Hoofdstuk 1
Wat is economie?
Object, doel en methode van de economische wetenschap
1. Inleiding
Economie = manier waarop onze maatschappij zich organiseert
Verschillende niveaus:
- Individu: bv. student, beperkt in budget
- Gezinnen: bv. waar op reis?
- Bedrijven: bv. investeringen, vaststellen van prijzen
- Overheid: bv. overheidsuitgaven, belastingstructuren
Alle niveaus moeten beslissingen nemen i.v.m. economie, en liefst goede
Hoe?
- Economisch inzicht (hoeveel sparen, wanneer woning kopen, voltijds werken)
- Beter begrip van actuele problemen (bv. beleid Trump: dollar laten zakken t.o.v.
euro)
- Beter voorkomen van toekomstige problemen
2. Het fundamenteel economisch probleem
Veelvuldige behoeften versus schaarse middelen
Veelvuldige behoeften, individueel en collectief, op elk niveau
Schaarse middelen, budget en tijd, op elk niveau
Keuzes nemen
Economische analyse = keuzeprobleem op de niveaus nagaan, met de individuele en
maatschappelijke gevolgen
2.1. Menselijke en maatschappelijke behoeften
Behoefte = aanvoelen v/e tekort en verlangen om dit tekort aan te vullen
- Basisbehoeften: voeding, kleding en huisvesting
o Materiële goederen: fruit, pc, bureaulamp
o Immateriële goederen/diensten: cultuur, gezondheidszorg, onderwijs
- Individuele behoeften
- Collectieve behoeften: orde en nationale veiligheid
,2 Economie
2.2. Schaarse middelen en de noodzaak te kiezen
Economische goederen
Bv. fiets, brood, bezoek aan kapper
- Materieel en niet-materieel
- Schaars en nuttig
- Hangt een prijs aan vast
Vrije goederen
Bv. water, lucht, bodem
- Niet-schaars (valt over te discussiëren)
- Gratis
Middelen kan je slechts eenmaal inzetten en tijd is beperkt => schaarsteprobleem, komt
voor op alle niveaus
2.3. Het maken van keuzes en opportuniteitskosten
Opportuniteitskost = werkelijke kosten van een gemaakte keuze, kiezen voor het ene
zorgt er indirect voor dat je iets anders niet meer kan kiezen
Bv. kiezen om te studeren i.p.v. werken => eventuele loon valt weg = opportuniteitskost
2.4. Economie: een definitie
Volgens Robbins
Economics is de wetenschap die de relatie tussen schaarse goederen en
alternatieve gebruiksmogelijkheden bestudeert
Uitleg: keuzes moet je altijd maken door de vele behoeften, maar tegelijkertijd de
schaarse middelen
2.5. Micro- en macro-economie
Micro = gedrag van individuele economische agenten (= consumenten, bedrijven,
organisaties, …), zo vraag en aanbod bepalen (markt)
Voor 1 bepaald product/persoon/doel/bedrijf
Macro = bestuderen van werking van economische systemen (= werkgelegenheid,
investeringen, groei, conjunctuur, …), globale/aggregatieve economische grootheden en
relaties tussen landen (= internationale economie)
Bij voorbeelden kunnen zeggen of het micro/macro is. (slide 17)
,3 Economie
3. Het productieproces
Door productie worden goederen en diensten gecreëerd die ter beschikking worden
gesteld op gepaste tijd en plaats voor consumenten door inzet van schaarse middelen
(productiefactoren)
Economische goederen = consumptiegoederen + kapitaalgoederen
- Consumptiegoederen (brood, stofzuiger, fiets) worden gebruikt/verbruikt
o Duurzame consumptiegoederen (stofzuiger, fiets)
- Kapitaalgoederen = goederen om andere goederen mee te produceren
3.1. De productiefactoren
Productiefactoren/input: (3)
- Arbeid L (alle mogelijke arbeidsprestaties: handarbeid, lopende band,
intellectueel)
o Primaire productiefactor
- Kapitaal K (alle reële kapitaalgoederen: fabrieksgebouwen, machines, havens)
o Afgeleide productiefactor
o Investeren = verhogen van reële kapitaalgoederen
- Natuur N (water, lucht, klimaat, grondstoffen)
o Primaire productiefactor
Geheel X => zorgen voor output
4de = ondernemersinitiatief/menselijk kapitaal = vindingrijkheid v/d ondernemer om
output te realiseren
3.2. Het productieproces
, 4 Economie
3.3. De productiefunctie
Wiskundige relatie tussen input/hoeveelheid productiefactoren en output/hoeveelheid
economische goederen
𝑋 = 𝑓(𝐿, 𝑁, 𝐾)
Marginaalproduct MP = toename in de productie ten gevolge van een kleine verhoging
van de ingezette hoeveelheid arbeid
𝑀𝑃𝑙 = ⍙𝑋/⍙𝑙
Zie voorbeeld boek p.28-29.
4. De productiemogelijkhedencurve van een land
= stelt voor welke combinaties er geproduceerd kunnen worden als de hoeveelheid
arbeid volledig wordt ingezet
De concave curve illustreert:
- Schaarste: niet alles is bereikbaar (punt boven de curve)
- Opportuniteitskost: als je van het ene meer wilt produceren, is dit ten koste van
het andere goed (en dat is de opportuniteitskost)
- Keuzeprobleem: welke combinatie?
(punten onder deze curve omvatten niet alle mogelijke arbeid)
(punten boven deze curve omvatten meer arbeid dan mogelijk)
5. Het verruimen van de productiemogelijkheden van een land
Productiemogelijkheden verruimen door:
- Hoeveelheid ingezette productiefactoren verhogen (bv. meer kapitaal)
- Productiviteit v productiefactoren verhogen (bv. hogere arbeidsproductiviteit door
hogere scholing)
OF (in sommige gevallen in rekening genomen)
- Stand van technologie T
(beheersproblemen van Scitovsky kennen?)
6. Het marktmechanisme versus centrale planning
Hoe gaan we de economie organiseren?
- Centraal geleide economie/planeconomie
- Vrije markt economie
- Gemengde economie (tussen de 2 in)