Cytologie les 3:
Actiepotentiaal – calcium - hart:
Spanningsgevoelige calciumkanalen openen -> op het moment dat de
membraanpotentiaal boven de 0 volt is -> E toe te voegen (pacemakers)
Gevolg: Kalium stroomt naar buiten en Calcium stroomt naar binnen (volgens
concentratiegradiënt)
Na verloop van tijd: evenwicht tussen kaliumefflux en calciuminflux ->
ontstaan v plateau (2)
Tot 1: depolarisatie
Tot begin 4: repolarisatie
Er is geen hyperpolarisatie !!!
*Inward rect. Zorgt ervoor dat u rustmembraanpotentiaal stabiel blijft
2 belangrijke begrippen:
Absoluut refractaire (= beïnvloed) periode: nieuwe prikkel lokt geen respons uit
Relatief refractaire periode: de mate van respons is afhankelijk van de mate van
intensiteit/repolarisatie -> meer E in steken, dan krijg je respons
ARP: depolarisatie + groot stuk repolarisatie
RRF: klein stuk repolarisatie + hyperpolarisatie
2 belangrijke begrippen toepassen bij het hart:
ARP: 0 – midden 3 – verlengt door plateau (ev tussen K en Ca -> potentiaal
+)
RRF: einde 3
Niet-refractaire periode: 4
l> prikkel lokt een normale respons uit
, Skeletspier:
Functie: contractie
Voorbeeld: je hebt een fles voor je staan, en je wil die nemen en je denkt dat die
leeg is maar dat is niet zo -> ziet er stuntelig uit -> komt doordat u hersenen een
prikkel geven aan u spieren met te weinig intensiteit
Wil je genoeg contractiekracht ontwikkelen -> summatie
2 vormen sommatie:
1. Temporele summatie -> frequentie van actiepotentialen (enkel bij skelet-
gladde spier)
l> je neemt een boekentas -> spiervermoeidheid waardoor je meer
spiervezels moet gaan aanspreken om dezelfde kracht te ontwikkelen ->
tempo van actiepotentiaal moet toenemen
2. Spatiële summatie -> summatie in de ruimte, te maken met intensiteit
(enkel bij skeletspier)
l> Voorbeeld: de hersenen sturen een prikkel met een welbepaalde
intensiteit naar de quadriceps -> gevolg: 10 spiervezels gaan contraheren
l> verdubbel je de intensiteit -> 20 spiervezels contraheren
l> ander voorbeeld: dia 24 presentatie 21
Actiepotentiaal – calcium - hart:
Spanningsgevoelige calciumkanalen openen -> op het moment dat de
membraanpotentiaal boven de 0 volt is -> E toe te voegen (pacemakers)
Gevolg: Kalium stroomt naar buiten en Calcium stroomt naar binnen (volgens
concentratiegradiënt)
Na verloop van tijd: evenwicht tussen kaliumefflux en calciuminflux ->
ontstaan v plateau (2)
Tot 1: depolarisatie
Tot begin 4: repolarisatie
Er is geen hyperpolarisatie !!!
*Inward rect. Zorgt ervoor dat u rustmembraanpotentiaal stabiel blijft
2 belangrijke begrippen:
Absoluut refractaire (= beïnvloed) periode: nieuwe prikkel lokt geen respons uit
Relatief refractaire periode: de mate van respons is afhankelijk van de mate van
intensiteit/repolarisatie -> meer E in steken, dan krijg je respons
ARP: depolarisatie + groot stuk repolarisatie
RRF: klein stuk repolarisatie + hyperpolarisatie
2 belangrijke begrippen toepassen bij het hart:
ARP: 0 – midden 3 – verlengt door plateau (ev tussen K en Ca -> potentiaal
+)
RRF: einde 3
Niet-refractaire periode: 4
l> prikkel lokt een normale respons uit
, Skeletspier:
Functie: contractie
Voorbeeld: je hebt een fles voor je staan, en je wil die nemen en je denkt dat die
leeg is maar dat is niet zo -> ziet er stuntelig uit -> komt doordat u hersenen een
prikkel geven aan u spieren met te weinig intensiteit
Wil je genoeg contractiekracht ontwikkelen -> summatie
2 vormen sommatie:
1. Temporele summatie -> frequentie van actiepotentialen (enkel bij skelet-
gladde spier)
l> je neemt een boekentas -> spiervermoeidheid waardoor je meer
spiervezels moet gaan aanspreken om dezelfde kracht te ontwikkelen ->
tempo van actiepotentiaal moet toenemen
2. Spatiële summatie -> summatie in de ruimte, te maken met intensiteit
(enkel bij skeletspier)
l> Voorbeeld: de hersenen sturen een prikkel met een welbepaalde
intensiteit naar de quadriceps -> gevolg: 10 spiervezels gaan contraheren
l> verdubbel je de intensiteit -> 20 spiervezels contraheren
l> ander voorbeeld: dia 24 presentatie 21