problematische criteria
In week 7 maken we de balans op. Het antwoord op de vraag “Wat is (goed)
recht?” (zowel in theoretisch als in praktisch opzicht) is afhankelijk van het
standpunt dat je inneemt. Neem je een rechtspositivistisch standpunt in, dan zal
je de waardevrije maatstaf van rechtmatigheid gebruiken. Houd je vast aan een
natuurrechtelijk standpunt, dan zal je de waarde van rechtvaardigheid hanteren.
Voor beide standpunten lijkt wel wat te zeggen, maar er zullen altijd
gebeurtenissen zijn die maken dat de morele overtuiging van velen niet
overeenstemt met de positie van het recht. Kan het rechtspositivisme dan wel
voet bij stuk houden en nog steeds spreken over “rechtmatig recht”? En hoe zit
het met de natuurrechttheorie: wat houdt haar standpunt dat alleen
“rechtvaardig recht” recht is eigenlijk in, en wat zijn hiervan de gevolgen? En
wat moet het individu doen, en wat zou bijvoorbeeld Antigone doen, als hij/zij
met “onrechtvaardig recht” wordt geconfronteerd? Het volgende, indringende
gedicht van Martin Niemöller (1892-1984, Duits predikant, theoloog en criticus
van het Naziregime) zet ons aan tot denken:
“Als die Nazis die Kommunisten
holten, habe ich geschwiegen;
ich war ja kein Kommunist.
Als sie die Sozialdemokraten
einsperrten, habe ich
geschwiegen; ich war
ja kein
Sozialdemokrat.
Als sie die Gewerkschafter
holten, habe ich nicht
protestiert; ich war ja kein
Gewerkschafter.
Als sie die Juden holten,
habe ich nicht
protestiert; ich war ja
kein Jude.
Als sie mich holten,
gab es keinen mehr, der protestieren konnte.” 1
Stelling 1: Rechtmatigheid is de enige maatstaf van geldig recht.
Casus: Recht onder apartheid in Zuid-Afrika
Opdracht: Lees onderstaande poster, waarop een samenvatting is gegeven van
de wettelijke apartheidsregels die tussen 1948 en 1990 in Zuid-Afrika hebben
gegolden, en beargumenteer of en waarom deze regels destijds inderdaad
geldig recht zijn geweest ook al waren deze regels inhoudelijk onrechtvaardig.
1 Bron: https://de.wikipedia.org/wiki/Martin_Niemöller.
1
, Gebruik hierbij ook de argumenten van de filosofen genoemd in hoofdstuk XII
van Recht als raadsel. Neem een standpunt in ten aanzien van stelling 1.
-Valt dit onrechtvaardig recht, recht te noemen?
Kelsen (natuurrechtsdenker): Ja, moraal en rechtvaardigheid zijn
subjectieve zaken, er kan niet rationeel over gesproken worden en we
kunnen ons objectieve recht daar dus niet van laten afhangen.
(Rechtmatigheid daarentegen heeft betrekking op objectief vaststelbare
handelingen en gaat niet over de inhoud maar over de toepassing van
het recht, dit kan dus wel toegepast worden in ons positieve recht)
Gelijkheidsbeginsel: oproep om de gevallen die door de wetgever
als gelijke gevallen worden aangemerkt, op gelijke wijze te behandelen
de wetgever heeft gekozen dat witte en Afrikaanse mensen niet gelijk zijn
dus ze zouden ook niet gelijk behandelt moeten worden.
Radbruch: nee, men kan recht en moraal niet loskoppelen van elkaar en
het is net het doel van het recht om te streven naar doelmatigheid,
gerechtigdheid en rechtvaardigheid we mogen het positieve recht
opzijschuiven als de tegenstelling met hetgeen men onder gerechtigheid
verstaat ‘onverdraaglijk groot’ is, dat is hier wel het geval. (Als iets geen
recht genoemd kan worden, moet men dit ook niet gehoorzamen)
Gelijkheidsbeginsel: De wetgever moet de categorieën zo kiezen,
zodat mensen gelijk behandeld worden hier zijn de categorieën dus
verkeerd gekozen
Hart: ja, recht is recht ongeacht of het overeenstemt met de moraal. Er
kruipt sowieso wel een stukje moraal in het recht maar daardoor wil dit
niet zeggen dat dit per se het goede is.
Smal rechtsbegrip: alleen die regels die aan minimale morele eisen
voldoen tellen als recht dan is dit geen recht
Breed rechtsbegrip: alle regels die volgens de geldige procedures
tot stand zijn gekomen tellen als recht dan is dit wel recht
-Standpunt van stelling 1: nee, rechtmatigheid moet sowieso meespelen in
het maken van wetten en wetten mogen ook absoluut niet in strijd zijn met
elkaar maar rechtvaardigheid moet toch ook een al dan niet kleine rol spelen.
Het is ook onbillijk om van burgers te verlangen dat ze recht zullen volgen dat
voor niets gebaseerd is op rechtvaardigheid. Idealiter zou recht een afspiegeling
moeten zijn van wat de maatschappij rechtvaardig vindt maar dit is in de
praktijk moeilijk te bereiken.
2