Marcus Van Vaernewijck
Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden
en voornamelick in Ghendt 1566-1568
(Tekstuitgave Vander Haeghen 1872-1881)
Fragment boek 2, cap. IV
Alzoo zach men eenpaerlic (voortdurend) dat pampier (papier) vlieghen in de lucht, ende
ondertusschen werden daer ooc veel boucken, som alf, som gheheel (helemaal) gheschuert,
ende som gheheel ende ghesloten (gesloten/toe: verzegeld) zijnde int water ghesmact
(gegooid) mits (aangezien) dat zij overlast waren vanden weercke (te veel belast door het
werk → te veel werk hadden). Daermede (daarmee/daarbij) somtijts (soms) uutvloghen
(vlogen buiten/uit het raam) zittecussens ende anderen huijsraet (huisraad →
meubelen/potten/pannen), zoo dat de Leije vervult scheen vanden (vol leek te liggen van)
pampiere ende vande boucken, die onnoumelic (onnoemelijk) ghelt ghecost hadden; want dit
clooster was alzoo wel voorzien (even goed voorzien) van boucken als eenich dat men vant
(om het even welk ander klooster dat je vindt). Die kinderen, knechten (jonge mannen) ende
mans vischten hier ende daer de boucken, ende werden met zacken ende curtewaghenen (met
zakken en kruiwagens) wech ghevoert die uuten water ghetrocken waren (die boeken die uit
het water getrokken waren), ende alsser sommighe quamen die zeijden: ghij zulter in weerzien
zijn (jij zult er om veracht worden/geminacht worden) dat ghij dees boucken neemt ende
vischt (neemt en uit het water vist); want men mach niet nemen (stelen), zoo werden zij som
(soms) vervaert (bang) ende werpen de boucken weder (terug) int watere. Ja, daer wasser
(daar waren er) die gheheel zacken met boucken uutsturtten (uitstorten/uitgoten) ende lietense
drijven, dwelc jammer was (gevoel van Marcus). (…) (→ fragment over vernietigen
beelden+meubilair) Maer die meeste schade die daer gedaan was; dat was in de boucken,
dwelck menich studiues gheest beclaechde (wat veel leergierige geesten/mensen jammer
Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden
en voornamelick in Ghendt 1566-1568
(Tekstuitgave Vander Haeghen 1872-1881)
Fragment boek 2, cap. IV
Alzoo zach men eenpaerlic (voortdurend) dat pampier (papier) vlieghen in de lucht, ende
ondertusschen werden daer ooc veel boucken, som alf, som gheheel (helemaal) gheschuert,
ende som gheheel ende ghesloten (gesloten/toe: verzegeld) zijnde int water ghesmact
(gegooid) mits (aangezien) dat zij overlast waren vanden weercke (te veel belast door het
werk → te veel werk hadden). Daermede (daarmee/daarbij) somtijts (soms) uutvloghen
(vlogen buiten/uit het raam) zittecussens ende anderen huijsraet (huisraad →
meubelen/potten/pannen), zoo dat de Leije vervult scheen vanden (vol leek te liggen van)
pampiere ende vande boucken, die onnoumelic (onnoemelijk) ghelt ghecost hadden; want dit
clooster was alzoo wel voorzien (even goed voorzien) van boucken als eenich dat men vant
(om het even welk ander klooster dat je vindt). Die kinderen, knechten (jonge mannen) ende
mans vischten hier ende daer de boucken, ende werden met zacken ende curtewaghenen (met
zakken en kruiwagens) wech ghevoert die uuten water ghetrocken waren (die boeken die uit
het water getrokken waren), ende alsser sommighe quamen die zeijden: ghij zulter in weerzien
zijn (jij zult er om veracht worden/geminacht worden) dat ghij dees boucken neemt ende
vischt (neemt en uit het water vist); want men mach niet nemen (stelen), zoo werden zij som
(soms) vervaert (bang) ende werpen de boucken weder (terug) int watere. Ja, daer wasser
(daar waren er) die gheheel zacken met boucken uutsturtten (uitstorten/uitgoten) ende lietense
drijven, dwelc jammer was (gevoel van Marcus). (…) (→ fragment over vernietigen
beelden+meubilair) Maer die meeste schade die daer gedaan was; dat was in de boucken,
dwelck menich studiues gheest beclaechde (wat veel leergierige geesten/mensen jammer