Deze samenvatting is gemaakt op basis van de slides met toevoeging van mijn notities, elementen uit het boek
en de geleverde teksten.
Geen examenvragen over diagnostiek, cijfers hoef je ook niet vanbuiten te leren (zoals prevalentie).
Mijn advies: lees de hele samenvatting aandachtig zodat je een duidelijk beeld hebt van elke stoornis (focus in
het begin niet te veel op details, zo verlies je al snel overzicht).
Focus daarna op het van buiten leren van de modellen (hoofdstuk 1), etiologie en behandeling van alle
stoornissen– alle examenvragen van de voorbije jaren gingen hierover (met uitzondering van een examenvraag
over hechting). Bepaalde zaken zal je vaak zien terug komen: zoals de genetische component bij
ontwikkelingsstoornissen of preventie, psycho-educatie, CGT – leer de basis hiervan en zorg dat je deze per
stoornis kan invullen. Wanneer je echt begrijpt waarvoor deze dienen, kan je ze ook makkelijker invullen. Leer
de rode draad in het hele verhaal te zien.
Voor de casus ga je de DSM criteria nodig hebben, die hoef je niet letterlijk te kennen, maar wel de kenmerken,
hoe lang, op welke terreinen, … Zorg dat je deze voldoende kent om je hoofddiagnose, comorbide en
differentiaaldiagnose te verantwoorden. Indien er een ontwikkelingsstoornis aanwezig is, is dit ALTIJD je
primaire diagnose. Bij elke stoornis is er telkens sprake van een impact op het dagelijks functioneren/een
lijdensdruk.
De schema’s achteraan in het document helpen je om te herhalen.
INLEIDING ................................................................................................................................................ 2
INFANTPSYCHIATRIE................................................................................................................................. 7
GEDRAGSSTOORNISSEN ........................................................................................................................ 13
ADHD ..................................................................................................................................................... 24
ASS ......................................................................................................................................................... 35
TICSTOORNIS EN TRICHOTILLOMANIE................................................................................................... 46
STEMMINGSSTOORNISSEN.................................................................................................................... 50
ANGSTSTOORNISSEN ............................................................................................................................. 61
OPZETTELIJKE ZELFVERWONDING ......................................................................................................... 70
OBSESSIEVE COMPULSIEVE STOORNIS .................................................................................................. 78
TRAUMA ................................................................................................................................................ 83
SOMATISCH-SYMPTOOM EN AANVERWANTE STOORNISSEN ............................................................... 93
MIDDELENMISBRUIK ............................................................................................................................. 98
EET- EN GEWICHTSPROBLEMEN .......................................................................................................... 109
PSYCHOSE ............................................................................................................................................ 114
LEERSTOORNISSEN .............................................................................................................................. 118
SPRAAK EN TAALSTOORNISSEN ........................................................................................................... 119
OVERZICHT DSM .................................................................................................................................. 123
OVERZICHT SCHEMA ........................................................................................................................... 131
VROEGERE EXAMENVRAGEN .............................................................................................................. 141
1
Psychopathologie kinderen & adolescenten 2026 – Freya Broos
,INLEIDING
AFBAKENING
Psychopathologie K&A = theoretische en empirische kennis van psychische stoornissen bij kinderen en
adolescenten en processen die tot stoornissen leiden.
Ontwikkelingspsychopathologie: studie van de ontwikkeling van psychische stoornissen/problemen (die het
dagelijks functioneren ernstig beperken). Geheel aan opvattingen, methoden en vraagstellingen om een beter
begrip te krijgen van afwijkend gedrag in het licht van ontwikkelingstaken, stadia en processen die de
menselijke groei kenmerken en de klinische implicaties van de verworven inzichten voor diagnostiek en
behandeling
Ontwikkelingspsychologie: bestudering van de normale ontwikkeling.
• Het klinisch beeld verandert volgends de leeftijdsfase. Verschijnselen die normaal zijn voor een
bepaalde levensfase, kunnen afwijkend zijn wanneer het optreedt in andere levensfasen. Bv koppige
peuter die vaak ‘nee’ zegt, denkbeeldig speelkameraardje, irreële angsten = normaal.
• Stoornissen die specifiek zijn voor de levensfasen t.e.m. de adolescentie. Typische kinder- en
jeugdaandoeningen zoals autisme, ADHD en andere ontwikkelingsstoornissen.
• Stoornissen die ook op volwassen leeftijd kunnen voorkomen met eventueel een specifieke
uitingsvorm in kinder- en jeugdjaren, soms een vroeg begin hebben zoals een depressie, een
angststoornis of een psychose. De klachten (klinisch beeld) kunnen bij kinderen (zeer) verschillend zijn
van die van volwassenen. Zo klagen kinderen eerder over buikpijn of hoofdpijn bij emotionele
problemen, is de stemming vaker prikkelbaar dan depressief en kan angst zich uiten in woede-
uitbarstingen en huilbuien.
Andere verschillen tov psychopathologie volwassenen
• K&A zoeken meestal niet zelf hulp voor hun problemen
• K&A zijn afhankelijk van hun gezin en hun functioneren houdt vaak direct verband met de
gezinssituatie (systeem). De context is bij k&a zeer belangrijk.
• Ontwikkeling speelt een cruciale rol. In 1ste 18 levensjaren is er enorm veel verandering, het is
belangrijk deze ontwikkelingen mee te nemen in de diagnose.
• Bij diagnostisch onderzoek bij K&A zijn er meestal andere informanten dan bij volwassenen. Bv school.
• Interventietechnieken en organisaties van zorg voor K&A zijn anders dan bij volwassenen. Bv
interventie kan zich richten op ouders. Vaak is het een combinatie.
Werken met kinderen is dus geen copy-paste van werken met volwassenen.
Ontwikkelingspsychologie vs pathologie
Wanneer spreken we van psychische stoornis?
• Kijken naar wat afwijkend is. ‘Abnormaal’ verschijnsel: afwijkend van een sociale norm. -> Lastig om bij
kinderen vast te stellen omdat ze nog in ontwikkeling zijn. Vaak moeilijk vast te stellen of het kind nog
in ontwikkeling is of het een gedragsstoornis in eerste stadia is. Vaak niet rechtlijnig. Daarom is het
handig om met een multidisciplinair team te werken.
• !! Belangrijk criterium: veroorzaakt ongemak, lijden of bezorgdheid bij de betrokkene en/of bij de
omgeving. Bv ADHD: iedereen is wel eens druk of afgeleid, maar bij ADHD is er echt een impact op het
leerproces of levenssituatie. Dit is dus ook niet objectief meetbaar. Checken bij zowel kind als
omgeving (ouders). Een jong kind kan ongemak en verdriet nog niet goed aangeven.
• Gedrag past binnen een psychopathologisch begrippenkader: kind dat zich ‘raar’ gedraagt nadat hij
hard is gevallen of ‘gesnoept’ heeft van de medicijnen van de ouders -> naar eerstehulppost, niet naar
psycholoog of psychiater. Altijd nagaan of er dus geen andere verklaring kan zijn voor het afwijkend
gedrag.
Criteria van Rutter:
• Leeftijdsadequaat
• Duur van het probleem (dagen, weken, maanden, …)
• Omstandigheden (begrijpelijk gezien de omstandigheden?)
2
Psychopathologie kinderen & adolescenten 2026 – Freya Broos
, • Socioculturele setting
• Hoeveelheid en frequentie
• Type problemen en mate van voorkomen in de populatie
• Intensiteit
• Verandering van het gedrag (was de verandering te verwachten?)
• Situatiegebondenheid (één of meer situaties?)
• Belemmerend
Vaak verweven in DSM criteria.
-> Bij casus deze criteria nagaan.
DSM 5
• Sociale consensus vanuit vooral Westers perspectief
• Gebaseerd op onderzoek
A criterium omvat steeds het klinische gedeelte. Criteria B, … gaan meer over impact etc.
CLASSIFICERENDE DIAGNOSTIEK
• Probleemanalyse: Wat is er aan de hand? Probleem vs stoornis
• Clustering van symptomen – samenvatten in fenomenen/syndromen.
• Diagnose is geen vaststaand feit (het is dynamisch. Bv evolueren van depressie naar angststoornis) en
gebaseerd op kwaliteitsvolle (grondige) diagnostiek.
Belang?
• Helpt in communicatie – gemeenschappelijke taal
• ‘Etiket’ – verklaring van wat er aan de hand is met K/A. Kan helpend zijn om te begrijpen.
• Indicatiestelling en verwijzing (behandelopties)
• Ruwe handvatten voor interventie
• Algemeen zicht op prognose
• Zicht op prevalentie
Kritiek op categorisch denken:
• sociaal-culturele bepaaldheid van psychiatrische stoornissen: vooral vanuit Westers denkbeeld
ontwikkeld
• co-morbiditeit (Bv ADHD vaak samengaand met angst) – daagt het strikt categorisch denken uit. Zelden
één afgelijnde diagnose.
• Symptoomshifting
• vage omschrijvingen, wat is grens pathologie/normaliteit
• label-maatschappij (cfr. ADHD’ers)
• onderliggende transdiagnostische mechanismen
Stilstaan bij:
• Diagnoses worden vaak vastgesteld bij 11-15jaar
• De diagnose stopt niet op 18 jaar
• Wanneer je met volwassenen werkt is het belangrijk om dit ook mee te nemen:
o Hoe is de ontwikkeling geweest?
o Hoe zijn de eerste levensjaren geweest?
o Was daar al een vermoeden van een problematiek?
Door longitudinaal onderzoek is ook gebleken dat minder dan 10% de originele of eerste diagnose gedurende
het verdere leven blijft behouden. Het merendeel krijgt minstens 5 verschillende diagnoses gekregen. Het
geeft aan dat een diagnose geen vast staan gegeven is, het kan evolueren.
DIAGNOSTIEK
ZOWEL CLASSIFIERENDE ALS DIMENSIONELE DIAGNOSTIEK BIJ K&A
Probleemgedrag van K/A wordt onderzocht in termen van cognitieve, sociale, emotionele, motorische functies,
lichamelijke afwijkingen en biologische kenmerken.
3
Psychopathologie kinderen & adolescenten 2026 – Freya Broos
, Elke classificerende diagnose stelling MOET gebaseerd zijn op (cfr richtlijnen kenniscentrum KJP):
• Breedband screeninginstrumenten (instrumenten die heel breed gaan bevragen)
• Interview, observatiegegevens (en ev. ongestructureerde methoden)
• Semi-gestructureerd interview (bv K-sads, of meer specifiek ADIS/ADOS/DIVA)
• Smalle band instrumenten = gestandaardiseerde onderzoeken/vragenlijsten die specifiek inzoomen op
bepaalde stoornissen, waarbij de score bij een bepaalde kind wordt vergeleken met een normgroep:
de gemiddelde score van kinderen van eenzelfde leeftijd, eenzelfde sekse en uit eenzelfde cultuur.
= maat van ernst van psychiatrische stoornis
Informanten
• Kind zelf: kan valide informatie geven over eigen problemen en persoonlijkheid.
• Ouders: kijken vaak anders aan tegen de problemen. Bij sommige problemen is de informatie van het
kind meer valide dan die van de ouder: zoals gebruik van middelen en internet.
• Leerkrachten: meer gericht op schoolse vaardigheden. School is vaak de eerste ‘vindplek’ bij
stoornissen als dyslexie of ADHD.
• Artsen: ‘kijken’ vaak ‘anders’ omdat ze zich ook op lichamelijke klachten richten. Dat kan een ander
beeld opleveren. En dat is nuttig.
TWEEDELING IN PROBLEEMGEDRAG
Bij het vaststellen van probleemgedrag wordt vaak onderscheid gemaakt tussen twee categorieën:
Internaliserend:
• Letterlijk: naar binnen gericht. Vooral de persoon zelf heeft er last van.
• Voorbeelden: angst en depressie.
• Meer bij meisjes
Externaliserend:
• Letterlijk: naar buiten gericht. Vooral de omgeving heeft er last van.
• Voorbeelden: gedragsstoornis, ADHD.
• Meer bij jongens.
Let op: combinatie komt vaak voor.
Niet alle stoornissen passen in een van deze categorieën.
Kennis over de leeftijd waarop een stoornis kan ontstaan, is van belang bij het vaststellen
Kinderleeftijd Adolescentie
ADHD Sociale fobie
Autisme Paniekstoornis
Hechtingsstoornis Middelenmisbruik
Scheidingsangst Anorexia/boulimia Nervosa
Specifieke fobie Psychoses
ODD Gedragsstoornis
DIFFERENTIAALDIAGNOSE EN COMORBIDITEIT
Als je vaststelt of een kind een psychische stoornis heeft, spelen tegelijkertijd nog 2 vragen:
• Hoe zeker ben ik van mijn zaak? Welke andere stoornissen lijken erop en kan ik die op grond van
argumenten uitsluiten? Dit noem je de differentiaaldiagnose. Belangrijk om een tunnelvisie te
voorkomen.
• Welke andere problemen of stoornissen gaan vaak samen met de stoornis die ik heb vastgesteld? Dit
noem je comorbiditeit.
In een casus komt een primaire diagnose voor, comorbiditeit en differentiaaldiagnose.
THEORETISCHE KADERS
Typische examenvraag naar inzicht: bespreek de etiologie van depressie vanuit bio-ecologisch systeemmodel.
3 modellen overlappen elkaar: bidirectioneel, bio-ecologisch systeem, transactioneel model
BIDIRECTIONEEL MODEL (DYADE)
4
Psychopathologie kinderen & adolescenten 2026 – Freya Broos