Hoofdstuk 4: Been
1. Inleiding
Steunweefsel
Rijk aan anorganische kristallen (botgrondstof)
Bloedvaten en zenuwen aanwezig
Levend weefsel
Bot is hard -> moeilijker te doorbloeden -> diffusiecapaciteit nul
Metabool actief/permanent geremodelleerd
Ingewikkelde structuur
Variatie naargelang locatie
2 verschijningsvormen:
Compact bot: gebied zonder holte = corticaal bot
Spongieus bot: gebied met een netwerk van botbalkjes (trabekels) en
holten = trabeculair bot
Botweefsel:
Zowel compact bot en spongieus bot bestaan uit lamellair bot/secundair
bot
Andere bottype: plexiform bot (kortstondig bestaan)
Primaire of plexiform bot:
Osteocyten -> uniform verspreid (geen specifieke oriëntatie)
Collageenvezels in verschillende richtingen
Secundair of lamellair bot:
Opgebouwd uit lamellen
In compact bot georganiseerd:
Osteonen of Haverse systemen:
Cilindervormige lamellen concentrisch georganiseerd rond Haverse
kanalen en samengekit door botcement
Kanalen bevatten bloedvaten en zenuwen
Kanaal verbonden met andere Havese kanalen of beenmerg
Dwarsverbindingen tussen kanalen = kanalen van Volkman
Tussen osteonen: interstitiële lamellen
, Rond het geheel van de verschillende osteonen met interstitiële
lamellen: lamellen die de hele cortex omgeven
Aan buitenzijde van geheel: periost (bindweefsel)
Aan binnenzijde van geheel: endost (bindweefsel)
Haverse kanalen uit de les:
In Haverskanalen zitten zenuwen, bloedvaten, lymfevaten -> daar vertrek
zuurstof en substraten -> worden afgeven aan cellaag 1 en de rest wordt
doorgegeven aan de volgende laag enzovoort -> in begin meer substraat en
zuurstof -> dat zie je ook aan de cellen (eerste cellen -> aëroob metabolisme,
cellen achteraan = glycolytisch metabolisme)
Aan de binnenzijde en buitenzijde heb je een weefsel, binnenzijde = endost en
buitenzijde= preiost, daar zitten mesengymcellen in = stamcellen om
osteoblasten aan te maken en dan osteocyten, dit kan je vergelijken met het
perichondrium (= laag die mesengymcellen bevatten)
Haverse kanalen -> belangrijke in voorziening van bloed en lymfevaten, worden
ondersteunt door kanalen van Volkman (doorbloed, dus bloedtoevoer)
2. Samenstellende componenten
Cellen en extracellulair materiaal
2.1 Botcellen:
Jonge vormen = osteoblasten, rijpe vormen = osteocyten
(osteoprogenitorcel)
Botresorberende cellen = osteoclasten
Osteoprogenitorcel -> afkomstig van mesenchym -> differentiëren tot
botcellen – gelegen tegen botoppervlakken in binnenlaag van periost en
endost
, 2.1.1 Osteoblasten:
Vezelvorming en ossificatieproces
Osteosynthese: vorm -> kubisch tot cilindrisch
Liggen in aaneengesloten rijen – epitheloïde schikking
Kern:
Groot met perifere nucleool
Cytoplasma:
Grote hoeveelheid RNA
Produceren tropocollageen en GAG
Differentiatie tot platte cellen met vele uitlopers tijdens aanmaak osteoid
Vele kleine granules: calcoferieten, sferulieten of matrixgranulen (worden
afgesnoerd)
Mineralisatie:
Collageenvezels:
Verschijnen van naaldvormige hydroxyapatietkristallen op regelmatige
afstand op de collageenfibrillen
Tropocollageenmoleculen -> specifieke locaties -> stimuleren nucleatie
kristallen
Osteoblasten:
Door alkalische fosfatase-activiteit: stijging Ca2+- en PO4- -
concentratie -> versnelling mineralisatieproces
Osteoblast wordt ingemetst
In kalkvrije zone: osteoïd en microfibrillen
Osteocyten na ossificatie (= afzetting calciumcarbonaat en
calciumfosfaat) -> in contact door canaliculi (= kleine kanaaltjes,
waarlangs ook voedingsstoffen en celextensies lopen)
1. Inleiding
Steunweefsel
Rijk aan anorganische kristallen (botgrondstof)
Bloedvaten en zenuwen aanwezig
Levend weefsel
Bot is hard -> moeilijker te doorbloeden -> diffusiecapaciteit nul
Metabool actief/permanent geremodelleerd
Ingewikkelde structuur
Variatie naargelang locatie
2 verschijningsvormen:
Compact bot: gebied zonder holte = corticaal bot
Spongieus bot: gebied met een netwerk van botbalkjes (trabekels) en
holten = trabeculair bot
Botweefsel:
Zowel compact bot en spongieus bot bestaan uit lamellair bot/secundair
bot
Andere bottype: plexiform bot (kortstondig bestaan)
Primaire of plexiform bot:
Osteocyten -> uniform verspreid (geen specifieke oriëntatie)
Collageenvezels in verschillende richtingen
Secundair of lamellair bot:
Opgebouwd uit lamellen
In compact bot georganiseerd:
Osteonen of Haverse systemen:
Cilindervormige lamellen concentrisch georganiseerd rond Haverse
kanalen en samengekit door botcement
Kanalen bevatten bloedvaten en zenuwen
Kanaal verbonden met andere Havese kanalen of beenmerg
Dwarsverbindingen tussen kanalen = kanalen van Volkman
Tussen osteonen: interstitiële lamellen
, Rond het geheel van de verschillende osteonen met interstitiële
lamellen: lamellen die de hele cortex omgeven
Aan buitenzijde van geheel: periost (bindweefsel)
Aan binnenzijde van geheel: endost (bindweefsel)
Haverse kanalen uit de les:
In Haverskanalen zitten zenuwen, bloedvaten, lymfevaten -> daar vertrek
zuurstof en substraten -> worden afgeven aan cellaag 1 en de rest wordt
doorgegeven aan de volgende laag enzovoort -> in begin meer substraat en
zuurstof -> dat zie je ook aan de cellen (eerste cellen -> aëroob metabolisme,
cellen achteraan = glycolytisch metabolisme)
Aan de binnenzijde en buitenzijde heb je een weefsel, binnenzijde = endost en
buitenzijde= preiost, daar zitten mesengymcellen in = stamcellen om
osteoblasten aan te maken en dan osteocyten, dit kan je vergelijken met het
perichondrium (= laag die mesengymcellen bevatten)
Haverse kanalen -> belangrijke in voorziening van bloed en lymfevaten, worden
ondersteunt door kanalen van Volkman (doorbloed, dus bloedtoevoer)
2. Samenstellende componenten
Cellen en extracellulair materiaal
2.1 Botcellen:
Jonge vormen = osteoblasten, rijpe vormen = osteocyten
(osteoprogenitorcel)
Botresorberende cellen = osteoclasten
Osteoprogenitorcel -> afkomstig van mesenchym -> differentiëren tot
botcellen – gelegen tegen botoppervlakken in binnenlaag van periost en
endost
, 2.1.1 Osteoblasten:
Vezelvorming en ossificatieproces
Osteosynthese: vorm -> kubisch tot cilindrisch
Liggen in aaneengesloten rijen – epitheloïde schikking
Kern:
Groot met perifere nucleool
Cytoplasma:
Grote hoeveelheid RNA
Produceren tropocollageen en GAG
Differentiatie tot platte cellen met vele uitlopers tijdens aanmaak osteoid
Vele kleine granules: calcoferieten, sferulieten of matrixgranulen (worden
afgesnoerd)
Mineralisatie:
Collageenvezels:
Verschijnen van naaldvormige hydroxyapatietkristallen op regelmatige
afstand op de collageenfibrillen
Tropocollageenmoleculen -> specifieke locaties -> stimuleren nucleatie
kristallen
Osteoblasten:
Door alkalische fosfatase-activiteit: stijging Ca2+- en PO4- -
concentratie -> versnelling mineralisatieproces
Osteoblast wordt ingemetst
In kalkvrije zone: osteoïd en microfibrillen
Osteocyten na ossificatie (= afzetting calciumcarbonaat en
calciumfosfaat) -> in contact door canaliculi (= kleine kanaaltjes,
waarlangs ook voedingsstoffen en celextensies lopen)