VERSCHIL WOORDLEER - ZINSLEER
• Woordleer: woord op zich, enigszins los v/d zin (http://woordenlijst.org) vb ik
• Zinsleer:functie van dat woord ofwoordengroep in een zin vb ik fiets
• Soms context van zin nodig om woordsoort te kennen. Vb zijn, snel
9 WOORDSOORTEN
1. Het lidwoord
2. Het zelfstandig naamwoord
3. Het bijvoeglijk naamwoord
4. Het voorzetsel
5. Het telwoord
6. Het voegwoord
7. Het werkwoord (3 subcategorieën)
8. Het voornaamwoord (6 subcategorieën)
9. Het bijwoord
1. HET LIDWOORD
• de, het, een
• Onbepaald (een) - bepaald (de, het)
• *Komt steeds voor met een zelfstandig
• naamwoord (een mooie vrouw).
• zelfstandig naamwoord kan verzwegen zijn (De twee (kinderen) zijn blij)
• Een of het niet in combinatie met een zelfstandig naamwoord is geen lidwoord (ik heb
het gezien)
2. HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD
, • Noemt namen van mensen, dieren, planten en dingen, maar ook eigennamen,
geografische namen, namen van de maanden, de dagen van de week en abstracte
zaken (advies, raad, kennis).
• Voor de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een lidwoord plaatsen en
zelfstandige naamwoorden kunnen meestal in het meervoud gezet worden.
• Ook komt het voor dat andere woordsoorten zelfstandig gebruikt worden: Hij heeft
een acht gehaald voor het tentamen. Het eigenaardige is, dat ik niet eens
meedeed. Het lopen heeft me goed gedaan.
3. HET BIJVOEGLIJK NAAMWOORD
• Kan voor een zelfstandig naamwoord geplaatst worden. Het zegt dan iets van dat
zelfstandig naamwoord: Een hoge boom. Een duidelijk standpunt.
• Denk ook aan de vergrotende en overtreffende trappen: hoger, hoogst en de
stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zilveren, gouden, wollen.
• Een bijvoeglijk naamwoord hoeft niet vóór een zelfstandig naamwoord te staan,
maar kan bijvoorbeeld ook voorkomen als naamwoordelijk deel in een
naamwoordelijk gezegde: De boom is hoog. Je standpunt is duidelijk.
4. HET VOORZETSEL
• De 'kast' woorden
op, naast, voor, achter, over, uit, bij, van, aan, door, vanaf, tussen, om.
• Soms vakantie nodig: voorzetsel + vakantie tijdens, gedurende
5. HET TELWOORD
• Het telwoord telt of nummert; het geeft een hoeveelheid aan of een volgorde,
rang.
• Onbepaald (veel, enige) en bepaald (vijf)
• Er zijn:
hoofdtelwoorden: vijf, duizend, enige, verschillende
rangtelwoorden: eerste, vijfde, hoeveelste, laatste, zoveelste.
6. HET VOEGWOORD
• Voegt zinnen of delen van zinnen samen. Er zijn nevenschikkende en onderschikkende
voegwoorden.
Voorbeelden van voegwoorden: en, maar, want, of, dat (!), omdat, zodat,
terwijl, hoewel, ofschoon ...
Achter dat staat een uitroepteken, omdat het ook voornaamwoord kan zijn.
• Let dus op:
Ik heb je toch gezegd, dat ik het antwoord niet weet.