De Romeinse republiek, die begon rond 509 v. Chr. en duurde tot 27 v. Chr.,
strekte zich uit over het gehele Italiaanse schiereiland, heel Italië tot aan de
Alpen dus.
Ten tijde van deze republiek heerste er een grote sociale ongelijkheid. De minder
welvarende burgers, ook wel plebejers genoemd werden op sociaal vlak
uitgesloten door de rijke elite, de patriciërs. Er heerste dus een
standenmaatschappij met bovenaan de rijke patriciërs, een goed stukje
daaronder, de plebejers en dan de 2 categorieën van personen die er echt niet
toe deden, de slaven en buitenlanders.
De economie was een nog primitieve agrarische economie, die vooral bestond uit
landbouw en handel. De plebejers hadden vaak een grote lening voor de gronden
die ze bewerkten of ze bewerkten de gronden van de patriciërs. De voornaamste
economische activiteit voor veel patriciërs bestond uit slavenhandel. De sociale
ongelijkheid kleurde ook de politiek van die tijd. Alleen patriciërs hadden veel
grond, ze waren dus machtig en mochten daardoor de politieke functies
bekleden. De plebejers waren vaak handelaren of boeren en zij mochten
helemaal niet aan de politiek deelnemen.
De scheiding der machten zoals wij ze vandaag kennen, ontstond pas in de 18 e
eeuw, door Montesqieu maar de patriciërs en plebejers hanteerden een systeem
dat toch wat raakvlakken kent met de trias politica. Om wetten te stemmen of
vragen over besluitvorming, organiseerden ze volksvergaderingen waar zowel de
patriciërs als de plebejers konden stemmen. De patriciërs hadden echter wel
meer stemgewicht, de invloed van de plebejers blijft dus ook hier beperkt. En
alleen mannen konden hieraan meestemmen. De wetten en het uitvoerend
beleid lagen bij de magistratuur, die was nog vrij primitief en bestond
voornamelijk uit 2 consuls. De consuls voerden hun mandaat uit door met twee
samen te werken, om machtsmisbruik van 1 leidinggevende te voorkomen. Ook
werkte de magistraat nauw samen met de senaat, waar uiteindelijk wel plebejers
mochten zetelen.
Naarmate de maatschappij complexer wordt, komen er ook lagere magistraturen
bij. De eerste die ingevoerd werden waren de quaestoren, die vanaf 447 v. Chr.
de staatskas beheerden en zich onder andere met belastinginning bezighielden.
De rechterlijke macht lag in handen van de praetoren, meer specifiek de praetor
urbanus, die juridische geschillen tussen burgeres behandelde. Naast de politieke
macht hadden de patriciërs ook nog eens de religieuze macht. Alleen zij konden
ook religieuze ambten bekleden.
Het Romeins recht was voor 451 v. Chr. Nog heel primitief. Het had, voor zover wij
weten, geen geschreven bronnen van het recht maar het steunde op
gewoonterecht. De dagdagelijkse gebruiken, die ze belangrijk vonden, werden
zonder enig geschrift als enige bindende bron van recht beschouwd. In 451-450
v. Chr. Kwam hier echter grote verandering in, met de doorbraak van de
twaalftafelenwet.
De twaalftafelenwet was de eerste lex of dus wet die neergeschreven werd ten
tijde van de Romeinse republiek. Het was een codificatie van gewoonterechtelijke
strekte zich uit over het gehele Italiaanse schiereiland, heel Italië tot aan de
Alpen dus.
Ten tijde van deze republiek heerste er een grote sociale ongelijkheid. De minder
welvarende burgers, ook wel plebejers genoemd werden op sociaal vlak
uitgesloten door de rijke elite, de patriciërs. Er heerste dus een
standenmaatschappij met bovenaan de rijke patriciërs, een goed stukje
daaronder, de plebejers en dan de 2 categorieën van personen die er echt niet
toe deden, de slaven en buitenlanders.
De economie was een nog primitieve agrarische economie, die vooral bestond uit
landbouw en handel. De plebejers hadden vaak een grote lening voor de gronden
die ze bewerkten of ze bewerkten de gronden van de patriciërs. De voornaamste
economische activiteit voor veel patriciërs bestond uit slavenhandel. De sociale
ongelijkheid kleurde ook de politiek van die tijd. Alleen patriciërs hadden veel
grond, ze waren dus machtig en mochten daardoor de politieke functies
bekleden. De plebejers waren vaak handelaren of boeren en zij mochten
helemaal niet aan de politiek deelnemen.
De scheiding der machten zoals wij ze vandaag kennen, ontstond pas in de 18 e
eeuw, door Montesqieu maar de patriciërs en plebejers hanteerden een systeem
dat toch wat raakvlakken kent met de trias politica. Om wetten te stemmen of
vragen over besluitvorming, organiseerden ze volksvergaderingen waar zowel de
patriciërs als de plebejers konden stemmen. De patriciërs hadden echter wel
meer stemgewicht, de invloed van de plebejers blijft dus ook hier beperkt. En
alleen mannen konden hieraan meestemmen. De wetten en het uitvoerend
beleid lagen bij de magistratuur, die was nog vrij primitief en bestond
voornamelijk uit 2 consuls. De consuls voerden hun mandaat uit door met twee
samen te werken, om machtsmisbruik van 1 leidinggevende te voorkomen. Ook
werkte de magistraat nauw samen met de senaat, waar uiteindelijk wel plebejers
mochten zetelen.
Naarmate de maatschappij complexer wordt, komen er ook lagere magistraturen
bij. De eerste die ingevoerd werden waren de quaestoren, die vanaf 447 v. Chr.
de staatskas beheerden en zich onder andere met belastinginning bezighielden.
De rechterlijke macht lag in handen van de praetoren, meer specifiek de praetor
urbanus, die juridische geschillen tussen burgeres behandelde. Naast de politieke
macht hadden de patriciërs ook nog eens de religieuze macht. Alleen zij konden
ook religieuze ambten bekleden.
Het Romeins recht was voor 451 v. Chr. Nog heel primitief. Het had, voor zover wij
weten, geen geschreven bronnen van het recht maar het steunde op
gewoonterecht. De dagdagelijkse gebruiken, die ze belangrijk vonden, werden
zonder enig geschrift als enige bindende bron van recht beschouwd. In 451-450
v. Chr. Kwam hier echter grote verandering in, met de doorbraak van de
twaalftafelenwet.
De twaalftafelenwet was de eerste lex of dus wet die neergeschreven werd ten
tijde van de Romeinse republiek. Het was een codificatie van gewoonterechtelijke