HC1: Over klinische psychologie
Basisdisciplines:
Functieleer (algemene psychologie) → hoe denken en voelen
mensen normaal?
Ontwikkelingspsychologie → hoe ontwikkelt een mens zich?
Sociale psychologie → hoe beïnvloeden mensen elkaar?
Persoonlijkheidspsychologie → waarom is iedereen anders?
Methodenleer (psychodiagnostiek) → hoe onderzoek je dit
allemaal?
Afwijkend gedrag: afwijkingen van de norm in negatieve zin
Je gedrag, gedachten of gevoelens wijken af → zorgt voor problemen
Bv. Angst, negatieve gedachten, rare overtuigingen
Je vergelijkt dit altijd met wat normaal is:
Verdriet → normaal
Maanden lang niet uit het bed kunnen → niet normaal / afwijkend
Klinische psychologie:
Het bestuderen van psychische problemen
Het stellen van diagnoses
Het behandelen van mensen
Het voorkomen van problemen
Een onderzoek doen
Doel: mensen beter laten functioneren en zich beter laten voelen
Werkterreinen:
Eerstelijnspsychologie → huisarts, basis GGZ
Psychopathologie → psychiatrie, ziekenhuis
Forensische psychologie → gevangenis, justitie
Gerontopsychologie → ouderen
Neuropsychologie → hersenletsels
Systeempsychologie → gezinnen/relaties
Gezondheidspsychologie → omgaan met ziekte
Rehabilitatie → mensen opnieuw laten functioneren
Psychologi Klinisch Psychiater Psychothera
sch psycholoog pie
consulent
Basisdipl Professionel Master of Master of Opleiding na
oma e bachelor licentiaat licentiaat basisberoep
klinische geneeskunde (bv. Arts,
Toegepaste psychologie + psycholoog)
psychologie specialisatie
psychiatrie
1
,Taken Psychodiagn Psychodiagn Psychodiagn Behandelvorm
ostiek ostiek ostiek (±4 jaar
Gespreksvoe Begeleiding Mediactie opleiding)Uitg
ring Psychothera (farmactothe evoerd door
Counseling pie rapie) erkende
Coaching Preventie Psychotherap hulpverleners
Preventie ie
GGZ
Gedeelde verantwoordelijkheid
o Gemeenschappen: preventie, begeleiding, welzijn
o Federale overheid: ziekenhuizen, terugbetaling, wetgeving
Werkvorm:
Ambulant (bv. Psycholoog)
Semi-ambulant (bv. Dagcentrum)
Residentieel (bv. Psychiatrisch ziekenhuis)
Instroom:
Eigen initiatief
Verwijzing
Echelon model:
Stepped care → zo veel mogelijk mensen helpen in de 1ste lijn
Lijn Wat? Voorbeeld
0e lijn Informele hulp Familie, vrienden
1e lijn Basis hulp (poortwachter) Huisarts, psycholoog
2e lijn Gespecialiseerde hulp CGG, psychiater
3e lijn Intensieve opname Psychiatrisch ziekenhuis
7 factoren pathologisch gedrag:
1. Persoonlijk lijden → voelt de persoon zich slecht?
2. De (dis)functionaliteit → dagelijks functioneren?
3. Irrationeel gedrag → onlogisch gedrag
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies → kan iemand zichzelf nog
sturen?
5. Opvallend en onconventioneel gedrag → sterk buiten de norm
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt →
anderen oncomfortabel
7. Het overtreden van morele normen → tegen sociale/morele regels in
Psychische stoornis (APA) = een patroon van klachten (denken, voelen,
gedrag) dat duidelijk problemen veroorzaakt en wijst op iets dat niet goed
werkt in het systeem van de persoon
Uitsluitende omstandigheden:
Normale reacties (rouwen na verlies)
Culturele verschillen (gedrag dat normaal is binnen cultuur)
2
, Minderheden (anders zijn ≠ stoornis)
Conflict met maatschappij (niet akkord gaan met regels ≠ ziekte)
Wat is
Model Kernidee Voordelen Problemen
abnormal?
Statisch Gedrag is normal
verdeeld
Extreme scores
(heel laag/heel
Objectief,
makkelijk,
Grens is arbitrair
Zeldzaam ≠
model hoog) meetbaar problematisch
Geen rekening met
lijden
Medisch Stoornis = ziekte Afwijking door
biologische of
Duidelijke diagnose
& behandeling
Stigmatisering
Niet alles in een
model psychische ziekte
oorzaken Problems in living
Leermodel Gedrag is
aangeleerd
Fout aangeleerd
gedrag
Minder stigma &
focus op
Onduidelijke grens
ziekte vs
verandering levensproblemen
Verantwoordelijkhe
id-discussie
HC2: Leertheoretische behandeling
Ivan Pavlov
Leren gebeurt door koppelingen tussen prikkels
o Bv. Voedsel → speeksel
Gebeurt automatsich
Kassieke conditionering
Edward Lee Thonrdike
Wet van het effect
o Beloning = herhaling
Acquistitie: verbanden leren leggen
Instrumentele conditionering
Burrhus Frederic Skinner
Skinner-box: Gedrag → gevolg → leren
Terminologie
Instrumentele of operante Klassieke conditionering
conditionering
Discriminatoire prikkel of situatie Onvoorwaardelijke prikkel (OP)
(S) Bv. voedsel
Bv. Drukken van hendel → voedsel
Respons (R) Onvoorwaardelijke reactie (OR)
Bv. Drukken op hendel Bv. speekselreactie
Uitkomst (Outcome) (O) Voorwaardelijke prikkel (VP)
Bv. Voedsel krijgen (beloning) Bv. zoemer
Voorwaardelijke reactie (VR)
Bv. speekselreactie
3
,Leren = gedragsverandering door ervaringen in de omgeving je
verandert omdat je iets meemaakt
a) Associatieve theorie
Leren = verbindingen maken
S-R leren: stimulus→ reactie (zoemer → speeksel)
S-S leren: stimulus → verwachting van iets (zoemer → ‘voedsel
komt’)
Experiment: eten minder lekker maken → minder speeksel
bewijs voor S-S leren
b) Propositionle theorie
Leren = nadenken en redeneren
De zoemer betekent dat er eten komt
Bewust denken
Voorspellend, oorzakelijk, preventief
Ontogenetische adaptatie = we leren om ons aan te passen aan de
omgeving
Appetitieve conditionering
→ we leren dingen die aangenaam zijn
Verslaving
Restaurant (VP) → alcohol (OP)
Craving = zin krijgen
o Actietendens: motivationeel fenomeen, neiging tot actie
(productinname)
Rouw
Bed (VP) → partner (OP)
Craving = verlangen of gemis
Extinctie = dooft traag uit (gemis wordt Kleiner)
Generalisatie → meerdere plaatsen worden trigger, niet alleen bed
Twee systemin van gedrag
a) Doelgricht gedrag
o Gedrag → gevolg (ik drink alcohol → ik voel me beter)
4
, b) Gewoontegedrag
o Situatie → gedrag (thuiskomen → drinken)
Pavloviaanse-instrumentele transfer (PIT): klassieke + operante
condintionering werken samen
Zoemer → voedsel (klassiek)
Hendel drukken → voedsel (operant)
Samen: zoemer → meer drukken
Aversieve conditionering
→ we leren dingen die onaangenaam zijn
OP = iets onaangenaams (pijn, schok, angst)
Je leert: iets → gevaar
Angst
Hond (VP) + beet (OP) → angst
Later: hond alleen → angst
Latente inhibitie: als je iets eerst veilig leert kennen → leer je later
minder snel angst (bv. tandarts eerst ok → later minder angst)
Aangeleerde hulpeloosheid (Seligman)
Als je geen controle hebt → stop je met proberen
hond kan niets doen → leert: “het heeft geen zin”
later: → zelfs als het WEL kan, doet het niets
bv. burn-out → passiviteit
Inflatie-effect
Angst wordt erger door wat NA de gebeurtenis gebeurt
o vb: piekeren → maakt angst sterker
o → verwerking is cruciaal!
Generalisatie
Angst breidt uit
o vb: gebeten door 1 hond → bang voor alle honden
Vermijding
Angst blijft bestaan door vermijden
Tweefactorentheorie (Mowrer)
Klassiek: feestje → negatieve ervaring → angst
Operant: vermijden → geen angst → opluchting
opluchting = beloning → vermijden blijft bestaan
Verrassingshypothese
Je leert vooral als iets onverwacht is
5
, = voorspellingsfout
o vb: als iets al verwacht is → minder leren
Blokkeringseffect (Kamin)
Als iets al voorspeld wordt → leer je niets bij van nieuwe prikkels
o vb: geluid voorspelt shock
licht + geluid → shock
licht alleen → geen angst
= geluid “blokkeert” het leren over licht
Bv. angststoornissen
Niet alles wordt een trigger
o vb: soldaat:
strand + alarm + chaos
later: alleen alarm → angst
= brein kiest beste voorspeller
Gedragstherapie = aangeleerd probleemgedrag veranderen via
nieuwe leerervaringen
→ je kan gedrag afleren of herleren
De kern van behandeling
Hoe krijg je verandering? (korte termijn)
Hoe blijft die verandering? (lange termijn)
Evolutie van gedragstherapie:
Generatie Focus
1e generatie Gedrag veranderen
2e generatie Gedachten + gedrag (CGT)
3e generatie Leren omgaan met gedachten (bv. ACT)
Diagnostiek:
Macroanalyse (holistisch) = casusconceptualisatie
o welke problemen zijn er?
o hoe hangen ze samen?
Microanalyse (functieanalyse)
o hoe is het probleem ontstaan?
o wat houdt het in stand?
Behandeling
a) Extinctie → oude link verdwijnt
VP zonder OP → gedrag/angst neemt af
Bv. feestje → geen negatieve ervaring → minder sociale angst
b) Exposure = cliënt bewust blootstellen aan angst zonder dat het
gevreesde gebeurt
verslaving → naar feest zonder drinken
sociale angst → naar feestje gaan
pijn → bewegen zonder schade
6