BESTUURSRECHT
è Franse begrippen op blackboard!!! Passieve kennis (kunnen weten wat het begrip betekent en
kunnen linken aan de leerstof)
è Mondeling en schri4elijk voorbereiding (45 min)
- 2 hoofdvragen (voor te bereiden)
- Tijdens het mondelinge gedeelte nog extra bijvragen
- Kennis, inzicht en toepassing
è 2 vragen
- Theorievraag met verbanden leggen tussen verschillende delen van de cursus
- Een casus met eventuele meerdere deelvragen
è Bondige antwoorden (meer dan 1 blad is niet goed) + antwoord de vraag
è Feedback meteen op het moment “geslaagd of niet geslaagd”
1
,INHOUDSOPGAVE
1 Deel I. Bestuursrecht: begrip, indeling, functies, kenmerken en bronnen ................................ 7
1.1 Hoofdstuk 1: Begrip ‘bestuursrecht’ ..................................................................................... 7
1.1.1 1. Formeel-juridische definitie ..................................................................................... 7
1.1.2 2. Omschrijving vanuit relaties ................................................................................... 15
1.1.3 3. Omschrijving vanuit materiële bevoegdheid bestuur................................................ 16
1.2 Hoofdstuk 2: Indeling van het bestuursrecht ........................................................................18
1.2.1 Algemeen vs. bijzonder bestuursrecht ........................................................................ 19
1.2.2 Relatie tussen algemeen en bijzonder bestuursrecht .................................................. 20
1.3 Hoofdstuk 3: Functies van het bestuursrecht .......................................................................21
1.4 Hoofdstuk 4: Kenmerken van het bestuursrecht ...................................................................22
1.4.1 1. Bestuursrecht als uitzonderingsrecht ..................................................................... 22
1.4.2 2. Meergelaagdheid van het bestuursrecht ................................................................. 29
1.5 Hoofdstuk 5: Bronnen van het bestuursrecht .......................................................................31
1.5.1 Bronnen bestuursrecht .............................................................................................. 31
2 Deel II. Besluitvormingsinstrumentarium ............................................................................. 36
2.1 Hoofdstuk 1 : inleiding : publiek-versus privaatrechtelijke actiemiddelen van de overheid ......36
2.1.1 Globaal overzicht ...................................................................................................... 36
2.2 Hoofdstuk 2 : het eenzijdige spoor : de eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling en de
pseudowetgeving ............................................................................................................................38
2.2.1 Afdeling 1 : de eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling EBR ......................................... 38
2.2.2 Afdeling 2 : een bijzondere eenzijdige bestuurshandeling : de bestuurlijke sanctie ........ 62
2.2.3 Afdeling 3 : pseudowetgeving ..................................................................................... 65
2.3 Hoofdstuk 3 : het contractuele spoor : de overeenkomst met het bestuur..............................69
2.3.1 Afdeling 1 : tweewegenleer ........................................................................................ 69
2.3.2 Afdeling 2 : mogelijke indelingen van de overeenkomst met het bestuur ....................... 71
2.3.3 Afdeling 3 : algemene beginselen van twee typische overheidscontracten :
overheidsopdrachten EN conceccies van werken diensten ........................................................... 72
2.4 Hoofdstuk 4 : leer van afsplitsbare rechtshandeling .............................................................76
2
,3 Deel III. Mensen en middelen ................................................................................................ 77
3.1 Hoofdstuk 1 : rechtsregime van het overheidspersoneel.......................................................77
3.1.1 Afdeling 1 : begrip ‘ambtenaar ‘ – cijfergegevens.......................................................... 77
3.1.2 Afdeling 2 : diversiteit in de rechtstoestand van het overheidspersoneel : statutaire versus
contractuele tewerkstelling ......................................................................................................... 79
3.1.3 Afdeling 3 : diversiteit van rechtspositieregelingen ...................................................... 84
3.1.4 Afdeling 4 : krachtlijnen van de ambtenarenstatuten ................................................... 85
3.1.5 Afdeling 5 syndicaal statuut ....................................................................................... 93
3.1.6 Afdeling 6 : vergelijkend schema statutair versus contractueel overheidspersoneel ...... 93
3.1.7 Afdeling 7 : kernwaarden, leidende beginselen en toekomstperspectieven ................... 93
3.2 Hoofdstuk 2 : rechtsregime van de goederen in het bestuursrecht ........................................94
3.2.1 Afdeling 1 : rechtsregime van de goederen van het bestuur : het domeingoederenrecht of
het recht van de ‘publieke goederen’ ............................................................................................ 94
3.2.2 Afdeling 2 : instrumentarium van het bestuur met betrekking tot de goederen van
particulieren ............................................................................................................................... 98
4 Deel IV. Bestuursorganisatie en begrip bestuur ................................................................... 106
4.1 Hoofdstuk 1 : bestuursorganisatie ..................................................................................... 106
4.1.1 Afdeling 1 : belang ................................................................................................... 106
4.1.2 Afdeling 2 : centrale begrippen ................................................................................. 106
4.2 Hoofdstuk 2 : het begrip ‘bestuur’ ..................................................................................... 127
4.2.1 Afdeling 1 : het federale begrip ‘administratieve overheid’ en zijn vlaamse tegenhangers
127
4.2.2 Afdeling 2 : het begrip ‘bestuur’ in organieke en functionele zin .................................. 130
3
, 5 Deel V. Preventieve rechtsbescherming tegen het bestuur ................................................... 135
5.1 Hoofdstuk 1 : inleiding ...................................................................................................... 135
5.2 Hoofdstuk 2 : wettigheids- of legaliteitsbeginsel................................................................. 136
5.2.1 Formele component wettigheidsbeginsel ................................................................. 136
5.2.2 Principieel verbod van delegatie ............................................................................... 138
5.2.3 Materiële component wettigheidsbeginsel ............................................................... 140
5.3 Hoofdstuk 3 : beginselen van behoorlijk bestuur ................................................................ 141
5.4 Catalogus van de beginselen van behoorlijk bestuur .......................................................... 146
5.4.1 Zorgvuldigheidsbeginsel .......................................................................................... 147
5.4.2 Hoorplicht (audi et alteram partem « hoor ook de andere partij ») ............................... 149
5.4.3 Onpartijdigheidsbeginsel ......................................................................................... 152
5.4.4 Motiveringsbeginsel ................................................................................................ 155
5.4.5 Redelijkheidsbeginsel ............................................................................................. 156
5.4.6 Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel ................................................................ 157
5.4.7 Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel .............................................................. 159
5.4.8 Redelijketermijneis.................................................................................................. 160
5.5 Beginselen van behoorlijk bestuur versus beginselen van behoorlijk burgerschap................ 161
5.6 Wetten of beginselen van de openbare dienst .................................................................... 163
5.6.1 Benuttigingsgelijkheid ............................................................................................. 163
5.6.2 Continuïteitsbeginsel .............................................................................................. 164
5.6.3 Veranderlijkheidsbeginsel ........................................................................................ 167
5.7 Formele motivering van bestuurshandelingen ................................................................... 168
5.7.1 Materiële- versus formelemotiveringsplicht .............................................................. 169
5.7.2 Rechter versus bestuur ............................................................................................ 170
5.7.3 Doelstellingen WMB ................................................................................................ 170
5.7.4 Statuut van de formelemotiveringsplicht en plaats in de hiërarchie der normen .......... 171
5.7.5 Bevoegdheidsverdeling en formelemotiveringsplicht ................................................. 171
5.7.6 Toepassingsgebied ratione personae ........................................................................ 171
5.7.7 Toepassingsgbied ratione materiae .......................................................................... 172
5.7.8 uitzonderingen op de formelemotiveringsplicht ........................................................ 173
5.7.9 Wisselwerking WMB + specifieke regelgeving ............................................................ 173
5.7.10 Draagwijdte formelemotiveringsplicht ...................................................................... 174
5.7.11 Vernietiging wegens gebrek aan / in de formele motivering? ....................................... 176
4
è Franse begrippen op blackboard!!! Passieve kennis (kunnen weten wat het begrip betekent en
kunnen linken aan de leerstof)
è Mondeling en schri4elijk voorbereiding (45 min)
- 2 hoofdvragen (voor te bereiden)
- Tijdens het mondelinge gedeelte nog extra bijvragen
- Kennis, inzicht en toepassing
è 2 vragen
- Theorievraag met verbanden leggen tussen verschillende delen van de cursus
- Een casus met eventuele meerdere deelvragen
è Bondige antwoorden (meer dan 1 blad is niet goed) + antwoord de vraag
è Feedback meteen op het moment “geslaagd of niet geslaagd”
1
,INHOUDSOPGAVE
1 Deel I. Bestuursrecht: begrip, indeling, functies, kenmerken en bronnen ................................ 7
1.1 Hoofdstuk 1: Begrip ‘bestuursrecht’ ..................................................................................... 7
1.1.1 1. Formeel-juridische definitie ..................................................................................... 7
1.1.2 2. Omschrijving vanuit relaties ................................................................................... 15
1.1.3 3. Omschrijving vanuit materiële bevoegdheid bestuur................................................ 16
1.2 Hoofdstuk 2: Indeling van het bestuursrecht ........................................................................18
1.2.1 Algemeen vs. bijzonder bestuursrecht ........................................................................ 19
1.2.2 Relatie tussen algemeen en bijzonder bestuursrecht .................................................. 20
1.3 Hoofdstuk 3: Functies van het bestuursrecht .......................................................................21
1.4 Hoofdstuk 4: Kenmerken van het bestuursrecht ...................................................................22
1.4.1 1. Bestuursrecht als uitzonderingsrecht ..................................................................... 22
1.4.2 2. Meergelaagdheid van het bestuursrecht ................................................................. 29
1.5 Hoofdstuk 5: Bronnen van het bestuursrecht .......................................................................31
1.5.1 Bronnen bestuursrecht .............................................................................................. 31
2 Deel II. Besluitvormingsinstrumentarium ............................................................................. 36
2.1 Hoofdstuk 1 : inleiding : publiek-versus privaatrechtelijke actiemiddelen van de overheid ......36
2.1.1 Globaal overzicht ...................................................................................................... 36
2.2 Hoofdstuk 2 : het eenzijdige spoor : de eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling en de
pseudowetgeving ............................................................................................................................38
2.2.1 Afdeling 1 : de eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling EBR ......................................... 38
2.2.2 Afdeling 2 : een bijzondere eenzijdige bestuurshandeling : de bestuurlijke sanctie ........ 62
2.2.3 Afdeling 3 : pseudowetgeving ..................................................................................... 65
2.3 Hoofdstuk 3 : het contractuele spoor : de overeenkomst met het bestuur..............................69
2.3.1 Afdeling 1 : tweewegenleer ........................................................................................ 69
2.3.2 Afdeling 2 : mogelijke indelingen van de overeenkomst met het bestuur ....................... 71
2.3.3 Afdeling 3 : algemene beginselen van twee typische overheidscontracten :
overheidsopdrachten EN conceccies van werken diensten ........................................................... 72
2.4 Hoofdstuk 4 : leer van afsplitsbare rechtshandeling .............................................................76
2
,3 Deel III. Mensen en middelen ................................................................................................ 77
3.1 Hoofdstuk 1 : rechtsregime van het overheidspersoneel.......................................................77
3.1.1 Afdeling 1 : begrip ‘ambtenaar ‘ – cijfergegevens.......................................................... 77
3.1.2 Afdeling 2 : diversiteit in de rechtstoestand van het overheidspersoneel : statutaire versus
contractuele tewerkstelling ......................................................................................................... 79
3.1.3 Afdeling 3 : diversiteit van rechtspositieregelingen ...................................................... 84
3.1.4 Afdeling 4 : krachtlijnen van de ambtenarenstatuten ................................................... 85
3.1.5 Afdeling 5 syndicaal statuut ....................................................................................... 93
3.1.6 Afdeling 6 : vergelijkend schema statutair versus contractueel overheidspersoneel ...... 93
3.1.7 Afdeling 7 : kernwaarden, leidende beginselen en toekomstperspectieven ................... 93
3.2 Hoofdstuk 2 : rechtsregime van de goederen in het bestuursrecht ........................................94
3.2.1 Afdeling 1 : rechtsregime van de goederen van het bestuur : het domeingoederenrecht of
het recht van de ‘publieke goederen’ ............................................................................................ 94
3.2.2 Afdeling 2 : instrumentarium van het bestuur met betrekking tot de goederen van
particulieren ............................................................................................................................... 98
4 Deel IV. Bestuursorganisatie en begrip bestuur ................................................................... 106
4.1 Hoofdstuk 1 : bestuursorganisatie ..................................................................................... 106
4.1.1 Afdeling 1 : belang ................................................................................................... 106
4.1.2 Afdeling 2 : centrale begrippen ................................................................................. 106
4.2 Hoofdstuk 2 : het begrip ‘bestuur’ ..................................................................................... 127
4.2.1 Afdeling 1 : het federale begrip ‘administratieve overheid’ en zijn vlaamse tegenhangers
127
4.2.2 Afdeling 2 : het begrip ‘bestuur’ in organieke en functionele zin .................................. 130
3
, 5 Deel V. Preventieve rechtsbescherming tegen het bestuur ................................................... 135
5.1 Hoofdstuk 1 : inleiding ...................................................................................................... 135
5.2 Hoofdstuk 2 : wettigheids- of legaliteitsbeginsel................................................................. 136
5.2.1 Formele component wettigheidsbeginsel ................................................................. 136
5.2.2 Principieel verbod van delegatie ............................................................................... 138
5.2.3 Materiële component wettigheidsbeginsel ............................................................... 140
5.3 Hoofdstuk 3 : beginselen van behoorlijk bestuur ................................................................ 141
5.4 Catalogus van de beginselen van behoorlijk bestuur .......................................................... 146
5.4.1 Zorgvuldigheidsbeginsel .......................................................................................... 147
5.4.2 Hoorplicht (audi et alteram partem « hoor ook de andere partij ») ............................... 149
5.4.3 Onpartijdigheidsbeginsel ......................................................................................... 152
5.4.4 Motiveringsbeginsel ................................................................................................ 155
5.4.5 Redelijkheidsbeginsel ............................................................................................. 156
5.4.6 Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel ................................................................ 157
5.4.7 Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel .............................................................. 159
5.4.8 Redelijketermijneis.................................................................................................. 160
5.5 Beginselen van behoorlijk bestuur versus beginselen van behoorlijk burgerschap................ 161
5.6 Wetten of beginselen van de openbare dienst .................................................................... 163
5.6.1 Benuttigingsgelijkheid ............................................................................................. 163
5.6.2 Continuïteitsbeginsel .............................................................................................. 164
5.6.3 Veranderlijkheidsbeginsel ........................................................................................ 167
5.7 Formele motivering van bestuurshandelingen ................................................................... 168
5.7.1 Materiële- versus formelemotiveringsplicht .............................................................. 169
5.7.2 Rechter versus bestuur ............................................................................................ 170
5.7.3 Doelstellingen WMB ................................................................................................ 170
5.7.4 Statuut van de formelemotiveringsplicht en plaats in de hiërarchie der normen .......... 171
5.7.5 Bevoegdheidsverdeling en formelemotiveringsplicht ................................................. 171
5.7.6 Toepassingsgebied ratione personae ........................................................................ 171
5.7.7 Toepassingsgbied ratione materiae .......................................................................... 172
5.7.8 uitzonderingen op de formelemotiveringsplicht ........................................................ 173
5.7.9 Wisselwerking WMB + specifieke regelgeving ............................................................ 173
5.7.10 Draagwijdte formelemotiveringsplicht ...................................................................... 174
5.7.11 Vernietiging wegens gebrek aan / in de formele motivering? ....................................... 176
4