A. inleiding in de functionele anatomie
a. Inleiding in de Anatomie
- anatomie komt van Grieks woord ‘anatomnein’ -> opensnijden
- ‘ontleedkunde’: de leer van de levende wezens (door dissecties)
- algemeen anatomie: het vakgebied uit de biologie waarin de vorm, de structuur en de
organisatie van organismen bestudeerd worden
- oudste en eenvoudigste levende wezens -> eencellige (microscopisch)
- grote massa’s ontstaan door het aan elkaar kleven van gelijke cellen die samenwerken
om een specifieke functie uit te voeren, deze supra-cellulaire eenheid vormt een weefsel
(deze kunnen hard (botweefsel), zacht (vetweefsel) of vloeibaar (bloed) zijn)
- orgaan (bv. Een spier): een verbinding van verschillende weefsels
- microscopische anatomie: de studie van weefsels en cellen
- macroscopische anatomie: de studie van grotere structuren v/h lichaam
- stelsel: de verzameling van samenwerkende organen (bv. Het hart, de bloedvaten en
bloed zijn afzonderlijke organen die samen het bloedvatenstelsel vormen)
- organismen: verschillende stelsels bijeen
- klassieke ontleedkunde: men beschrijft de gemiddelde bouw van een volgroeid en
normaal lichaam
• Systematisch: lichaam wordt beschreven volgens zijn systemen of stelsel
o Beschrijving van bewegingsapparaat -> beenderstelsel en spierstelsel
• Topografisch: lichaam wordt in streken of regiones verdeeld
- in functionele anatomie is kennis niet van het lijk, maar v/d levende mens belangrijk
b. opbouw en doelstelling v/d cursus
- de osteologie: beschrijving v/d botten
- de arthrologie: beschrijving v/d botverbindingen (gewrichten)
- de myologie: de beschrijving v/d spieren
1
,B. de anatomische nomenclatuur
a. de anatomische terminologie
Enkelvoud Meervoud
a : arteria, slagader; aa : arteriae
art : articulatio, gewricht; artt : articulationes
lig : ligamentum, band; ligg : ligamenta
m : musculus, spier; mm : musculi
n : nervus, zenuw; nn : nervi
r : ramus, tak; rr : rami
v : vena, ader; vv : venae
- Beenderige uitsteeksels (verhevenheden) en uithollingen (indeukingen) worden vaak
vermeld als:
uitsteeksels:
• condylus en caput: grote, ronde knobbels
• crista: kam
• linea: een minder duidelijke aftekening dan een crista
• processus: algemene naam voor uitsteeksel
• tuberculum: kleine rond uitsteeksel
• tuberositas: ruwe verdikking
uithollingen:
• foramen: opening
• fossa: uitgehold vlak
• sulcus: groeve
• sinus: kanaal
- De namen van spieren zijn vaak te begrijpen omdat ze refereren naar een specifiek
kenmerk zoals:
• de vorm: m. deltoideus, m. quadratus
• grootte: m. gluteus maximus, m. teres minor
• aantal hoofden: m. biceps, m. triceps
• plaats in het lichaam: m. brachialis, m. palmaris longus
• functie: m. supinator, m. adductor magnus
2
, b. de anatomische positie
- wordt gebruikt als referentie om de positie en oriëntatie van verschillende
lichaamsdelen te beschrijven
- Het lichaam is rechtop, naar voren gericht
- De voeten zijn parallel en plat op de vloer, met de tenen naar voren gericht.
- De armen hangen langs de zijkanten, met de handpalmen naar voren gericht.
- Het hoofd en de ogen zijn naar voren gericht.
c. de oriëntatietermen v/h menselijke lichaam: vlakken en assen
- verticale of cephalo-caudale as: van boven naar onder
- frontale of transversale as: van links naar rechts
- sagittale as: van voor naar achter
- het verticale vlak of sagittale vlak: loopt volgens de verticale en sagittale as
- het transversale vlak: de verbinding v/d twee horizontale assen
- het frontale vlak: de combinatie v/d verticale en de transversale as
d. regionale termen
- lichaamsdelen worden verdeelt in verschillende regio’s die de structuren bevatten die
betrokken zijn bij vergelijkebare functies
- deze termen worden gebruikt om specifieke gebieden v/h lichaam te beschrijven
- axiale regio: omvat gebieden v/h hoofd tot de buik (vormen de centrale lichaamsas)
- appendiculaire regio: bestaat uit de ledematen en aanhangsels die in verbinding staan
met de axiale regio
- Craniaal: Verwijst naar de schedel of cranium.
- Faciaal: Heeft betrekking op het gezicht.
- Cervicaal: Met betrekking tot de nekstreek.
- Occipitaal: Met betrekking tot de achterkant van het hoofd.
- Brachiaal: Met betrekking tot de arm.
- Palmair: Met betrekking tot de pols.
- Digitaal of falangeaal: Met betrekking tot de vingers of tenen.
- Bekken: Met betrekking tot het bekken.
- Pubis/schaambeen: Met betrekking tot de schaamstreek.
3