuolair vetweefsel
2.1.1 Uitzicht en voorkomen
Kleur: wit tot donkergeel afh. van het dieet (gele kleur -> carotenoïden)
Meest voorkomende type in volwassen weefsel
Overal in lichaam (bijz. onder de huid); niet oogleden, penis, scrotum,
oorlel
Verdeling en dichtheid van het weefsel: bepaalt door leeftijd en geslacht
- Pasgeboren: univacuoalair vetweefsel overal even dik
- Ouderen: univacuolair vetweefsel verdwijnen en dikker op andere
plekken
Herverdeling -> gereguleerd door geslachthormonen (prog – E2 – testo) en
ACTH (verantwoordelijk voor: vetophoping en mannelijke/vrouwelijke
lichaamsvormen)
1. Inleiding
Bijzondere vorm bindweefsel: vetcellen overheersen
Cellen: geïsoleerd of in kleine groepen
Een van de grootste organen van het lichaam:
- Mannen: 15-20%
- Vrouwen: 20-25%
Functie:
- Energiereservoir
- Efficiënt middel om chemische energie in geconcentreerde vorm op te
slaan
- Stootkussen
- Isolatie
Wordt hormonaal en nerveus beïnvloed
2. Classificatie van vetweefsel
Wit of univacuolair vetweefsel: cellen = grote centrale druppel
- Onderscheid visceraal vet (rond organen) en subcutaan vet (onder de
huid)
Bruin of plurivacuolair vetweefsel: cellen = vele kleine druppeltjes,
talrijke mitochondriën
! beide hebben een dicht vaatnet.
Hormonale beïnvloeding:
Waar het vet wordt gestapeld is afhankelijk van leeftijd en geslacht:
- Mannen: abdominaal (door hormonen) – testosteron heeft invloed op
de verdeling van spiermassa en vetmassa
- Vrouwen: borst en billen – estradiol = veroorzaker van meer
vetstapeling,
- Er is 5-10% meer vet bij vrouwen want testosteron heeft meer invloed
op spiermassa (zorgt voor rustmetabolisme (hoger bij mannen -> meer
vetverbranding)
Menopauze:
- Estradiol en progesteron zijn zodanig laag dat ze hun functies verliezen
-> daardoor worden vrouwen tijdens de menopauze zwaarder omdat
het vet verplaatst naar de buikregio
ACTH = AdrenoCorticoTroop Hormoon
- Adreno = bijnier
- Cortico = schors
- Troop = stimulerend hormoon
, ACTH wordt aangemaakt door de hypofyse en heeft als taak: de bijnierschors
aanzetten tot productie van bepaalde hormonen (vooral cortisol,
geslachtshormonen en ACPO). De hormonen die hier worden geproduceerd
kunnen afgeleid worden naar estradiol.
Mannen met obsese: produceren een hoge concentratie aan testosteron, maar
het vetweefsel zet dit om in estradiol, dit leidt tot meer vetstapeling.
Nerveus beïnvloed -> autonome zenuwstelsel (invloed op natrium en kalium)
Autonome zenuwstelsel bestaat uit:
1. Orthosympaticus (actie, stress …)
2. Parasympaticus (rust)
Orthosympaticus gebruikt noradrenaline (zenuwuiteinden) en adrenaline
(bijniermerg) als neurotransmitters. Deze stoffen binden aan ofwel een α-
receptoren of een β-receptoren.
β-receptoren:
1. Β1-receptor: hart- hartslag gaat omhoog door binding
2. B2-receptor: luchtwegen, bepaalde bloedvaten, lever – betere
zuurstofopanme door binding
3. B3-receptor: vetweefsel: vet wordt sneller omgezet in energie door binding
= verhoogde lipolyse
Bijniermerg = sympatisch orgaan -> produceert catecholamines (adrenaline en
noradrenaline)
- Noradrenaline: bindt vooral op a-receptoren -> vasoconstrictie, stijging
bloeddruk
- Adrenaline: bindt vooral op b-receptoren (b2) -> bronchodilatatie,
vasodilatatie in spieren, lipolyse
Inspanning = stressituatie: meer E nodig -> nor – en adrenaline zullen binden op
receptor -> energiewinning
2.1 Wit of univacuolair vetweefsel
2.1.1 Uitzicht en voorkomen
Kleur: wit tot donkergeel afh. van het dieet (gele kleur -> carotenoïden)
Meest voorkomende type in volwassen weefsel
Overal in lichaam (bijz. onder de huid); niet oogleden, penis, scrotum,
oorlel
Verdeling en dichtheid van het weefsel: bepaalt door leeftijd en geslacht
- Pasgeboren: univacuoalair vetweefsel overal even dik
- Ouderen: univacuolair vetweefsel verdwijnen en dikker op andere
plekken
Herverdeling -> gereguleerd door geslachthormonen (prog – E2 – testo) en
ACTH (verantwoordelijk voor: vetophoping en mannelijke/vrouwelijke
lichaamsvormen)