BIOMOLECULE EN METABOLISME
DEEL 1: BIOMOLECULE
HOOFDSTUK 1: INLEIDING –DE CEL IN RELATIE TOT DE LEVENDE
WERELD
1. ALGEMENE KENMERKEN – PROKARYOOT VS EUKARYOOT
Prokaryoten (bacteriën)
Kleine cellen, typisch minder dan 10 µm diameter
Geen celkern (geen kernmembraan)
Geen membraangebonden organellen
Cirkelvormig DNA, vrij in cytoplasma
Geen histonen (uitzondering: archaea hebben ze wel)
Weinig of geen celtypespecialisatie
Eukaryoten (menselijke cellen, planten, dieren)
Grote cellen, typisch meer dan 10 µm diameter
Wel een celkern met dubbele membraan
Wel membraangebonden organellen (mitochondriën, ER,
Golgi, lysosomen, peroxisomen)
Lineair DNA, verpakt in chromosomen in de kern
Wel histonen (H1, H2A, H2B, H3, H4) voor DNA-verpakking
Grote verscheidenheid aan gespecialiseerde celtypes (spiercellen, zenuwcellen, levercellen, enz.)
Opmerking
Uit één bevruchte menselijke eicel ontstaan meer dan 10 biljoen (10¹³) gespecialiseerde cellen
Dit ontwikkelingsproces blijft grotendeels een mysterie
2. DE DRIE KONINKRIJKEN VAN HET LEVEN
Eubacteriën
De "echte" bacteriën (bv. E. coli, S. typhimurium)
Geen histonen
Cirkelvormig DNA
Archaea
Bevatten histonen (H1, H2A, H2B, H3, H4) – net als eukaryoten
DNA wordt samengepakt met behulp van histonen – net als bij eukaryoten
Enzymen voor DNA- en RNA-synthese lijken meer op die van eukaryoten dan op die van eubacteriën
Celwand lijkt echter meer op die van eubacteriën
Vormen een evolutionaire brug tussen prokaryoten en eukaryoten
Eukarya
Bevatten kern en organellen
Lineair DNA met histonen
Omvatten planten, dieren, schimmels
3. RRNA ALS MOLECULAIRE KLOK
Wat is rRNA?
Ribosomiaal RNA
Vouwt tot een complexe structuur met zogenaamde "stem-loop" structuren
Bepaalde delen van het rRNA kunnen frequent muteren zonder dat de functie
verstoord raakt
Andere delen tolereren slechts zeer zelden mutaties
1
,Toepassing als chronometer
Snel veranderende rRNA-gebieden fungeren als "secondenwijzer"
Traag veranderende rRNA-gebieden fungeren als "uurwijzer"
Hierdoor kan men de evolutionaire "tijd" of "afstand" aflezen
Dit maakt het mogelijk om een fylogenetische stamboom op te stellen
Elke vertakking in de stamboom wijst op een gemeenschappelijke voorouder
Resultaat van de rRNA-stamboom
De moderne levende wereld valt uiteen in drie koninkrijken
Deze indeling komt overeen met de drie celtypen: eubacteriën, archaea en eukaryoten
4. DE EUKARYOTISCHE CEL – ALGEMENE BOUW
Celmembraan
Vormt de grens met de buitenwereld
Bestaat voor ongeveer 50% uit lipiden en 50%
uit eiwitten
Lipiden vormen een dubbele laag ("lipidenzee")
Cholesterol en eiwitten (pompen, kanalen,
receptoren) zijn ingebed in de membraan
Selectief permeabel voor nutriënten zoals
glucose en aminozuren
Opname gebeurt via transporter-eiwitten
Cytoplasma versus cytosol
Cytoplasma = cytosol + alle organellen (behalve de kern)
Cytosol = de waterige, geconcentreerde oplossing van ionen, bouwstenen en macromoleculen
Het cytosol omringt alle organellen
Een deel van het metabolisme vindt hier plaats: glycolyse, vetzuursynthese, eiwitsynthese
Ook een groot deel van de signaaltransductie gebeurt in het cytosol
Moleculen verplaatsen zich door diffusie of door stromingen veroorzaakt door het cytoskelet
Er kunnen lokale concentratiegradiënten ontstaan
Compartimentalisatie
Verschillende organellen en het cytosol vormen gescheiden compartimenten
Metabolische processen worden toegewezen aan specifieke organellen
Dit wordt "compartimentalisatie" van het celmetabolisme genoemd
Extra functies van membranen
Opslag van energie (als een batterij)
Voortplanting van elektrische pulsen mogelijk maken
5. DE CELKERN
Algemene kenmerken
Diameter: ongeveer 10 µm
Bevat de genetische informatie in de vorm van lineair DNA
Omgeven door een dubbele membraan met poriën (de
kernmembraan)
De poriën bestaan uit eiwitten
DNA en chromatine
Het DNA is gebonden aan histonen (H1 tot H4)
Hierdoor ontstaan chromatinedraden, waaruit chromosomen
zijn opgebouwd
Heterochromatine = compact, donker chromatine (zichtbaar na
kleuring)
Euchromatine = losser, lichter chromatine
2
,Functies
Transcriptie: DNA wordt overgeschreven naar RNA
RNA verlaat de kern via de kernporiën en gaat naar het cytosol
In het cytosol worden de RNA-moleculen door ribosomen vertaald naar eiwitten
Nucleolus
Een bijzonder subcompartiment in de kern
Hier wordt ribosomiaal RNA (rRNA) gemaakt
Hier worden ribosomen geassembleerd (eiwitten + rRNA)
Celdeling
Tijdens celdeling verdwijnt de kernmembraan tijdelijk
Het DNA (chromosomen) wordt gedupliceerd
De chromosomen worden gelijk verdeeld over de twee dochtercellen
Menselijk genoom
Bevat ongeveer 6 × 10⁹ basenparen (bp)
Totale DNA-lengte: ongeveer 2 meter per cel
Dit DNA is samengeperst in de kern van elke cel
De mens heeft 46 chromosomen (23 paar)
Ontwikkeling
Alle informatie om alle celtypes van het lichaam te maken, ligt in het DNA
Alle cellen (hersencellen, bloedcellen, levercellen, enz.) ontstaan uit één bevruchte eicel
6. MITOCHONDRIËN
Afmeting en aantal
Ongeveer 1 µm diameter – vergelijkbaar met een
bacterie
Eén cel kan honderden mitochondriën bevatten
Structuur
Omgeven door een dubbele membraan
Binnenmembraan en buitenmembraan verschillen
sterk in:
o Totale oppervlakte
o Eiwit- en lipidesamenstelling
Functie
De "energiecentrales" van de cel
Bevatten veel enzymen in de binnenmembraan en de matrix
Koolhydraten, vetzuren en aminozuren worden hier geoxideerd tot CO₂ en water
De vrijkomende energie wordt opgeslagen in de vorm van ATP
Eigen DNA en ribosomen
Bevatten een cirkelvormig DNA-molecuul
Dit DNA bevat informatie voor de synthese van enkele mitochondriale eiwitten
Bevatten eigen ribosomen
Endosymbiontentheorie
Mitochondriën zouden afstammen van prokaryote organismen
Deze organismen zijn in de loop van de evolutie endosymbionten geworden van eukaryote cellen
7. ENDOPLASMATISCH RETICULUM (ER)
Structuur
Labyrintisch systeem van grote, membraangebonden vesikels, zakjes en buizen
De binnenruimtes worden cisternae genoemd
Het ER is continu met de kernmembraan
3
, Het ER staat ook in verbinding met het Golgi-apparaat
Ruw ER
Bevat ribosomen aan de cytoplasmatische zijde
Deze ribosomen zorgen voor eiwitsynthese
De gesynthetiseerde eiwitten komen terecht in de ER-cisternae
Vanuit het ER worden de eiwitten getransporteerd naar het Golgi en uiteindelijk naar de buitenwereld
Glad ER
Geen ribosomen aanwezig
Hier vindt de lipidesynthese plaats
Ribosomen in het cytosol
Ribosomen die niet aan het ER zijn gebonden, verzorgen eiwitsynthese in het cytosol
Deze eiwitten zijn niet bestemd voor secretie
8. GOLGI-APPARAAT
Structuur
Systeem van platte, membraangebonden vesikels
Vaak opeengestapeld tot een complex
Talrijke kleine vesikels snoeren zich perifeer af van het
complex
Functie
Afwerking van secretorische producten
Transport van deze producten naar de "trans"-zijde
van het Golgi
Van daaruit worden ze getransporteerd naar:
o Andere organellen
o De celmembraan
o De buitenwereld (bv. secretie van digestieve enzymen)
9. LYSOSOMEN
Structuur
Vesikels met een diameter van 0,2 tot 0,5 µm
Omgeven door één membraan
Worden gevormd vanuit het Golgi-apparaat
Functie
Bevatten hydrolytische enzymen, zoals proteasen en nucleasen
Betrokken bij gecontroleerde afbraak van:
o Macromoleculen
o Oud celmateriaal
o Extracellulair materiaal dat is opgenomen via fagocytose of pinocytose
10. PEROXISOMEN
Structuur
Vesikels met een diameter van 0,2 tot 0,5 µm
Lijken qua vorm op lysosomen
Worden gevormd door afsnoering van het gladde ER
Functie
Bevatten oxidatieve enzymen
Zetten zuurstof om in peroxiden
Oxideren nutriënten zoals aminozuren en vetzuren
Hierbij ontstaat waterstofperoxide (H₂O₂), een potentieel schadelijke stof
Bevatten het enzym catalase, dat H₂O₂ snel omzet in water (H₂O) en zuurstof (O₂)
4
DEEL 1: BIOMOLECULE
HOOFDSTUK 1: INLEIDING –DE CEL IN RELATIE TOT DE LEVENDE
WERELD
1. ALGEMENE KENMERKEN – PROKARYOOT VS EUKARYOOT
Prokaryoten (bacteriën)
Kleine cellen, typisch minder dan 10 µm diameter
Geen celkern (geen kernmembraan)
Geen membraangebonden organellen
Cirkelvormig DNA, vrij in cytoplasma
Geen histonen (uitzondering: archaea hebben ze wel)
Weinig of geen celtypespecialisatie
Eukaryoten (menselijke cellen, planten, dieren)
Grote cellen, typisch meer dan 10 µm diameter
Wel een celkern met dubbele membraan
Wel membraangebonden organellen (mitochondriën, ER,
Golgi, lysosomen, peroxisomen)
Lineair DNA, verpakt in chromosomen in de kern
Wel histonen (H1, H2A, H2B, H3, H4) voor DNA-verpakking
Grote verscheidenheid aan gespecialiseerde celtypes (spiercellen, zenuwcellen, levercellen, enz.)
Opmerking
Uit één bevruchte menselijke eicel ontstaan meer dan 10 biljoen (10¹³) gespecialiseerde cellen
Dit ontwikkelingsproces blijft grotendeels een mysterie
2. DE DRIE KONINKRIJKEN VAN HET LEVEN
Eubacteriën
De "echte" bacteriën (bv. E. coli, S. typhimurium)
Geen histonen
Cirkelvormig DNA
Archaea
Bevatten histonen (H1, H2A, H2B, H3, H4) – net als eukaryoten
DNA wordt samengepakt met behulp van histonen – net als bij eukaryoten
Enzymen voor DNA- en RNA-synthese lijken meer op die van eukaryoten dan op die van eubacteriën
Celwand lijkt echter meer op die van eubacteriën
Vormen een evolutionaire brug tussen prokaryoten en eukaryoten
Eukarya
Bevatten kern en organellen
Lineair DNA met histonen
Omvatten planten, dieren, schimmels
3. RRNA ALS MOLECULAIRE KLOK
Wat is rRNA?
Ribosomiaal RNA
Vouwt tot een complexe structuur met zogenaamde "stem-loop" structuren
Bepaalde delen van het rRNA kunnen frequent muteren zonder dat de functie
verstoord raakt
Andere delen tolereren slechts zeer zelden mutaties
1
,Toepassing als chronometer
Snel veranderende rRNA-gebieden fungeren als "secondenwijzer"
Traag veranderende rRNA-gebieden fungeren als "uurwijzer"
Hierdoor kan men de evolutionaire "tijd" of "afstand" aflezen
Dit maakt het mogelijk om een fylogenetische stamboom op te stellen
Elke vertakking in de stamboom wijst op een gemeenschappelijke voorouder
Resultaat van de rRNA-stamboom
De moderne levende wereld valt uiteen in drie koninkrijken
Deze indeling komt overeen met de drie celtypen: eubacteriën, archaea en eukaryoten
4. DE EUKARYOTISCHE CEL – ALGEMENE BOUW
Celmembraan
Vormt de grens met de buitenwereld
Bestaat voor ongeveer 50% uit lipiden en 50%
uit eiwitten
Lipiden vormen een dubbele laag ("lipidenzee")
Cholesterol en eiwitten (pompen, kanalen,
receptoren) zijn ingebed in de membraan
Selectief permeabel voor nutriënten zoals
glucose en aminozuren
Opname gebeurt via transporter-eiwitten
Cytoplasma versus cytosol
Cytoplasma = cytosol + alle organellen (behalve de kern)
Cytosol = de waterige, geconcentreerde oplossing van ionen, bouwstenen en macromoleculen
Het cytosol omringt alle organellen
Een deel van het metabolisme vindt hier plaats: glycolyse, vetzuursynthese, eiwitsynthese
Ook een groot deel van de signaaltransductie gebeurt in het cytosol
Moleculen verplaatsen zich door diffusie of door stromingen veroorzaakt door het cytoskelet
Er kunnen lokale concentratiegradiënten ontstaan
Compartimentalisatie
Verschillende organellen en het cytosol vormen gescheiden compartimenten
Metabolische processen worden toegewezen aan specifieke organellen
Dit wordt "compartimentalisatie" van het celmetabolisme genoemd
Extra functies van membranen
Opslag van energie (als een batterij)
Voortplanting van elektrische pulsen mogelijk maken
5. DE CELKERN
Algemene kenmerken
Diameter: ongeveer 10 µm
Bevat de genetische informatie in de vorm van lineair DNA
Omgeven door een dubbele membraan met poriën (de
kernmembraan)
De poriën bestaan uit eiwitten
DNA en chromatine
Het DNA is gebonden aan histonen (H1 tot H4)
Hierdoor ontstaan chromatinedraden, waaruit chromosomen
zijn opgebouwd
Heterochromatine = compact, donker chromatine (zichtbaar na
kleuring)
Euchromatine = losser, lichter chromatine
2
,Functies
Transcriptie: DNA wordt overgeschreven naar RNA
RNA verlaat de kern via de kernporiën en gaat naar het cytosol
In het cytosol worden de RNA-moleculen door ribosomen vertaald naar eiwitten
Nucleolus
Een bijzonder subcompartiment in de kern
Hier wordt ribosomiaal RNA (rRNA) gemaakt
Hier worden ribosomen geassembleerd (eiwitten + rRNA)
Celdeling
Tijdens celdeling verdwijnt de kernmembraan tijdelijk
Het DNA (chromosomen) wordt gedupliceerd
De chromosomen worden gelijk verdeeld over de twee dochtercellen
Menselijk genoom
Bevat ongeveer 6 × 10⁹ basenparen (bp)
Totale DNA-lengte: ongeveer 2 meter per cel
Dit DNA is samengeperst in de kern van elke cel
De mens heeft 46 chromosomen (23 paar)
Ontwikkeling
Alle informatie om alle celtypes van het lichaam te maken, ligt in het DNA
Alle cellen (hersencellen, bloedcellen, levercellen, enz.) ontstaan uit één bevruchte eicel
6. MITOCHONDRIËN
Afmeting en aantal
Ongeveer 1 µm diameter – vergelijkbaar met een
bacterie
Eén cel kan honderden mitochondriën bevatten
Structuur
Omgeven door een dubbele membraan
Binnenmembraan en buitenmembraan verschillen
sterk in:
o Totale oppervlakte
o Eiwit- en lipidesamenstelling
Functie
De "energiecentrales" van de cel
Bevatten veel enzymen in de binnenmembraan en de matrix
Koolhydraten, vetzuren en aminozuren worden hier geoxideerd tot CO₂ en water
De vrijkomende energie wordt opgeslagen in de vorm van ATP
Eigen DNA en ribosomen
Bevatten een cirkelvormig DNA-molecuul
Dit DNA bevat informatie voor de synthese van enkele mitochondriale eiwitten
Bevatten eigen ribosomen
Endosymbiontentheorie
Mitochondriën zouden afstammen van prokaryote organismen
Deze organismen zijn in de loop van de evolutie endosymbionten geworden van eukaryote cellen
7. ENDOPLASMATISCH RETICULUM (ER)
Structuur
Labyrintisch systeem van grote, membraangebonden vesikels, zakjes en buizen
De binnenruimtes worden cisternae genoemd
Het ER is continu met de kernmembraan
3
, Het ER staat ook in verbinding met het Golgi-apparaat
Ruw ER
Bevat ribosomen aan de cytoplasmatische zijde
Deze ribosomen zorgen voor eiwitsynthese
De gesynthetiseerde eiwitten komen terecht in de ER-cisternae
Vanuit het ER worden de eiwitten getransporteerd naar het Golgi en uiteindelijk naar de buitenwereld
Glad ER
Geen ribosomen aanwezig
Hier vindt de lipidesynthese plaats
Ribosomen in het cytosol
Ribosomen die niet aan het ER zijn gebonden, verzorgen eiwitsynthese in het cytosol
Deze eiwitten zijn niet bestemd voor secretie
8. GOLGI-APPARAAT
Structuur
Systeem van platte, membraangebonden vesikels
Vaak opeengestapeld tot een complex
Talrijke kleine vesikels snoeren zich perifeer af van het
complex
Functie
Afwerking van secretorische producten
Transport van deze producten naar de "trans"-zijde
van het Golgi
Van daaruit worden ze getransporteerd naar:
o Andere organellen
o De celmembraan
o De buitenwereld (bv. secretie van digestieve enzymen)
9. LYSOSOMEN
Structuur
Vesikels met een diameter van 0,2 tot 0,5 µm
Omgeven door één membraan
Worden gevormd vanuit het Golgi-apparaat
Functie
Bevatten hydrolytische enzymen, zoals proteasen en nucleasen
Betrokken bij gecontroleerde afbraak van:
o Macromoleculen
o Oud celmateriaal
o Extracellulair materiaal dat is opgenomen via fagocytose of pinocytose
10. PEROXISOMEN
Structuur
Vesikels met een diameter van 0,2 tot 0,5 µm
Lijken qua vorm op lysosomen
Worden gevormd door afsnoering van het gladde ER
Functie
Bevatten oxidatieve enzymen
Zetten zuurstof om in peroxiden
Oxideren nutriënten zoals aminozuren en vetzuren
Hierbij ontstaat waterstofperoxide (H₂O₂), een potentieel schadelijke stof
Bevatten het enzym catalase, dat H₂O₂ snel omzet in water (H₂O) en zuurstof (O₂)
4