Universiteit van Antwerpen - 6sp - 2025/2026
Classical Hollywood 2
Hollywood Musicals 4
Poëtisch realisme 11
Film Noir en Orson Welles 19
Alfred Hitchcock 24
Italiaans neorealisme 31
Italiaans modernisme 39
Jean-Luc Godard 49
Rive gauche 58
Transcendental Style 63
Western 68
New Hollywood 75
Chantal Akerman 81
Films 85
1
,1930 - 1970
ontstaan klankfilm - grote bloei en stromingen
canon
belangrijkste: stromingen en auteurs, film als kunstvorm
visueel leren
Classical Hollywood
klassieke narratieve film/ klassieke filmtaal
= de standaard → moeilijk te bekenmerken
naar voorbeeld van de og’s bv Griffith: toen al ongeveer vastgelegde
vanaf dat grote studio’s vestigen in hollywood (+-)
geconsolideerd met doorbraak geluidsfilm
1) standaardisering lengte: 90 min
2) klassieke verhaalstructuur
- obv burgelijk real theater en klassieke roman
- personages vertolkt door acteurs
- oorzaak-gevolgrelatie
- psychologische motivatie, identificatie met kijker
3) temporele en ruimtelijke coherentie
- continuity editing en ellipsen
- montage is onzichtbaar
- 180°-regel
- opbouw scènes: establishing shot, closer shots
- match on action
- eyeline match
in late 1930 → perfectie → wereldwijde dominantie → ondermijnen
classical hollywood system
verbonden met spec prod, dis en consumptiesysteem
enorme output: 1 film/week/studio
massapubliek
→ enorme eco factor
doorbraak geluid → standaardisering programma
newreel → short → cartoon → double feature: A- en B-productie
oligopolie: 95% door 8 studio’s
5 Majors: The big five
- verticale integratie
- block booking
- blind bidding
- wurgcontracten
- Warner Brothers; MGM, paramount, radio pictures, fox
3 Minors: geen verticale integratie
- columbia
- universal international
2
, - united artist
5%: Independents
- minder films
- ander systeem
- poverty row studios: etnisch gespecialiseerd (voor en door bep groep)
- minder geld
alles is vervlochten door elk
zelfcensuur: production code
klachten over bep films → angst: nationaal opgelegde censuur → zelf syst verzinnen
strak vanaf 1933: krankzinnige regels
→ proberen omzeilen
certificaat nodig om te kunnen vertonen
sterren: vooral in hollywood, minder in europa
producer: bep alles
auteur is minder belangrijk
studiosysteem
niet zo in europa
genres: belangrijk maar soepel, versmelting mogelijk
Neergang
1946: hoogtepunt is US: grootste prod en aantal bioscoopbezoeken (kwantitatief)
WOII: vermindering (suburbanisatie)
- doorbraak TV: proberen tegen te gaan, trucs, maar werkt niet
- anti-trustwetten: eind aan verticale integratie
- McCarthyisme: vervolging alles dat links is
- Production code niet langer houdbaar door nieuwe samenleving
- Target Audiences → versnippering
- disney (kinderen)
- art house (hoogopgeleide middenklasse)
- …
3
, Hollywood Musicals
bloeiperiode: 1930-1955
bv. the jazz singer, the broadway melody
verbonden met opkomst geluidsfilm: singing-dancing-talking musical pictures
eerste geluidsfilms: verfilmde broadway-opvoering → importen broadway-talent (experten in
geluid en muziek)
→ regressie
- verfilmd theater
- geen cameramobiliteit en gemotoriseerde camera in geluidsdichte cel (voor snelheid:
moet perfect zijn) → sweatrooms
- geen montage
bep geluidstechnologie:
- statisch beeld en microfoons die weinig gevoelig zijn
- 1 geluidsspoor
- ‘the movie stopped moving”
MAAR snelle evolutie en sofisticatie van geluidstechnologie
inventief met beperkingen
→ bijzonder belangrijke genre
escapisme tijdens de Depressie maar realiteit sijpelt soms binnen
US: paramount; lubitsch (humor en ingenieurische trucjes) en mamoulian (experimenteel)
in europa later
duur: infrastructuur moet worden aangepast
Berkeley
opgegroeid op planken
militaire academie → WO1: driloefeningen in complexe patronen, ervaring regisseren grote
groepen mensen, complexe bewegingen
na oorlog: succesvolle broadwaychoreograaf
- complexe patronen
- gesofisticeerde technische infrastructuur
- trappen en eindeloze dieptes
- belichting → naar film
- focus op lower en middleclass (versch met rest: aristocratisch)
4