VERSCHIL WOORDLEER - ZINSLEER
• Woordleer: woord op zich, enigszins los v/d zin (http://woordenlijst.org) vb ik
• Zinsleer:functie van dat woord ofwoordengroep in een zin vb ik fiets snel
SPLITSEN IN ZINSDELEN
- Joris gaf een dikke bos bloemen aan oma.
1. Joris gaf een dikke bos bloemen aan oma.
2. Een dikke bos bloemen gaf Joris aan oma.
3. Aan oma gaf Joris een dikke bos bloemen.Gaf Joris een dikke bos bloemen aan
oma?
- Een zinsdeel = een woord of woordengroep die je vooraan in de zin kan zetten. De
persoonsvorm staat dan op de tweede plaats.
Joris / gaf / een dikke bos bloemen / aan oma. //
1. DE PERSOONSVORM
- De persoonsvorm is een werkwoordvorm. (zww, kww, hww)
- Je vindt de persoonsvorm op volgende manieren.
1. Maak van de zin een ja/nee vraag.Het zinsdeel dat vooraan staat is de PV.Gaf
Joris een dikke bos bloemen aan oma?
2. Plaats de zin in een andere tijd.Joris geeft een dikke bos bloemen aan oma.
3. Plaats 'de zin' in een ander getal. De jongens gaven een dikke bos bloemen aan
- //Papa gaat op mijn verjaardag pannenkoeken bakken. //
Gaat papa op mijn verjaardag ....?
Papa ging op mijn verjaardag ...
Papa en mama gaan op mijn verjaardag ...
2. HET ONDERWERP
- Wie of wat + pv?
Joris gaf bloemen aan oma.
Wie gaf? Joris
De krokodil ligt roerloos te wachten.
Wie ligt? De krokodil
- De pv en het onderwerp vormen samen
- DE KERN van de zin.
, 3. HET GEZEGDE
- Doet of ondergaat het onderwerp iets of is het onderwerp iets?
- Is het een is-zin of een doe-zin?
De moeder van mijn vriend geeft mij elk jaar een paar sokken.
Doe-zin
Ze is de sterkste van het boksteam.
Is-zin
- Doe-zinnen dwz zinnen met een zelfstandig werkwoord:
werkwoordelijk gezegde
- Is-zinnen dwz zinnen met een koppelwerkwoord:
Naamwoordelijk gezegde
- Gezegde bestaat uit pv, hulpwerkwoorden
ZWW werkwoordelijk gezegde
KWW naamwoordelijk gezegde én ...
Ik heb een fiets gekocht.
o PV = heb, ZWW = ik heb gekocht
Ik heb vannacht gedroomd
o Pv = heb, ik heb gedroomd = ZWW
Jan is brandweerman geworden.
o PV = is, KWW = Jan is geworden
- Het naamwoordelijk gezegde
Jan is geworden.
Dat is wel heel nietszeggend!
Daarom hoort ook het beroep, defunctie, eigenschap of kenmerk van het
onderwerp bij het naamwoordelijk gezegde!
Jan is brandweerman geworden.
- DUS
1. de persoonsvorm aanduiden;
2. de zin in zinsdelen verdelen;→ verplaatsingproef
3. het onderwerp zoeken,
4. → wie/wat + pv?
5. Is-zin (nwg) of doe-zin (wwg)?
6. het nwg of wwg onderstrepen
ADDERTJE ONDER HET GRAS
- Doet of ondergaat het onderwerp iets?
Doe-zinnen of werkwoordelijk gezegde.
Papa poetst elke week de badkamer.
o Doe-zin
De politie wordt gebeten door de hond.
o Doe-zin
- Verschil?