Samenvatting economie:
Hc1 + OG 1:
-coördinatiemechanisme= Prijs, geeft aan hoeveel er gevraagd en
aangeboden wordt en hoe die gaan verhandeld worden in de markt
-economie: draait om behoeften bevredigen met schaarse middelen
problemen:
Allocatieprobleem: hoe kunnen we de schaarse middelen efficiënt
inzetten? Mensen gaan er alle twee op vooruit (tafel maken)
Verdelingsprobleem: hoe kunnen we de schaarse middelen zo goed
mogelijk verdelen? Wie krijgt wat? De ene gaat erop vooruit de andere
gaat erop achteruit (koekjesprobleem)
-soorten economieën:
Centrale planning: economie die helemaal door overheid gepland wordt
(Loopt vaak mis want overheid kent wensen van bevolking niet)
Gemengde economie: genoeg regels zonder de vrijheid volledig te
beperken
Vrije marktsysteem: weinig overheidsinmenging, weinig regels, minder
herverdeling
(Als info averechts is dan komt er een marktfaling)
-vrije marktsysteem uitvinder: Adam Smith (met boek ‘wealth of nations)
invisible hand: prijsmechanisme dat stelt dat als je mensen vrij genoeg
laat kom je na een paar stappen automatisch terug op een evenwicht. En zegt
dat we het verlangen van mensen kunnen afleiden uit hun koopgedrag.
-voordelen vrijemarkteconomie: vrijheid van consumptie en productie,
coördinatie maar geen planning, efficiënt want geen structurele
overschotten/tekorten, geeft beeld van noden weer
-nadelen vrijemarkteconomie: monopolie, externe effecten, publieke of
collectieve goederen
-opportuniteitskost= waarde van beste niet-gekozen alternatief, manier om de
keuze uit te drukken
-betalingsbereidheid= prijs die de vrager maximaal bereid is te betalen
-leveringsbereidheid= prijs die de aanbieder minimaal wil ontvangen
1
,-marktvraag= Totale hoeveelheid die alle consumenten samen willen kopen van
een bepaald product in een bepaalde periode
Verschuiving naar rechts= stijging vraag
Verschuiving naar links= daling vraag
-determinanten: q, p, y (=inkomen), pz (=prijs ander product), qv,…
( verschil qv en V: qv is 1 punt bij een bepaalde prijs, V is de vraag en dus
de som van alle qv)
ceteris paribus= alle determinanten constant houden (theoretisch
modelin de praktijk: alle determinanten treden tegelijk op)
Negatief verband tussen p en qv: p+= qv-/p-=qv+
-Verklaring:
Substitutie-effect= je wil minder van het product dat duurder wordt
Inkomenseffect= je wordt armer als de prijs omhooggaat (boodschappen
duurder, minder leuke dingen doen)
-reservatieprijs, bij vraag= (maximale bedrag dat iemand bereid is te betalen
voor iets=) betalingsbereidheid
Beweging langs V: van 1 punt op de curve naar een ander punt op de
curve, komt doordat alleen p verandert, waardoor qv verandert
Verschuiving van V: volledige curve verschuift (V’), komt doordat andere
determinant (=niet p) verandert, waardoor de vraag verandert
2
,-marktaanbod= Totale hoeveelheid die alle producenten samen willen verkopen
(op de markt brengen) van een bepaald product in een bepaalde periode
Verschuiving naar rechts= stijging aanbod
Verschuiving naar links= daling aanbod
-determinanten: q, p, pa (=lonen), pk(=intrest),...
( verschil qa en A: qa is 1 punt bij een bepaalde prijs, A is het aanbod en dus
de som van alle qa)
ceteris paribus= alle determinanten constant houden (theoritisch
modelin de praktijk: alle determinanten treden tegelijk op
Positief verband tussen p en q: p+= qa+/p-=qa-
-verklaring:
Reservatieprijs, bij aanbod=leveringsbereidheid. o.a. afhankelijk van de
marginale kost
Winstmotief: drang van producenten om winst te maken
Beweging langs A: van 1 punt op de curve naar een ander punt op de
curve gaan, doordat alleen p verandert, waardoor qa verandert
Verschuiving van A: volledige curve verschuift (vb. A’), doordat andere
determinant (=niet p) verandert, waardoor het aanbod verandert
-marktevenwicht= V=A evenwichtsprijs + qv=qa
3
, - als tijdelijk p > p e dan qv < qa (A-overschot)…dan p↓
- als tijdelijk p < p e dan qv > qa (A-tekort/vraagoverschot) ... dan p ↑
-wetten van vraag en aanbod: geven aan in welke richting p en q wijzigen ten
gevolge van een wijziging in een van de determinanten, maar niet de grootte van
de wijziging (bv. prijs daalt, vraag stijgt/ prijs stijgt, aanbod stijgt)
-Marginale private baat=MPB = betalingsbereidheid voor één extra product
-Marginale private kost= MPK = de extra kosten voor één extra product
Marktevenwicht: MB = MK
-pareto efficiënt= het is niet mogelijk voor iemand om zich te verbeteren,
zonder iemand anders te verslechteren
-consumentensurplus= verschil tussen betalingsbereid van vragers en de te
betalen prijs
(Wat ze wil betalen - wat ze zal betalen)
-producentensurplus= verschil tussen de ontvangen prijs en de
leveringsbereidheid
(Wat ze wil ontvangen - wat ze zal ontvangen)
-totale surplus= som van consumentensurplus en producentensurplus
maatstaf voor welvaart!!
-maximaal surplus/maximale welvaart: alle producten en middelen in de
economie zo worden verdeeld dat ze precies terechtkomen bij de mensen die er
het meeste waarde aan hechten, en dat ze worden geproduceerd door degenen
die dat het meest efficiënt kunnen doen, ontstaat bij perfecte competitie zonder
overheidsingrijpen
-welvaart= producentensurplus + consumentensurplus
-prijselasticiteit= weergave van de prijsgevoeligheid van een product: met
hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid wijzigt als de prijs van product met
een bepaald percentage wijzigt
Formule: Relatieve hoeveelheidsverandering (=gevolg)/Relatieve prijsverandering
(=oorzaak)
Indien: |evp|>1 teller>noemer delta p<delta q omzet daalt bij
prijsstijging omzet verandert zoals delta q prijsgevoelig, prijselastisch
4
Hc1 + OG 1:
-coördinatiemechanisme= Prijs, geeft aan hoeveel er gevraagd en
aangeboden wordt en hoe die gaan verhandeld worden in de markt
-economie: draait om behoeften bevredigen met schaarse middelen
problemen:
Allocatieprobleem: hoe kunnen we de schaarse middelen efficiënt
inzetten? Mensen gaan er alle twee op vooruit (tafel maken)
Verdelingsprobleem: hoe kunnen we de schaarse middelen zo goed
mogelijk verdelen? Wie krijgt wat? De ene gaat erop vooruit de andere
gaat erop achteruit (koekjesprobleem)
-soorten economieën:
Centrale planning: economie die helemaal door overheid gepland wordt
(Loopt vaak mis want overheid kent wensen van bevolking niet)
Gemengde economie: genoeg regels zonder de vrijheid volledig te
beperken
Vrije marktsysteem: weinig overheidsinmenging, weinig regels, minder
herverdeling
(Als info averechts is dan komt er een marktfaling)
-vrije marktsysteem uitvinder: Adam Smith (met boek ‘wealth of nations)
invisible hand: prijsmechanisme dat stelt dat als je mensen vrij genoeg
laat kom je na een paar stappen automatisch terug op een evenwicht. En zegt
dat we het verlangen van mensen kunnen afleiden uit hun koopgedrag.
-voordelen vrijemarkteconomie: vrijheid van consumptie en productie,
coördinatie maar geen planning, efficiënt want geen structurele
overschotten/tekorten, geeft beeld van noden weer
-nadelen vrijemarkteconomie: monopolie, externe effecten, publieke of
collectieve goederen
-opportuniteitskost= waarde van beste niet-gekozen alternatief, manier om de
keuze uit te drukken
-betalingsbereidheid= prijs die de vrager maximaal bereid is te betalen
-leveringsbereidheid= prijs die de aanbieder minimaal wil ontvangen
1
,-marktvraag= Totale hoeveelheid die alle consumenten samen willen kopen van
een bepaald product in een bepaalde periode
Verschuiving naar rechts= stijging vraag
Verschuiving naar links= daling vraag
-determinanten: q, p, y (=inkomen), pz (=prijs ander product), qv,…
( verschil qv en V: qv is 1 punt bij een bepaalde prijs, V is de vraag en dus
de som van alle qv)
ceteris paribus= alle determinanten constant houden (theoretisch
modelin de praktijk: alle determinanten treden tegelijk op)
Negatief verband tussen p en qv: p+= qv-/p-=qv+
-Verklaring:
Substitutie-effect= je wil minder van het product dat duurder wordt
Inkomenseffect= je wordt armer als de prijs omhooggaat (boodschappen
duurder, minder leuke dingen doen)
-reservatieprijs, bij vraag= (maximale bedrag dat iemand bereid is te betalen
voor iets=) betalingsbereidheid
Beweging langs V: van 1 punt op de curve naar een ander punt op de
curve, komt doordat alleen p verandert, waardoor qv verandert
Verschuiving van V: volledige curve verschuift (V’), komt doordat andere
determinant (=niet p) verandert, waardoor de vraag verandert
2
,-marktaanbod= Totale hoeveelheid die alle producenten samen willen verkopen
(op de markt brengen) van een bepaald product in een bepaalde periode
Verschuiving naar rechts= stijging aanbod
Verschuiving naar links= daling aanbod
-determinanten: q, p, pa (=lonen), pk(=intrest),...
( verschil qa en A: qa is 1 punt bij een bepaalde prijs, A is het aanbod en dus
de som van alle qa)
ceteris paribus= alle determinanten constant houden (theoritisch
modelin de praktijk: alle determinanten treden tegelijk op
Positief verband tussen p en q: p+= qa+/p-=qa-
-verklaring:
Reservatieprijs, bij aanbod=leveringsbereidheid. o.a. afhankelijk van de
marginale kost
Winstmotief: drang van producenten om winst te maken
Beweging langs A: van 1 punt op de curve naar een ander punt op de
curve gaan, doordat alleen p verandert, waardoor qa verandert
Verschuiving van A: volledige curve verschuift (vb. A’), doordat andere
determinant (=niet p) verandert, waardoor het aanbod verandert
-marktevenwicht= V=A evenwichtsprijs + qv=qa
3
, - als tijdelijk p > p e dan qv < qa (A-overschot)…dan p↓
- als tijdelijk p < p e dan qv > qa (A-tekort/vraagoverschot) ... dan p ↑
-wetten van vraag en aanbod: geven aan in welke richting p en q wijzigen ten
gevolge van een wijziging in een van de determinanten, maar niet de grootte van
de wijziging (bv. prijs daalt, vraag stijgt/ prijs stijgt, aanbod stijgt)
-Marginale private baat=MPB = betalingsbereidheid voor één extra product
-Marginale private kost= MPK = de extra kosten voor één extra product
Marktevenwicht: MB = MK
-pareto efficiënt= het is niet mogelijk voor iemand om zich te verbeteren,
zonder iemand anders te verslechteren
-consumentensurplus= verschil tussen betalingsbereid van vragers en de te
betalen prijs
(Wat ze wil betalen - wat ze zal betalen)
-producentensurplus= verschil tussen de ontvangen prijs en de
leveringsbereidheid
(Wat ze wil ontvangen - wat ze zal ontvangen)
-totale surplus= som van consumentensurplus en producentensurplus
maatstaf voor welvaart!!
-maximaal surplus/maximale welvaart: alle producten en middelen in de
economie zo worden verdeeld dat ze precies terechtkomen bij de mensen die er
het meeste waarde aan hechten, en dat ze worden geproduceerd door degenen
die dat het meest efficiënt kunnen doen, ontstaat bij perfecte competitie zonder
overheidsingrijpen
-welvaart= producentensurplus + consumentensurplus
-prijselasticiteit= weergave van de prijsgevoeligheid van een product: met
hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid wijzigt als de prijs van product met
een bepaald percentage wijzigt
Formule: Relatieve hoeveelheidsverandering (=gevolg)/Relatieve prijsverandering
(=oorzaak)
Indien: |evp|>1 teller>noemer delta p<delta q omzet daalt bij
prijsstijging omzet verandert zoals delta q prijsgevoelig, prijselastisch
4