Toegepaste dierkunde invertebraten
I. INLEIDING
1. De wetenschap zoologie
1.1 Situering
De wetenschappen kunnen opgedeeld worden volgens hun behandeling
van verschijnselen. Zie hieronder:
Hieruit volgt de definitie van de biologie: De wetenschap die de
structuur en levensverschijnselen van de levende organismen behandelt.
Ze wordt (zoals geïlustreerd) opgedeeld in ... en de zöologie/dierkunde.
1.2. Leven
Moeilijk te definiëren: waarom?
Simpele definities botsen op diversiteit en complexiteit van
levensvormen, wel mogelijk om eigenschappen te omschrijven dat
levende en niet-levende materie onderscheidt van elkaar.
1
, SAMENVATTING DIERKUNDE BIO-IR (2026) AKSEL DEPICKERE
Unieke en complexe moleculaire organisatie:
Eenvoudige moleculen zijn niet te vinden in levende wezens
(nucleïnezuren, eiwitten, koolhydraten, lipiden). Bouwstenen zijn C, N,
O, H, P. Zelfde atomen als niet levende materie, complexere
verbindingen
Complexe hiërarchische organisatie:
Principe van cel + cel = weefsel + weefsel = orgaan + orgaan = stelsel
+ stelsel = organisme + organisme = populatie + ...
De cel is laagste niveau; semi-autonoom door bepaalde basisfuncties
(o.a. reproductie), moleculen en organellen hebben een cellulaire
context nodig om te functioneren, daarom niet behoren tot hiërarchise
organisatie. Belangrijk: de kenmerken van een hoger niveau worden
niet bepaald door de eigenschappen van de niveau’s daar onder.
Onvoorspelbaarheid van het grote geheel.
Communicatie (tussen cellen): interactie met de omgeving:
Elk organisme reageert op prikkels van zijn omgeving op een andere,
specifieke manier. Deze interactie tussen organisme(n) en omgeving
kan eenvoudig of complex zijn... (cf. plant naar licht of paringsdans
vogels)
Reproductie: leven reproduceert zichzelf
Leven ontstaat uit ander leven, niet spontaan. Replicatie van genen,
deling van cellen (meiose, mitose), seksuele of aseksuele reproductie,
ontstaan van nieuwe soorten uit bestaande soorten (speciatie). Bij
reproductie staan 2 zaken centraal: overerving (ouder nagesslacht)
en variatie (tijdens overdracht kenmerken veranderen).
Genetische code:
De genetische code werkt analoog bij alle levende wezens, genetische
informatie in DNA/RNA
Onttrekken van nutrienten aan omgeving:
Nutriënten afbreken en omzetten in chemische energie en bouwstenen
voor het organisme = metabolisme
Specifieke levenscyclus:
Het opgroeien van een organisme volgt een specifiek patroon
gebonden aan die soort, het verschil tussen jong en oud kan soms heel
groot zijn (cf. Vlinder en rups)
2
, SAMENVATTING DIERKUNDE BIO-IR (2026) AKSEL DEPICKERE
1.3. Structuur van de zoölogie
We delen de zoölogie op in een reeks disciplines, gescheiden van elkaar:
De systematiek:
Poging tot orde scheppen in het grote aantal levende wezens rondom ons. Snel tot
conclusie dat men de indeling vh dierenrijk moet baseren op afstammingsleer
(genetisch). Men gebruikt origine, diversificatie en de evolutie om de uniciteit of
verwantschap van organismen/soorten vast te leggen
Deze verandert voortdurend door nieuwe inzichten en (genetische) technieken (cf.
In het begin vooral op uiterlijk, nu ook genetische code)
Morfologie:
De morfologie bestudeert de vorm (inwendig (anatomie) of uitwendig) van het
organisme. Organismen worden onderling vergeleken of tussen verschillende
dierengroepen (= vergelijkende morfologie). Binnen de microscopische wereld
bestudeert men weefsels en organen (=histologie), de functie en bouw van de cel
(= cytologie) en zelfs de celkern/nucleus (= karyologie)
Fysiologie:
De fysiologie bestudeert de levensprocessen en onderdelen van organismen met
behulp van natuurkundige en chemische methoden. Deze worden dan via hun
specifieke taak ingedeeld: stofwisselingsfysiologie (cf. Ademhaling, spijsvertering,
stoftransport, ...) spier- , zenuw- en zintuigfysiologie. De algemene fysiologie
behandelt algemene kenmerken (groei, prikkelbaarheid, doorlaatbaarheid
plasmamembranen, etc)
De vergelijkende fysiologie bestudeert overeenkomstige onderdelen bij
verschillende organismen (cf. Bloedsomloop vis en mens)
Biochemie is de studie van de chemische en fysiochemische processen die zich
afspelen in een organisme.
Moleculaire biologie onderzoekt biologische problemen op moleculair niveau<
Ecologie:
Bestudeert de wisselwerking tussen organismen en hun omgeving (milieu = betere
term voor omgeving)
Deze wisselwerking kan met biotische (voeding, natuurlijke vijanden, ...) of
abiotische (licht, luchtvochtigheid, CO² concentratie, temperatuur, ...) factoren
gebeuren.
Gebeurt deze wisselwerking tussen één organisme en zijn milieu spreken we van
autecologie, het dier reageert op reeks bovenstaande factoren. De werkwijze
bestaat meestal uit het isoleren van een dier uit milieu en impact van 1 variabele
bestuderen terwijl de ander variabelen constant worden gehouden.
Bekijken we de interacties tussen populaties onderling en met hun milieu dan
spreken we van demecologie. Populatie definieert Fritz als “een populatie is een
collectieve groep individuen van één soort dat een gebied bewoont, voldoende klein
3
, SAMENVATTING DIERKUNDE BIO-IR (2026) AKSEL DEPICKERE
om onderling voort te planten” (= homotypische groep) (dat laatste slaat op het
feit dat de organismen elkaar moeten kunnen tegen komen (niet alle konijnen in
europa, wel konijnen in het veltembos))
Bekijkt men de wisselwerking tussen verschillende soorten organismen in een
gezelschap (= heterotypische groep), dan spreekt men van synecologie (de
ecologie van gemeenschappen). De verschillende interacties kunen zijn: micro-
organisemen in herbivoren, predator-prooi, tritrofische interacties( plant-herbivoor-
carnivoor) of intraguild interacties (predator-predator)
Dan hebben we nog oceanologie (maritiem leven) en limnologie
(zoetwatermassa’s op het land).
Zoögeografie:
Bestudeert de verspreiding van de dieren over de aarde en de oorzaken die to deze
verspreiding geleid hebben. Zowel ecologisch (klimaatverandering),
geografisch(bergen) als historische (migratie mens) factoren spelen een rol.
Onderverdeeld in passieve (drijf ijs, wind, mens) en actieve (migratie) verspreiding
Economisch belang: ontdekkingsreizen, grote voorraadschepen (lucht en zee)
brengen organismen van andere continenten mee, soms voordelig soms nadelig (=
invasieve soort). De EU voerde quarantaine in voor planten voor voedselveiligheid,
biologische bestrijding kan overgaan in invasie (cf. Aziatisch lieveheersbeestje, eerst
goede bestrijding, kon overwinteren en was concurenttie voor inheems
lieveheersbeest met intraguild predatie) (cf. Aziatische hoornaar en suzuki fruitvlieg)
Ontogenie:
Studie van de ontwikkeling van het dier van ei tot de dood, de specifieke tak
embryologie bestudeert de ontwikkeling van het bevruchte embryo tot aan het
zelfstandige leven. Daarna volgt de post-embryonale ontwikkeling van zelfstandig
zijn tot de dood
Fylogenie:
Afstammingsleer, bestudeert de stamboom van de organismen of hun
paleontologische ontwikkeling doorheen de tijd. Deze discipline is van groot belang
voor de systematiek en evolutieleer. We onderscheiden: paleozoölogie (studie van de
dierenfossielen), de evolutieleer bestudeert oorsprong en differentiatie van het
dierenrijk. Deze laatste steunt op veel van de voorgaande disciplines (mol. bio;
fysiologie; ecologie; etc.)
Genetica:
Bestudeert de overerving van de oudereigenschappen op de nakomelingen. Zaken
zoals gen. manipulatie en gen. engineering vinden hun oorsprong hier. Moleculaire
genetica bestudeert de genetische verschijnselen op moleculair niveau (DNA/RNA)
4