Hoofdstuk 5: De buikspieren
5.1 Inleiding – fascia thoracolumbalis
Fascia thoracolumbalis = abdominale holte (onder deel van de romp)
Gescheiden van de thoracale holte door het diafragma (craniaal)
Gescheiden van het perineum door het pelvis diafragma (caudaal)
- Perineum = vetrijk gebied tussen pelvis diafragma en de huid tussen
de dijen
- Uiteinde van het spijsverteringsstelsel en delen van het urogenitale
stelsel* liggen hierin
Het omvat de grote bekken, kleine bekken en pelvis minor
Vorming:
Ledenwervels + os sacrum + os coccygis -> middendeel van de
achterwand
Os coxae -> laterale achterwand
M. psoas, M. iliacus en de M. quadratus lumborum bevinden zich hier
Achterwand = stevig (vgl. met ventrolaterale wand)
Ventrolaterale wand: opgebouwd door huid en de buikspieren met hun
pezen (os coxae tot onderrand ribbenboog)
Buikspieren: hechten aan thorax, lendenwervels en het bekken
- Bepalen de stevigheid van de anterolaterale buikwand + bewegen de
lendenwervelkolom
Fascia thoracolumbalis bedekt:
Diepe rugspieren die samen de M. erector spinae vormen + scheidt deze
spieren van de oppervlakkige spieren
Thoracale gebied: diepe rugspieren vanaf de processus spinosi tot aan de
anguli costae (lateraal)
Ligt onder de M. serratus posterior superior + M. rhomboideus
- Loopt verder in de fascia van de hals en de fascia nuchae
Goed ontwikkeld in het lumbale gebied + driebladig
- Oppervlakkige laag: vastgehecht aan de processus spinosi van de
lumbale en sacrale wervels
- Middelste laag: mediaal vastgehecht aan de processsus costarii en de
ligamenten die ze verbinden, naar caudaal toe is ze vastgehecht aan
de crista iliaca. Naar craniaal toe aan de rand van de twaalfde rib
- Diepste laag: bedekt M. quadratus lumborum, is mediaal vastgehecht
aan de ventrale zijde van de processus costarii van de lumbale wervels
diep van de M. psoas major, naar caudal toe hecht ze aan het
ligamentum iliolumbale en de crista iliaca. Naar craniaal toe vormt ze
het ligamentum arcuatum laterale.
, Middelste + oppervlakkige laag: laterale zijde van de M. erector spinae
Middelste + diepste laag: laterale zijde van de M. quadratus lumborum ->
vormen aponeurose voor de M. transversus abdominis
Oppervlakkige laag = sterk ontwikkeld + geeft oorsprong aan M.
latissimus dorsi, M. serratus posterior inferior en M. gluteus maximus
5.2 Ventrolaterale of schuine buikspieren
5.2.1 M. obliquus externus abdominis (MOEA)
= meest oppervlakkige en grootste schuine buikspier. Een dunne spier +
grootste deel van haar oppervlak = pezig. Het spiervlees is gelegen in de
anterolaterale buikwand.
Oorsprong: buitenzijde van de 5de tot 12de rib
Insertie: labium externum (crista iliaca) + tuberculum pubicum + kam
tussen het tuberculum pubicum en de symphysis pubica + linea alba
Verloop:
- Oorsprong en richting: vezels van de 11e en 12e rib lopen recht naar
beneden naar de voorste 2/3 van de crista iliaca. Tussen de vezels en
de ventrocaudale rand van de M. latissimus dorsi ligt een driehoekige
speelt = trigonum lumbale van Petit. Overige vezels lopen van
craniolateraal schuin naar mediocaudaal. Vezels van de lagere ribben
lopen schuiner dan die van de bovenste ribben, die bijna horizontaal
lopen.
- Insertie en aponeurose: alle vezels lopen uit op een aponeurotisch
blad, van het negende ribkraakbeen naar caudaal naar spina iliaca
anterior superior. De brede aponeurose loopt ventraal en oppervlakkig
van M. rectus abdominis. Cranioventrale vezels lopen bijna horizontaal
en eindigen mediaal in de linea alba, samen met symmetrische vezels
van M. obliquus externus en diepere schuine buikspieren.
- Caudale vezels: bereiken het os pubis, tussen symphysis en
tuberculum pubicum. Onderrand van de aponeurose is naar binnen
5.1 Inleiding – fascia thoracolumbalis
Fascia thoracolumbalis = abdominale holte (onder deel van de romp)
Gescheiden van de thoracale holte door het diafragma (craniaal)
Gescheiden van het perineum door het pelvis diafragma (caudaal)
- Perineum = vetrijk gebied tussen pelvis diafragma en de huid tussen
de dijen
- Uiteinde van het spijsverteringsstelsel en delen van het urogenitale
stelsel* liggen hierin
Het omvat de grote bekken, kleine bekken en pelvis minor
Vorming:
Ledenwervels + os sacrum + os coccygis -> middendeel van de
achterwand
Os coxae -> laterale achterwand
M. psoas, M. iliacus en de M. quadratus lumborum bevinden zich hier
Achterwand = stevig (vgl. met ventrolaterale wand)
Ventrolaterale wand: opgebouwd door huid en de buikspieren met hun
pezen (os coxae tot onderrand ribbenboog)
Buikspieren: hechten aan thorax, lendenwervels en het bekken
- Bepalen de stevigheid van de anterolaterale buikwand + bewegen de
lendenwervelkolom
Fascia thoracolumbalis bedekt:
Diepe rugspieren die samen de M. erector spinae vormen + scheidt deze
spieren van de oppervlakkige spieren
Thoracale gebied: diepe rugspieren vanaf de processus spinosi tot aan de
anguli costae (lateraal)
Ligt onder de M. serratus posterior superior + M. rhomboideus
- Loopt verder in de fascia van de hals en de fascia nuchae
Goed ontwikkeld in het lumbale gebied + driebladig
- Oppervlakkige laag: vastgehecht aan de processus spinosi van de
lumbale en sacrale wervels
- Middelste laag: mediaal vastgehecht aan de processsus costarii en de
ligamenten die ze verbinden, naar caudaal toe is ze vastgehecht aan
de crista iliaca. Naar craniaal toe aan de rand van de twaalfde rib
- Diepste laag: bedekt M. quadratus lumborum, is mediaal vastgehecht
aan de ventrale zijde van de processus costarii van de lumbale wervels
diep van de M. psoas major, naar caudal toe hecht ze aan het
ligamentum iliolumbale en de crista iliaca. Naar craniaal toe vormt ze
het ligamentum arcuatum laterale.
, Middelste + oppervlakkige laag: laterale zijde van de M. erector spinae
Middelste + diepste laag: laterale zijde van de M. quadratus lumborum ->
vormen aponeurose voor de M. transversus abdominis
Oppervlakkige laag = sterk ontwikkeld + geeft oorsprong aan M.
latissimus dorsi, M. serratus posterior inferior en M. gluteus maximus
5.2 Ventrolaterale of schuine buikspieren
5.2.1 M. obliquus externus abdominis (MOEA)
= meest oppervlakkige en grootste schuine buikspier. Een dunne spier +
grootste deel van haar oppervlak = pezig. Het spiervlees is gelegen in de
anterolaterale buikwand.
Oorsprong: buitenzijde van de 5de tot 12de rib
Insertie: labium externum (crista iliaca) + tuberculum pubicum + kam
tussen het tuberculum pubicum en de symphysis pubica + linea alba
Verloop:
- Oorsprong en richting: vezels van de 11e en 12e rib lopen recht naar
beneden naar de voorste 2/3 van de crista iliaca. Tussen de vezels en
de ventrocaudale rand van de M. latissimus dorsi ligt een driehoekige
speelt = trigonum lumbale van Petit. Overige vezels lopen van
craniolateraal schuin naar mediocaudaal. Vezels van de lagere ribben
lopen schuiner dan die van de bovenste ribben, die bijna horizontaal
lopen.
- Insertie en aponeurose: alle vezels lopen uit op een aponeurotisch
blad, van het negende ribkraakbeen naar caudaal naar spina iliaca
anterior superior. De brede aponeurose loopt ventraal en oppervlakkig
van M. rectus abdominis. Cranioventrale vezels lopen bijna horizontaal
en eindigen mediaal in de linea alba, samen met symmetrische vezels
van M. obliquus externus en diepere schuine buikspieren.
- Caudale vezels: bereiken het os pubis, tussen symphysis en
tuberculum pubicum. Onderrand van de aponeurose is naar binnen